Home » Overweging – Een steen in de rivier

Overweging – Een steen in de rivier

We zien hier in ons midden, stromend vanuit een bron,  een rivier verbeeld. Een rivier waar stenen in liggen. Witte stenen. 

Witte stenen, zoals in de tekst van Openbaring geschreven staat Ik zal hem een witte steen geven, en op de steen een nieuwe naam geschreven.

Op de stenen hier in de rivier, staan de namen geschreven, met geboorte- en sterfdatum, van hen die in het afgelopen jaar zijn overleden in onze geloofsgemeenschap. 

Nee, het zijn geen nieuwe namen. Het zijn de namen van de mensen zoals wij hen hebben gekend.

Wij laten hier vandaag opnieuw hun namen klinken. Zij mogen nog steeds worden genoemd. Zij waren en zijn, op een bepaalde manier, nog steeds – deel van ons. Zeker voor de mensen die heel dichtbij hen stonden; partners, kinderen en kleinkinderen. 

Zo leven zij voort, zolang wij hun namen noemen, in onze gedachten.

De rivier, die stroom, zou je kunnen zien als metafoor van de levensstroom. Een stroom die opwelt en waar wij als mensen uit voort komen. Stromend uit die ene Bron neemt het leven vervolgens z’n loop. Zoals een rivier uitstroomt en haar natuurlijke loop heeft. 

Ons leven stroomt, vanaf het moment van onze geboorte, ongeremd voort. Soms kabbelend, dan weer in stroomversnelling, of bijna stilstaand in een inham, slingerend vanuit de bergen naar lager gelegen gebieden. Samen te komen. Om vervolgens uit te vloeien in die grote oceaan.

Een stroom, die wordt gedragen door de bedding die haar omvat, zoals ook wij ons omvat en gedragen mogen weten. Vaak niet wetend hoe onze loop zal zijn en waar we wanneer uit zullen komen. Of, misschien wel, aan zullen komen.

In het lied van Paul de Leeuw hoorden we hem zingen Ik heb een steen verlegd, in een rivier op aarde. Het water gaat er anders dan voorheen.

Ook hij gebruikt het beeld van de rivier in zijn lied. De mens stelt hij zich voor als een steen die in die rivier ligt, of gelegd wordt.

We weten allemaal hoe wild een rivier kan zijn op bepaalde momenten. Als smeltwater na de winter van de sneeuw of door hevige regenval. Het water kolkt en alles wat erin terecht komt of erin terecht gekomen is moet het ontgelden. 

Net zoals wij het in het leven soms moeten ontgelden en het zwaar te verduren kunnen hebben. Soms denkend dat we overspoeld worden en het niet meer te boven kunnen komen. En voor een moment worden we soms ook overspoeld. Dan kan het gebeuren dat we nabijheid voelen, van anderen, of van een hogere macht.

 

De woorden van Jesaja spreken:Ik heb je bij je naam geroepen, jij bent van mij! Wanneer je oversteekt door het water ben ik bij je, of door rivieren, die zullen je niet overspoelen.

We worden gekend, gekend bij onze naam. De schrijver van Jesaja laat God zeggen Je bent van mij. 

En eigenlijk zegt hij dan; je bent een deel van mij, zo zou je kunnen zeggen. We staan in zijn handen gegrift. En gegrift, gebeiteld, geëtst kan niet meer worden weggehaald, is voor eeuwig. 

We zijn verbonden met God, we zijn verbonden met elkaar. We kunnen ons-zelf niet los zien van God en van elkaar.

Zoals de druppel water niets anders is dan water en enkel voor een moment een druppel is, apart gezien kan worden. Wanneer een druppel water wordt samengevoegd met andere waterdruppels is die ene waterdruppel niet meer terug te vinden. Is, samen met de andere waterdruppels, gewoon water. Zoals een golf die oprijst uit de zee weer terugvalt in de zee, of de oceaan, is de druppel als druppel niet meer terug te vinden. De druppel is teruggekeerd naar daar waar het oorsprong vindt, naar het water.

