Home » Overweging: Het is niet goed dat de mens alleen is (Genesis 2)

Overweging: Het is niet goed dat de mens alleen is (Genesis 2)

De afgelopen week was het de week tegen eenzaamheid 2019. In het hele land zijn er honderden activiteiten georganiseerd om mensen die alleen wonen, die te vaak alleen zijn en zich daar niet prettig bij voelen, in contact te brengen met anderen. Dat is hard nodig. Eenzaamheid is voor te veel mensen te dominant aanwezig. Mensen zijn nu eenmaal niet op eenzaamheid maar op tweezaamheid gebouwd. Iemand om mee samen te zijn, om mee te praten, dingen te doen, gevoelens te delen. Het gemis aan tweezaamheid komen we meteen al tegen in de eerste oerverhalen van Genesis. U weet dat daar twee verschillende scheppingsverhalen staan. In het eerste, Genesis 1, schept God de hemel en de aarde, dan de vissen en de vogels, dan de landdieren en tenslotte en als hoogtepunt de mens. Om zo te zeggen: de mens stapt binnen terwijl het feest al in volle gang is. Hij is omringd door alle mogelijke vormen van leven en hoeft zich niet alleen te voelen. Dat is heel anders in het tweede scheppingsverhaal in Genesis 2. Er is nog geen enkele struik en geen enkele plant opgeschoten. Er zijn ook geen dieren, er is niets. En toen maakte God de mens en meteen daarbij een tuin met bomen en heerlijke vruchten en het is de levenstaak voor de mens om die te bewerken en erover te waken. Die mens, in zijn eentje, is geplaatst in een mooie omgeving, met voldoende voedsel en met een zinvolle levenstaak. Maar het is meteen ook niet genoeg om tot je bestemming te komen. Zoals de Amerikaanse rabbijn Kushner alweer dertig jaar geleden schreef: Niets meer te wensen en toch niet gelukkig. God realiseerde zich bij de aanvang al gauw: Het is niet goed dat de mens alleen is. Een mens kan alles hebben, gezondheid, voedsel, comfort, maar er is niet iemand om op de een of andere manier samen mee te zijn, dan ben je eenzaam. En God bedenkt in het Genesisverhaal: Ik zal een helper voor hem maken, iemand die bij hem past, die als een tegenover voor hem is. Je verwacht dan eigenlijk dat hij een medemens krijgt toegewezen. Maar dat is niet zo. God maakt alle wilde en alle tamme dieren en alle vogels en hij brengt ze alle naar de mens  want de mens mag ze een naam geven. God brengt dieren en mens samen in een persoonlijke relatie. Je bestaat voor elkaar als je elkaar bij de naam noemt. Dat heeft de dichter Neeltje Maria Min zo mooi onder woorden gebracht:

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.
Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

De mens geeft elk dier een naam. Maar hij vond geen enkel dier dat goed bij hem paste. Hoe komt dat? Misschien omdat geen enkel dier ook hem een naam geeft. Er is niet genoeg wederkerigheid. Hoe komt dat? Nou, je wil gedachten kunnen uitwisselen, je wil emoties kunnen delen en daar woorden aan kunnen geven. Je wil de warmte van een ander mens voelen. Je wilt gekend zijn op een diep niveau. Je wilt dat een ander je bij je voornaam noemt of bij je koosnaam. ‘Noem mij bij mijn diepste naam’.

Toen bracht God de mens in slaap en neemt een rib bij hem weg en vult die plek weer met vlees. En van die rib maakt hij een vrouw. Een raar verhaal? Het is een beeld dat man en vrouw, dat mensen überhaupt tot in het merg van hun wezen bij elkaar horen. Dat drukt de taal waarin dit verhaal geschreven is, het Hebreeuws, ook heel mooi uit. Eerst is er de mens, de man, iesj, en dan komt daarbij iesja, de vrouwelijke variant, of, zoals de oude Statenbijbel vertaalde: mannin, de vrouwelijke mens. Het mannelijke en het vrouwelijke vullen elkaar aan. In het eerste scheppingsverhaal staat: Mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Dat is mooi gezegd. Niet: hij schiep hen als mannen of vrouwen. Nee, mensen zijn mannelijk én vrouwelijk. Iedereen heeft mannelijke én vrouwelijke trekken in zich, meestal meer van het ene dan het andere, soms in meer gelijke mate. En een mens zoekt in een ander mens ook weer dat wat hem of haarzelf aanvult. De diversiteit is er tussen mensen, maar ook in onszelf. Veelkleurigheid maakt onze relaties niet saai, interessant, maar ook noodzakelijk. Al die aspecten dragen bij tot een evenwichtige wereld.

