Home » De drie wijzen

De drie wijzen

Lang geleden leefde er eens een rijk man. Hij had alles waaraan hij maar denken kon en daarom dacht hij ook weinig. Elke dag lag hij op het balkon van zijn huis en keek tevreden omlaag naar wat hij bezat. Hij had een beeldschone vrouw en zij verwachtte haar eerste kind. Op een avond lag hij op zijn rug naar de hemel te kijken toen een bijzonder grote ster hem trof. De rijke man ging rechtop zitten en voor het eerst sinds jaren kreeg hij een nieuwe gedachte. Hij liet zijn wijsgeer roepen en zei tegen hem “Ik heb een nieuwe gedachte, het is deze, niet alles is van mij”. De wijsgeer keek verbaasd om zich heen, want zo ver zijn oog reikte behoorde het land aan de heer. “Domkop”, sprak deze, “kijk omhoog,” want de ster was inmiddels gerezen en stond boven hun hoofd. “Dat is geen ster, zei de wijsgeer, dat is een komeet en kometen brengen geluk”.

“Goed”, nu is mijn vraag “wat is geluk”. “Ik weet alleen” antwoordde de wijsgeer, ”dat u gelukkig bent”. “Dat noemt zich een wijsgeer” sprak de rijke man schamper “en hij weet niet eens dat aan het geluk niets ontbreken mag. De sterren zijn van mij ze staan boven mijn hoofd en ze behoren mij toe, ik kan erop rekenen. Maar een komeet beweegt, morgen behoort hij een ander. Welnu, geluk is volmaakt, ontbreekt er iets aan dan is het geen geluk Ik ben dus niet gelukkig, dat is mijn nieuwe gedachte”. “Haal drie wijsgeren”, sprak de rijke man, “want als mijn zoon geboren wordt moet hij weten dat hij volmaakt gelukkig is”. 

Nu waren er die dag juist drie wijzen in de stad gekomen. “Ik wil helemaal gelukkig zijn” zei de rijke man. Dit was de wijzen bekend. Laat twee van de drie wijzen wachten in de kamer hiernaast de derde blijft.

De rijke man vroeg nu aan de wijze die overbleef: “Hoe kan ik het geluk vinden?” “Door er niet naar te zoeken.”  “Hier heb ik helemaal niets aan,” zei de rijke man, “haal de tweede”. De tweede trad binnen. “Hoe kan ik gelukkig worden?” vroeg de rijke man. “Door niets te verwachten,” antwoordde de wijze. “Zeer diepzinnig,” sprak de rijke man, ”maar daar heb ik niets aan. Ga heen en roep de derde.” De derde kwam binnen. “Wie vindt het geluk?” vroeg de rijke man. “Die het niet nodig heeft” antwoordde de wijze. “Wat ben ik als al mijn wensen vervuld zijn?” “Een man zonder verlangens.” “Is dat geluk?” “Nee, het is de verzadiging”. “Buitengewoon,” sprak de rijke man “en ga nu heen”. En ook de derde wijze boog en ging. De rijke man dacht na over alles wat hij had gehoord. Toen ging hij naar buiten en voor zijn deur vond hij de drie wijzen. Zij zaten op de stoep en hielden linnen zakken wijdgeopend voor zich. De voorbijgangers wierpen er geld in en toen er genoeg in lag om die dag geen honger te hebben stonden zij op en kochten wat dadels. De rijke man keek toe hoe zij aten en zei: “Het is een zachte avond, ik zou graag nog wat bij u zijn”. “Eet dan met ons mee,” antwoordden de wijzen. De man zette zich tussen hen in en deelde hun maal. Er woei een zoele wind en boven zijn hoofd schitterden duizenden sterren. Zij bewogen niet en ook de komeet stond onbeweeglijk. Dit vervulde de rijke man met grote vreugde. “Ik ben nu bijna gelukkig, maar nog niet helemaal, want dadelijk gaat hij weer bewegen. Kunt gij niet hier blijven, dan zou ik het volledig zijn”. De drie wijzen zwegen alsof ze op iets wachtten.

“Ik begrijp u,” vervolgde de rijke man, “ik zal u iets schenken”. “Wij hebben niets nodig,” zeiden de wijzen. Hij klapte in zijn handen en zei tot zijn bediende: “Breng drie geschenken hier, maar het moet iets bijzonders zijn”. De bediende bracht snel drie pakjes en ieder van de wijzen kreeg het zijne. Zij maakten het niet open en toch glansden hun ogen van vreugde. “Omdat ge juist dit gegeven, hebt moogt ge met ons mee, want juist hierop hebben we gewacht,” sprak de oudste van de drie. Het gezicht van de rijke betrok: “Mee?” riep hij, “jullie blijven toch hier!” “Dat kan niet omdat ook wij onder die ster willen zijn. Hij staat nu stil en daarom rusten wij, maar zodra hij beweegt gaan we weer verder. Reis met ons mee”. “Achter een ster aan lopen en huis en hof verlaten,” riep de rijke man. “Dat hebben wij ook gedaan en wij hadden meer dan u,” antwoordde een van de drie. “Nooit”. “Denk na,” sprak de wijze dringend, “Want u wens is bijna vervuld.” Maar de rijke man ging naar binnen en sloeg de deur achter zich in het slot. Voor hij naar bed ging toefde hij nog even voor het raam en keek naar boven. De ster was weg.

“Wat heb je die mensen gegeven?” vroeg hij zijn bediende. De man stond eerbiedig op. “Een klomp goud, een doos wierook en een zeldzame specerij die mirre heet,” antwoordde hij.

Diep beneden in het huis klonk het schreien van een kind. “Wat is dat?” “Een zoon, uw eerstgeborene.”

De rijke man huiverde, want de nacht was koel geworden.

Godfried Bomans (Ingekorte versie)