Home » Geen plaats in de herberg – Overdenking op kerstavond

Geen plaats in de herberg – Overdenking op kerstavond

Kijkt u eens naar de afbeelding.
‘Geen plaats in deze herberg’, gebaart de herbergier.
Het is 1941 als Dolf Henkes uit Rotterdam deze tekening maakt.
Het is in de oorlog. De oorlog die dit jaar 75 jaar voorbij is.
Op de ezel zit een jonge Joodse vrouw.
Naast haar een Joodse man.
Maria en Jozef.
Zij zijn op zoek naar een eenvoudige overnachtingsgelegenheid.
Een herberg dus, want iedere vreemdeling heeft ’s nachts een veilige plek nodig om voor het moment geherbergd te zijn, gehuisvest.
Maar nee, er mag dan op het raam Volkshotel geschreven staan, het is kennelijk niet bedoeld voor dit volk…  eigen volk eerst.
En de eigen hond, die mag er bij horen.
Kregen deze verlopen vreemdelingen maar een hondse behandeling.
Een beestenstal met een voerbak, een os en een ezel blijft er over.

De tekening is inmiddels lang geleden gemaakt.
Nu, meer dan 75 jaar later, staan ons nieuwe plaatjes voor ogen.
Daarop staan bootjes met jonge vrouwen, mannen en kinderen op de vlucht. Vreemdelingen.
Zij zijn op zoek naar een veilige, eenvoudige plek om geherbergd te zijn.
Het Volkshotel van toen, heet nu Grand Hotel Europa.
Dat is kennelijk bedoeld voor toeristen, die komen uit rijke landen die komen met vliegtuigen en cruise schepen, maar niet op dobberbootjes.

Het is moeilijk om je voor te stellen hoe het voelt om vluchteling te zijn. Maar door de grote onzekerheid waar wij nu zelf in leven, die van de coronacrisis van het afgelopen jaar, kunnen we een klein beetje beter begrijpen hoe het voelt als alles opeens anders wordt.
Zijn mijn dierbaren nog veilig? Wanneer zie ik ze weer?

Vluchtelingen wereldwijd kennen deze zorgen maar al te goed.
Zij zoeken geborgenheid en warmte.
Huub Oosterhuis schreef over die vreemdeling die aanspoelt en voor wie geen plek in de herberg is maar die een stem blijkt te hebben, waarnaar je kunt luisteren:

Stem van die drenkeling,
van dat stuk wrak hout,
dat een mens blijkt
als hij mij aankijkt.

(Oosterhuis, lied 828)
Het is de drenkeling die ons aankijkt,
dag aan dag, van het ene medium na het andere,
maar we kijken ze lang niet altijd meer aan.
Het zijn dieren van allerlei soort
die ons aankijken, vragend, met grote ogen,
omdat hun welzijn, hun lot in de handen van de mens ligt.
Het is de aarde die kreunt en zucht en om onze compassie vraagt.

En, dichterbij,
het zijn onze buren,
onze ouderen
onze zieken,
onze zorgers,
die ons aankijken en vragen:
houd afstand,
blijf thuis,
vlieg niet weg.

Op een ijsschots zit een ijsbeer. Hij is zijn ijsland kwijt.
Hij zoekt geen warmte, juist niet, maar wel geborgenheid.
Er is geen plek meer voor hem.
De koala, de panda en de gorilla zijn hun wouden kwijt.
Er is warmte genoeg voor hen, maar de geborgenheid van de wouden is aan het verdwijnen. Geen ruimte meer voor hen, want de aarde lijkt alleen een hotel voor mensen te zijn en steeds minder een herberg voor deze dieren.
Ze lijken op gevluchte vreemdelingen.

Mensen en dieren vragen om een veilige plek in die ene herberg die van ons allemaal is, deze wereld, deze aarde. Die herberg kan niet alleen toebehoren aan de bevoorrechten. U en ik, elk mens, elk dier, is gast op deze aarde, voor de duur van een leven. We hebben het te leen van onze kinderen, van degenen die na ons komen. En we kunnen de nieuwe eigenaren geen uitgewoonde, geen onleefbare aarde achterlaten.

