Home » Overweging anders: De innerlijke vrijheid van Etty Hillesum  

Overweging anders: De innerlijke vrijheid van Etty Hillesum  

Inleiding op de eenakter

We kennen allemaal Het Achterhuis, het dagboek van Anne Frank. Het is een meisjesdagboek dat een van de meest gelezen boeken over de Jodenvervolging is geworden. Op de dag van haar dertiende verjaardag, 12 juni 1942, kreeg zij een roodgeruit dagboek van haar ouders cadeau. Vanaf dat moment schreef ze met tussenpozen, haar gedachten en belevenissen er in op. Ze deed alsof ze aan ene Kitty schreef, omdat ze een vriendin miste aan wie ze al haar geheimen kwijt kon.

Er is ook een andere jonge Joodse vrouw die een dagboek bijhield in de oorlog. Etty Hillesum.  Ze was twee keer zo oud als Anne, 27, toen zij vanaf maart 1941 tot haar deportatie naar Auschwitz in september 1943 een dagboek bijhield. 

Etty werd in Middelburg geboren. Haar vader was leraar klassieke talen en werd later rector van het Stedelijk Gymnasium van Deventer. Het gezin heeft daarvoor nog twee jaar in Hilversum gewoond (1914-1916). In 1932 ging Etty rechten studeren in Amsterdam en ook Slavische talen. Het is pas laat, in 1981, uitgegeven onder de titel Het Verstoorde Leven. In juli 1942 kreeg Etty een baan als administratief medewerkster bij de Joodse Raad in Amsterdam, de joodse organisatie die in opdracht van de Duitsers de joodse gemeenschap in Nederland moest besturen. Na enige tijd kwam ze terecht op de afdeling ‘Sociale Verzorging Doortrekkenden’ in Westerbork. Vanwege het werk genoot ze een uitzonderingspositie en mocht ze vrij het doorgangskamp in en uit. In het kamp, dat ze in haar dagboek als “de hel” omschrijft, probeerde ze haar joodse lotgenoten die wachtten op transport naar Polen te helpen. Ze wist dat ze uiteindelijk ook zelf niet gevrijwaard zou zijn van deportatie. Toch besloot ze niet onder te duiken. In juli 1943 verloor ze inderdaad haar uitzonderingspositie en werd hierdoor een gewoon kampbewoonster. Op 7 september 1943 werd zij met haar ouders en haar broer Mischa door de nazi’s gedeporteerd naar concentratiekamp Auschwitz, waar ze op 30 november 1943 op 29-jarige leeftijd omkwam.

In haar dagboek richt Etty zich niet tot een Kitty, een denkbeeldige vriendin, maar tot God. Aan dit Godsvertrouwen is een heel proces voorafgegaan, een proces van vergeestelijking, zoals Etty Hillesum dat zelf noemt en dat wij nu zielewerk zouden kunnen noemen. In haar eerste dagboeken neemt God een bescheiden plaats in. Etty Hillesum noemt zijn naam wel eens; hij is aanwezig, maar op de achtergrond. Er is een soort gêne in me, zegt ze. Waarvoor? Waarschijnlijk voor het kritische, rationele, atheïstische stuk dat er ook in me zit. En toch is er af en toe een grote drang in me neer te knielen, met de handen voor m’n gezicht en op die manier een vrede te vinden en te luisteren naar een verborgen bron in me.’ In de latere dagboeken wordt God een van de belangrijkste personages van haar dagboek: hij wordt diegene aan wie zij schrijft. Haar spirituele groei beschrijft ze als ‘een leven met God en in God en God in mij.’

Etty Hillesum maakt God heel klein en afhankelijk en biedt hem haar bescherming aan. Het is alsof ze zwanger is van God. Ze belooft hem veilig door de moeilijke omstandigheden te loodsen. Hij is háár schepper, zij is zíjn schepper. Als ze God om hulp vraagt, heeft ze het gevoel dat ze iets in zichzelf aanspreekt.

Etty vecht tegen haar eigen slechte instincten, tegen de neiging om de Duitsers te haten. “Dit barbarisme van ons moeten wij innerlijk afwijzen, wij mogen die haat niet aankweken in ons, omdat de wereld dan geen stap verder uit de modder komt.”