In het bijbelverhaal lijkt het alsof daarmee de dieren zijn af geserveerd. Ze zijn niet geschikt als helper, als partner, als tegenover van de mens. Dat was dus een misser van de schepper. Nee, het bleek dat een afsplitsing van hemzelf de oplossing was voor het alleen zijn. Hoe wordt er vervolgens in het boek der boeken gesproken over dieren? In de eerste plaats als levende schepselen, die van God het bestaan en het leven hebben gekregen. God had gezegd: Wees vruchtbaar en word talrijk overal op aarde. En God zag dat het goed was. Dieren hebben dus net zoveel recht om er te zijn als wij mensen. Maar wat is in bijbels perspectief de relatie tussen mensen en dieren? De meest in de Bijbel voorkomende dieren zijn geen huisdieren, maar zogenaamde landbouwhuisdieren. ‘God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee’. In de Bijbel komen vaak het schaap, het paard, de os, de ezel, de geit, de vis, het lam, de kameel en de duif voor. Zeg maar: dieren die van economisch belang zijn, die de mens goed kan gebruiken, ofwel als trekkracht of lastdier, dan wel om op te eten. En naast de nuttige dieren zijn er de wilde dieren. De leeuw en de slang zijn de meest genoemde. Ze zijn altijd bedreigend voor mensen. Maar wat wordt er gezegd over de huisdieren die we houden voor de gezelligheid? De honden en de katten bijvoorbeeld? Die komen zowel in het oude als nieuwe testament niet voor. Nou ja, met één uitzondering en dan nog in een deuterocanoniek boek, een boek dat niet tot de canon, officiële lijst, behoort. In het boek Tobit komt een hondje voor dat met zijn baas op reis gaat. Het noemen van een dergelijk huisdier is wel een echte uitzondering.

Dat is jammer, maar ook begrijpelijk. In de tijd dat de bijbelverhalen werden opgeschreven, konden dieren niet anders beschouwd worden dan vanuit de constatering ‘nuttig of schadelijk voor de mens’. Op zichzelf hadden ze geen betekenis. Dat is nu anders.

Ten  eerste hebben wij mensen, vanuit onze emotionele behoefte, een band gelegd met sommige diersoorten die huisdieren zijn geworden. Deze getemde dieren heffen soms onze eigen eenzaamheid op en – zoals wetenschappelijk is aangetoond – ze bevorderen onze gezondheid en geluksgevoel. Dieren reageren op ons, geven gezelligheid, zijn aanhankelijk, zijn blij als ze ons zien, komen aanhankelijk bij ons zitten of liggen. Niet allemaal natuurlijk, maar een aantal wel en die noemen we huisdieren. Als iemand alleen woont, hoor je nog wel eens het advies klinken: Neem een hond. En ook mensen die met genoeg anderen samenleven, vinden veel vreugde en vriendschap in de omgang met een dier, een hond, een kat, een paard. En de huisdieren reageren met wat op emotie lijkt. Is uw hond niet immers blij als u thuiskomt?

Ten tweede heeft wetenschappelijk onderzoek uitgewezen dat er geen absoluut verschil is tussen de mens en alle andere dieren. Er zijn menselijke dieren en niet-menselijke dieren. De verwantschap is in veel opzichten groot. Vorig jaar verscheen er een boek van de gedragsbioloog en primatoloog Frans de Waal, ‘Mama’s laatste omhelzing’, waarin hij zijn bevindingen deelt over emoties die hij ziet bij dieren. De Waal zegt: “We komen uit een periode waarin emoties en intelligentie bij dieren koste wat kost werden ontkend. We zagen dieren lang als simpele responsmachines, die alleen reageren op directe impulsen van buitenaf, heel anders dan die complexe, intelligente mens. Tegenwoordig is er veel kennis die die scheiding tegenspreekt, maar desondanks zijn er nog steeds wetenschappers die dat denken.”  Naast dat besef dat ook sommige diersoorten emoties kunnen hebben, is er een groeiende bewustwording dat het voortbestaan van de mens verbonden is aan het voortbestaan van de meeste andere diersoorten. Dat de biodiversiteit, van planten en dieren, tot de insecten toe, cruciaal is.

En Jezus? Wat was zijn relatie tot dieren? Geen bijzondere, geen emotionele. We lezen dat hij bij het begin van zijn openbaar optreden veertig dagen terugtrok in de woestijn en daar leefde tussen de wilde dieren. Met Palmpasen hield hij gezeten op een ezelsveulen zijn intocht in Jeruzalem. En in zijn prediking maakte hij gebruik van dieren als metafoor. Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder.

De bijbel vertelt ons over de relatie die mensen 25 eeuwen geleden voelden tot de dieren en hoe zij ervoeren dat God daarin stond. Onze tijd vraagt om een nieuwe, een andere doordenking van de relatie tussen mensen en dieren. De theologie dient een bijdrage te leveren. We kunnen moeilijk spreken over God, onze menselijke opdracht, de toekomst van de schepping, zonder de dieren als medeschepselen een nieuwe rol te geven.

Gij zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf. Dat is volgens Jezus het grootste gebod. Voor onze tijd is actueel de vraag wie bij die naasten horen. De politicus Wilders verklaarde dat het de mensen zijn die het dichtste bij je staan, je eigen volk. Jezus zelf meende juist ook de vreemdeling, zie zijn gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. En wij? Horen de dieren ook tot onze naasten? Zijn wij zonder hen niet tot een zekere eenzaamheid veroordeeld?

Amen

ds Peter Korver