Zoals de steen in het lied. Ook de steen wordt meegenomen, op de stroom van de rivier en wordt in die rivier glad en rond gesleten. Door de stroom en door dat wat onderweg tegengekomen wordt. Zoals ook wij door alle ervaringen, de blije en de moeilijke, worden geslepen. 

Uiteindelijk rolt die steen de zee in waar deze in de luwte mag rusten.

Doordat die steen in de rivier kwam werd de loop van de rivier veranderd. Het water moest er immers, vanaf het moment dat de steen in de rivier kwam, omheen. Door die ene steen is de stroom een andere weg gegaan. 

De steen geeft, daar waar deze ligt, een eigen betekenis aan de loop van de stroom. Zoals ook de mensen die ons zijn ontvallen van betekenis zijn geweest in het leven. Zoals ook wij betekenis hebben in het leven, in de loop van de geschiedenis, in het leven van de mensen die wij ontmoeten en ontmoet hebben.

Elk mens op eigen en unieke wijze, elk met zijn of haar eigen kwaliteiten.

Op die reis, de reis door de rivier. Op die reis, onze levensreis is er steun. is er bedding. Worden we gedragen. Ik noemde het zojuist.

God belooft, bij monde van de schrijver van jet boek Openbaringen 

Ik zal hem geven van het verborgen manna en ik zal hem een witte steen geven, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan die hem aanneemt!

Manna; we kennen het uit het Bijbelboek Exodus. In het verhaal van de uittocht uit Egypte; Het volk is onderweg door de woestijn en heeft geen eten meer. Er wordt gemord. En dan ligt er, elke ochtend opnieuw, manna, uitgespreid als dauw op de aarde. Daar kan brood van gebakken worden. Het is Israëls voedsel voor in de woestijn. De woestijn die het beeld is van moeilijke en barre tijden.

Er is leeftocht voor een volk onderweg! Er is leeftocht voor elk mens onderweg!

Ook voor ons is er leeftocht voor onderweg, voor op onze levensreis. Brood, voedsel, om werkelijk op te eten, voor ons fysieke lichaam.  En ook geestelijk voedsel, voedsel voor de ziel, kracht om op verder te kunnen gaan. 

Het manna neemt iedereen op andere wijze tot zich, we kunnen er zelf naar op zoek gaan. Door te zoeken naar dat wat ons interesseert en ons tot hulp is, en ook de ervaringen die we hebben onderweg.

Dat wat wij nodig hebben is soms verborgen, verborgen manna, waar wij – ieder van ons op onze eigen wijze – naar op zoek gaan.

Zo worden wij gevoed, daar mogen wij op vertrouwen. Zo kunnen wij ons blijven voeden, tot we aan het eind zijn van onze levensreis.

Een levensreis waarin we van alles hebben moeten overwinnen. In de Griekse oudheid -in de tijd waarin het Bijbelboek werd geschreven- kregen de overwinnaars, aan het eind van de renbaan, een witte steen. Met daarin hun naam gegraveerd.

Wit als teken van onschuld en teken van triomf. Wit, de kleur van de zege. 

Een witte steen, je hebt de eindstreep gehaald!

Onze namen worden genoemd, zoals we vandaag hier de namen van de overledenen hebben genoemd. Zij die zijn opgenomen in die onmetelijk grote zee van zielen. Als pareltjes.

En daar, aan het eind van onze levensreis wordt ons dan een witte steen beloofd, met een nieuwe naam. Een naam die alleen gekend wordt door degene die de steen heeft aangenomen.

Een naam die je wordt gegeven door iemand die, als een geliefde, je neemt zoals je bent. Zonder mitsen en maren. Waar je ongedwongen mag zijn die je bent. Hoe gebutst je ook bent. Waar je je geliefd weet.

Waar je een naam ingefluisterd wordt, zoals een geliefde je een koosnaampje influistert. De Eeuwige fluistert je, als je geliefde, je naam.

Amen