Daar heeft ze God bij nodig. Binnenin me zit een hele diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden. 

ds. Peter Korver

Eenakter ETTY HILLESUM zoals uitgevoerd tijdens de viering
bewerking van eenakter van www.sporenvangod.nl

(tekst van een jongerenviering, door m.vonkeman)

Opening: (twee personen staan voor een tafeltje met daarop een glas water, voor de helft gevuld met water)

Verteller 1: Vreemd. Waarom zou iemand hier nu een halfvol glas neerzetten?
Stem: Halfleeg bedoel je.
Verteller 1: jij bent zeker als pessimist geboren.
Stem: (lacht) Je hebt nu eenmaal optimisten en pessimisten.
Verteller 2 (komt erbij staan):  Ik ken een derde soort mens: Etty Hillesum.

(Etty komt op, gaat aan een tafeltje zitten met een schrift en pen in de hand).

Verteller 1:  Het zijn donkere tijden. Het Duitse leger heeft bijna heel Europa bezet. Ook in Nederland worden de Joden systematisch geïsoleerd. Scholen en bedrijven moeten lijsten opstellen van hun joodse leerlingen en werknemers. Dan volgen ontslagen. Winkels, treinen, parken en zelfs fietsen worden voor joden verboden. Daarna beginnen de transporten. In Amsterdam woont Esther Hillesum, door iedereen Etty genoemd. Haar vader was rector van het Stedelijk Gymnasium in Deventer, totdat hij in 1940 vanwege zijn joods-zijn werd ontslagen. Haar moeder is een Russische vrouw die voor de jodenvervolgingen uit Oost-Europa was gevlucht. In 1941 leert Etty Julius Spier kennen met wie zij een liefdesrelatie ontwikkelt. Deze oudere Duitse jood was een leerling van Jung en beroemd als handleeskundige. Door hem leert zij zichzelf kennen en ‘de naam van God uitspreken’, zoals ze zelf zegt. Op zijn aanraden begint ze een dagboek waarin ze de groei van haar innerlijk en haar relatie met God midden in de verschrikkingen van de oorlog beschrijft. Maar de dreiging wordt steeds groter.

Stem: Etty, je moet vluchten. Alles en iedereen wordt vernietigd, de joden worden uitgeroeid. Iemand als jij moet zichzelf in veiligheid stellen, je hebt nog zoveel te geven. Vlucht Etty, vlucht en blijf uit hun klauwen!

Etty: (zittend aan haar tafeltje, alsof ze schrijft)  Het gekke is, ik voel me niet in hun klauwen. Niet als ik blijf en niet als ik weggetransporteerd word. Ik voel me alleen maar in Gods armen, om het eens pathetisch te zeggen. Wat ik allemaal al of niet te geven heb, dat zal ik kunnen geven, waar ik ook ben, hier in een vriendenkringetje of ergens anders in een concentratiekamp.

Stem: Arrestaties, terreur, concentratiekampen, vaders en moeders worden willekeurig weggehaald. Wat is de zin van dit alles? Heeft het überhaupt nog zin?

Etty: Ik voel me een klein slagveld, waar de vragen van deze tijd uitgevochten worden. Die vragen moeten toch een onderdak hebben, een plek vinden waar ze kunnen strijden en tot rust komen, en wij, arme kleine mensen, moeten onze innerlijke ruimte voor ze openstellen en niet weglopen. De enige zekerheid hoe je moet leven en wat je moet doen, kan toch alleen maar opstijgen uit die bronnen die daar in de diepte bij jezelf opborrelen.

Verteller 1: Ze blijft schrijven, ook als zij een jaar later in kamp Westerbork terecht komt. Ze weigert om onder te duiken en wil het lot van haar volk delen. Haar laatste geschrift is een briefkaartje uit 1943 dat zij uit de trein heeft gegooid op weg naar Auschwitz, waar zij met haar familie in november dat jaar is vermoord. Ze is dan 29 jaar. 

Verteller 2: Etty behoort tot een speciaal soort mensen. We noemen ze: mystici. En of ze joods, christelijk, islamitisch of oosters zijn, mystieken zijn herkenbaar aan een soort innerlijk zwaartepunt. Het lijkt wel of het negatieve van het leven van hen afglijdt als regen van een oliejas. Het kwaad heeft geen greep op hen zelfs al worden ze er slachtoffer van.  Ze luisteren niet naar de drang om hun eigen leven in veiligheid te brengen. Alles behalve romantisch worden ze niet gesust door schijnzekerheden, valse troost of misleidende propaganda. Ook in de donkerste nacht blijven ze bewust aanwezig. Jezus was een mysticus en Boeddha en Roemi, en Hadewich en Johannes van het Kruis. En uit onze tijd en ons land: Etty Hillesum.