Dat besef is niet nieuw. Het was in 1968, een halve eeuw geleden inmiddels, dat twee bijzondere gebeurtenissen de aandacht bepaalden bij onze kwetsbare aarde. In april kwamen vooraanstaande Europese wetenschappers bij elkaar in Rome, om hun bezorgdheid over de toekomst van de wereld voor het voetlicht te brengen. Zij wilden met elkaar de grote wereldproblemen, de bevolkingsgroei, de voedselproductie, de voortgaande industrialisatie, de uitputting natuurlijke hulpbronnen, de vervuiling in kaart brengen. Vanaf dat moment waren ze de Club van Rome. Enkele jaren later resulteerde dat in het rapport Grenzen aan de groei. Vanaf dat moment was ‘het milieu’ een belangrijk thema.

Het jaar eindigde ook spectaculair. Drie Amerikaanse astronauten gingen met de Apollo 8 op weg om op reis te gaan naar een plek die niet ons thuis is, die ons moeilijk kan herbergen. De maan. Een onherbergzame plek, ruim 290.000 km van huis. Zij waren op weg om een nieuwe wereld te ontdekken, maar er gebeurde voornamelijk iets heel anders. Zij ontdekten de aarde.

Op kerstavond hadden zij inmiddels tien keer de maan gerond. En terwijl zij van achter de donkere kant van de maan, the dark side of the moon, tevoorschijn kwamen, zagen zij de opkomende aarde, rising earth. Geen opkomende zon of maan, nee, de aarde.

En wat was zij adembenemend mooi, vergeleken met die grauwe doodse maan, vergeleken met dat donkere heelal. Als een parel, een kleurige stuiter, blauw en groen, betoverde en ontroerde ze. Daar, op dat kleine bolletje, daar zaten we met zijn miljarden op, daar en alleen daar was leven. Er is maar een aarde, meer hebben we niet en daar zijn we met zijn allen afhankelijk van. En omdat het kerstmis was las één van de astronauten de eerste tien regels van de bijbel, van het boek Genesis: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde…’  Ja, met recht was die nacht een stille nacht, een heilige nacht.

We zijn nu 52 jaar verder. De actualiteit van die vlucht van de Apollo 8 en van de Club van Rome beseffen we meer dan ooit. Misschien ziet u ook de documentaires van de bioloog David Attenborough, die je meeneemt de ongerepte natuur in. Hij is inmiddels 94 en van zijn hand verscheen een belangrijk boek dat getiteld is ‘Een leven op onze planeet’.

Hij schrijft: “Misschien wel het belangrijkste inzicht van onze tijd is dat onze planeet klein, eenzaam en kwetsbaar is.”  In elke documentaire van Attenborough komt een sleutelscène voor: het beeld van onze aarde als een blauw-groen glanzende edelsteen, zwevend in het heelal. Dat beeld van kerst 1968.

Attenborough werkte toen in de internationale controlekamer van de BBC in London, waar hij opeens een van de astronauten hoorde zeggen: “Hallo Houston, dit is Apollo 8. We hebben de camera nu rechtstreeks op de aarde gericht.” Achteraf noemde Attenborough dit ‘het belangrijkste inzicht van onze tijd’.

De astronauten maakten de reis om de maan te onderzoeken, maar ze ontdekten de aarde, net als naar schatting één miljard mensen over de hele wereld keken naar die fragiele, gekleurde stuiter in het heelal. Die stuiter moet ons allen herbergen. Laat er ruimte zijn in die herberg voor alles wat leeft en leven wil. Laten we er ruimte maken voor degene die ons die aarde toevertrouwde, de schepper, die zich heeft laten zien in dat kind dat met kerst geboren werd.

Amen.

ds Peter Korver