Home » Overweging Kerstavond

Overweging Kerstavond

Wat fascineert ons toch zo in het Kerstverhaal en heeft het verhaal ons ook nog steeds iets te zeggen? 

U bent vanavond in grote getale hier naartoe gekomen en ook andere kerken zitten vanavond en morgenochtend vol, veel en veel voller dan gebruikelijk is op zondag. 

Brengt het Kerstkind ons nog steeds iets nieuws?

Dat is duidelijk toch wel onze hoop, lijkt het.

Het nieuwe, het prille, de hoop,  begint voor het eerst – of wordt voor het eerst beschreven – in het Bijbelboek Genesis, in de twee lezingen die we zojuist lazen. Twee scheppingsverhalen, net even anders. Het eerste scheppingsverhaal is bekend, het tweede scheppingsverhaal, dat iets verder in het Bijbelboek staat, is veel minder bekend.

In Genesis 1 lazen we dat de aarde woest en vormloos was, en duister. En dan, dan danst en wervelt daar de adem van God over de aanschijn, het aangezicht, de expressie, van het water.

Het is die adem die leven in de brouwerij brengt. Want God zegt, op een ademteug, Kome er licht! En dan is er ook licht, en duisternis. De dualiteit, dag en nacht, vreugde en verdriet. Vanuit die ene ademtocht.

In Genesis 2, waar dat andere scheppingsverhaal staat, lezen we dat de mens uit aarde is geformeerd, bloedrode aarde, en ook hier weer die adem van God, die de mens wordt ingeblazen. Zo wordt er in dat lijf, in dat lichaam,  in de materie, de ziel ingeblazen. Ook hier weer de tweeheid, de dualiteit, die ieder van ons in zich heeft, lichaam en ziel. Ons lichaam is, zo zou je kunnen zeggen, door God zelf bezield. We worden door God be-ademd.

In het oosten wordt verhaald dat God de mens vormde van klei en toen aan de ziel vroeg het lichaam te betreden. De ziel weigerde, want deze wilde niet in gevangenschap leven maar haar vrijheid behouden en kunnen dansen.

Toen vroeg God de engelen te musiceren en te zingen en er klonk een betoverend mooie melodie die de ziel in extase bracht. De ziel wilde die hemelse muziek nog beter kunnen horen, en zo wervelde de ziel rond de mens en betrok zij in verrukking het lichaam van de mens. Zo kon de ziel nóg beter ervaren.

Gods adem, de ziel, danst en is bedoeld om te dansen. De ziel, onze ziel is vrij en in vrijheid heeft de ziel voor de beperktheid van het lichaam gekozen, om te kunnen ervaren. Ervaren in dualiteit, ervaren van licht en donker, van vreugde en verdriet. Om zo, net als bij een zwart-wit foto, een helder contrast te krijgen. Een scherpe afbeelding te krijgen. Op zo’n foto kunnen licht en donker niet zonder elkaar. Die foto is, zo zou je kunnen zeggen, net als ons leven een afspiegeling is van licht en donker.

Die dansende ziel is ook kwetsbaar en teer. Denk maar aan het gezegde Op je ziel getrapt zijn. Wij kunnen elkaars ziel makkelijk kwetsen, soms zonder erg, zonder dat we dit hebben bedoeld.

Dat kwetsbare en tere vinden we ook in een pasgeboren kind, een baby. Kwetsbaarheid en onschuld. Bijna iedereen die een pasgeboren baby’tje ziet, of een jong dier, wordt daardoor geraakt. Is vertederd. Wanneer het om dat pasgeborene gaat, komt er een beschermer in ons op. Alsof we eigenlijk niet willen toestaan dat dit kwetsbare, die onschuld wordt verbroken. Laat staan gebroken.

Wat staat er op het spel? Is het misschien ook onze eigen kwetsbaarheid die we in zo’n klein kindje herkennen? 

Durven we ons nog te laten raken door kwetsbaarheid? Zien we de kwetsbaarheid om ons heen nog of maken al die beelden van kwetsbaarheid en gebrokenheid ons ook murw? Kunnen we ook hier het duister en het licht zien, zoals op de zwart-wit foto?

Het duister is er, onmiskenbaar. We krijgen de beelden en woorden zo onze huiskamer ingeslingerd. En we kunnen, we mogen, er onze ogen niet voor sluiten!  En soms is het ook duister in onze eigen levens; is er wanhoop, pijn, verdriet.

Nee, we kunnen alle nood niet ledigen. God kan alle nood niet ledigen. Maar laten we doen wat we kunnen doen, met elkaar en voor elkaar. In onze eigen kleine of grotere kringen doen wat we kunnen doen en  opkomen voor het kwetsbare in de wereld. Doen wat binnen onze mogelijkheden ligt, ieder met zijn of haar eigen kwaliteiten.

Kerstfeest. Feest van de herinnering aan een kind dat geboren wordt in een stal, ruim 2000 jaar geleden. Elk jaar vieren we het weer. Elk jaar weer datzelfde verhaal, het verhaal over dat kind van toen. Is het een waar gebeurd verhaal? Doet dat er eigenlijk wel toe? Gaat het niet veelal meer om de metafoor, met dat wat wij ermee doen! Het kind in die stal, die grot, in Bethlehem.

Die eerstgeborene, dat christuslicht, dat kwetsbare, de hoop. Door God zelf beademd.

Dat naderen we met schroom, elk jaar opnieuw met Kerst. Zoals het verhaal dat Paul de Blot, hoogleraar aan Nijenrode, die vorige week overleed, eens vertelde;

Ergens in de bergen van Italië is er een bedevaartplaats van een kerstkribbe waar weinig over gesproken wordt, maar die heel druk wordt bezocht. Eén voor één kruipt een pelgrim de grot in die steeds nauwer wordt en tenslotte doodloopt voor een spiegel op de bodem, daar waar men een kerstkribbe verwacht.

Als de pelgrim in de ruimte naar het kind zoekt, ziet de pelgrim tot zijn of haar grote verwondering het eigen gezicht weerspiegeld. Op die spiegel staat met duidelijke letters getekend “Hier ben ik mens geworden”. De pelgrim wordt er stil van en beleeft de kernboodschap van Kerstmis. Het gaat over mij! Het gaat over mijn mens-zijn! Dit is de kern van het kerstverhaal, dat het goddelijke in mij mens wordt, dat ik mens word en mens ben.

Dat besef kan iedere Kerst opnieuw geboren worden. Dat besef kan elke dag en elk moment opnieuw geboren worden. In u, in mij, in iedereen.

Dan zijn we kwetsbaar naar de ander, kwetsbaar als dat kind in de kribbe. En is ook de ander kwetsbaar voor ons. En in die kwetsbaarheid straalt er ook dat licht door ons heen. Licht als de dansende ziel die wordt beademd door God zelf.

Ook als het even heel duister in ons of om ons heen is. Licht wat we mogen uitstralen en doorgeven, elkaar zo aansteken.

Ik wens u een vrolijk Kerstfeest!

Monika Rietveld