Etty: Vroeger blikte ik in een chaotische toekomst, omdat ik het moment dat vlak voor mij lag, niet wilde beleven. Ik wilde alles cadeau hebben als een heel verwend kind. Ik had soms het zekere, maar zeer vage gevoel, dat ik ‘iets zou kunnen worden’ in de toekomst, iets ‘geweldigs’ zou kunnen doen. En dan af en toe weer die chaotische angst dat ik ‘toch wel naar de bliksem zou gaan’. Ik begin te begrijpen hoe dat komt. Ik weigerde de vlak voor me liggende taken te doen, ik weigerde van trede tot trede voort te klimmen naar die toekomst.

Verteller 1: Haar geestelijk leidsman Spier leert haar bidden en onbevangen de naam van God uitspreken. Ze is niet religieus opgevoed, maar wel geworteld in de joodse traditie. 

Verteller 2: Gebed wordt steeds belangrijker voor haar. Ze ervaart dat God verbonden is met het diepste in haarzelf. Dat er in haar een innerlijk centrum ligt, een innerlijke ruimte, een eenzaamheid waarin ze zich kan terugtrekken en weer nieuwe krachten op kan doen. Ze trekt de muren van het gebed als een kloostercel om zich heen, schrijft ze. Ze voert een gesprek met God op de blauwe lijntjes van haar dagboek.

Etty: Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je één ding beloven God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen voor de toekomst niet als evenzovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost enige oefening. Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen, God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor instaan. Maar dit ene wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aan komt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook eraan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag ons daar later voor ter verantwoording roepen.

Verteller 1 : Ondertussen wordt de onderdrukking van de joden steeds heviger. Het dagelijks leven zit vol met irritaties en beperkingen, de gele ster doet zijn intrede, de verhalen over de kampen steeds afschrikwekkender. Etty begint het lot van het joodse volk steeds meer als een ‘ schicksal’ , een noodlot te ervaren. Het is een doem die de geschiedenis op dat moment voltrekt, onbegrijpelijk maar ook onafwendbaar. Zij ervaart het als haar persoonlijke weg om dat lot te delen en niet te vluchten of zich te verzetten. Op aandringen van haar broer begint ze te werken bij de Joodse Raad.

Stem: Samenwerken met de Duitsers? Heulen met de vijand? Ben je gek geworden?

Etty: Het is natuurlijk nooit meer goed te maken dat één gedeelte der joden meehelpt om de overgrote rest weg te transporteren. De geschiedenis zal hier later haar oordeel over moeten vellen.

Stem: We moeten ons verzetten, sabotage plegen, we moeten onderduiken, we moeten vechten met deze beesten – gefileerd moeten ze worden allemaal!

Etty: Dit willen mensen niet erkennen: dat men op een gegeven ogenblik niets meer kan doen, alleen nog maar zijn en aanvaarden. En met dat aanvaarden ben ik al heel lang geleden begonnen, maar men mag dat alleen voor zichzelf en niet voor anderen. Daarom is het zo wanhopig moeilijk voor me op het ogenblik hier. Moeder en Mischa willen nog steeds wat doen, de wereld op z’n kop zetten en ik sta daar tegenover volkomen machteloos. Ik kan niets doen, ik heb nooit iets kunnen doen, ik kan alleen maar de dingen op mij nemen en lijden. Daarin ligt mijn kracht en het is een grote kracht. Maar voor mezelf, niet voor anderen.

Verteller 2:  Door het gebed, dat een soort samenspraak is met het diepste in haar, voelt ze zich steeds weer bijeengeraapt, samengebald, niet langer verloren in duizend losse stukjes. Ze leert rusten in God, zoals ze het noemt. 

Etty: Ik zou mijn handen willen vouwen en zeggen: kinderen, ik ben zo gelukkig en dankbaar en ik vind het leven zo mooi en zinrijk. Jawel mooi en zinrijk, terwijl ik hier sta aan het bed van mijn dode vriend, die veel te jong gestorven is en terwijl ik ieder ogenblik gedeporteerd kan worden naar een onbekend gebied. Mijn God, ik ben je zo dankbaar voor alles. Met datgene van de doden, dat eeuwig leeft, zal ik verder leven en datgene in de levenden wat dood is, zal ik weer tot leven wekken en zo zal er niets dan leven zijn, één groot leven, mijn God.

Verteller 1: Maar het onrecht zet haar niet aan tot haat. Hoe meer ellende ze ziet, des te sterker wordt haar bewustzijn van al die onverwachte mooie geschenken van het leven. Iets in de natuur, een bloeiende tak, een blik van een ander mens, alles wat mooi is wordt een kostbaar geschenk dat haar zomaar in de schoot geworpen wordt. Ze voelt zich een bewaarplaats van het goede en begint steeds meer te verlangen om daarvan uit te delen naar anderen. Vanuit kamp Westerbork, waar ze als lid van de Joodse Raad te werk is gesteld, schrijft ze:

Etty: Dikwijls wanneer ik daar rondliep in Westerbork,(-) dacht ik: ach, laat mij maar een stukje ziel van jullie zijn. Laat ik maar de opvangbarak zijn van het betere in jullie, dat er toch zeker in ieder van jullie is. Ik hoef niet zoveel te doen, ik wil er alleen maar zijn.

Verteller 2: Etty geeft zin aan het slachtoffer-zijn door haar lijden te verbinden met die van de hele wereld, haar lijden vertegenwoordigt als het ware een groei-pijn van de hele mensheid. Voor allen die niet meer kunnen vertrouwen, blijft zij vertrouwen. Voor allen die zichzelf verliezen in dit grote lijden, blijft zij haar ziel en die van de ander bewaren. Dat is haar taak en haar roeping en tegelijk ontvangt ze dat alles als geschenk. Ze blijft zich verbinden met zowel slachtoffers als daders en ontstijgt daarmee de misvorming die het kwaad normaal gesproken op slachtoffers heeft. Het is een ultieme vorm van vrijheid.

Etty:  Men kan ons niets doen, men kan ons werkelijk niets doen. Ik vind het leven mooi en voel me vrij. De hemelen binnen in me zijn even wijd uitgespannen als boven me.

Verteller 2: Dat schrijft ze te midden van alle vernederingen die de joden wordt opgelegd. Etty is in staat om op dergelijke manier met het concrete lijden om te gaan omdat ze alle goeds van binnen verankerd heeft. De liefde van Spier en al haar vrienden, het zijn rijkdommen die voorgoed van haar zijn. Het hart waarmee ze bemint is een schat die niemand haar kan afnemen. De bloeiende struiken achter haar huis kunnen door regen kapot geslagen worden, maar bloeien in haar rustig verder. Dat is kenmerkend voor de mystieke weg. Een weg waarin wat uiterlijk wordt beleefd innerlijk wordt opgeslagen. Haar rugzak is innerlijk gevuld, ook al verliest ze uiteindelijk alles, zelfs haar leven.

Etty: De jasmijn achter mijn huis is nu helemaal verwoest door de regen en de stormen der laatste dagen. Maar ergens in mij bloeit die jasmijn ongestoord verder, net zo uitbundig en teder als ze altijd gebloeid heeft/ En ze verspreidt haar geuren rond de woning waar jij huist, mijn God. Je ziet, ik zorg goed voor je. Ik breng je niet alleen mijn tranen en bange vermoedens, ik breng je op deze stormachtige grauwe zondagochtend zelfs geurende jasmijn..

Verteller 2: Etty haalt haar kracht niet uit positief denken. Zij haalt haar kracht uit het volledig leven van de gehele werkelijkheid. Ook als het uiteindelijk haar dood in Auschwitz zal betekenen.

(gaat naar tafel waar het half-volle glas staat en kijkt ernaar. Etty komt bij hem staan)

Etty : De meeste mensen hebben cliché-voorstellingen over dit leven in hun hoofd. Men moet zich innerlijk bevrijden van alles, van iedere bestaande voorstelling, van iedere leuze, van iedere geborgenheid, men moet de moed hebben alles los te laten, iedere norm en ieder conventioneel houvast, men moet de grote sprong in de kosmos durven wagen, en dan, dan is het leven zo eindeloos rijk en overvloeiend, zelfs tot in z’n diepste lijden.

(Verteller 2 pakt het glas)

Verteller roept: halfvol!

Stem roept: halfleeg!

Verteller 2 geeft Etty het glas.
Etty: Lechaim! (en drinkt het glas leeg).