Het spanningsveld tussen vroedvrouwkunde en moederschap in de Vrijzinnigheid

Afgelopen augustus was ik twee en een halve dag in het Dominicanenklooster te Huissen om daar een reeks van twaalf lezingen van verschillende sprekers te volgen, een ware marathon. Heel inspirerend en dat is natuurlijk ook net de bedoeling, om als voorganger en pastoraal werker geïnspireerd te blijven. Het zijn Bijspijkerdagen voor al dan niet vrijzinnige collega-theologen en pastoraal werkers uit den lande.

Met maar één dag daartussen volgden er twee dagen Bijtanken, het jaarlijks tweedaagse voorgangerconvent van Vrijzinnigen Nederland.

Dagen van studie, nieuwe ideeën opdoen en uitwisseling.

kind-und-kegel-barende-vrouwTwee lezingen raakten aan elkaar; één lezing in Bijspijkeren, waar Kitty Bouwman inging op vroedvrouwkunde en/of geestelijk moederschap vanuit het gedachtegoed van Augustinus zoals beschreven in haar proefschrift. De andere lezing in Bijtanken was van Tjeu van den Berk. Hij ging in op rituelen, symbolen en vroedvrouwkunde. Het waren lezingen die mijzelf raakten waarover ik u graag iets meedeel.

Allereerst iets over symbolen; ik bedoel hiermee geen algemene symbolen, want dat zijn in feite gezamenlijk vastgestelde tekens. Zoals een verkeersbord dat symbool staat voor iets in het verkeer dat al dan niet opgevolgd dient te worden.

Nee, wat ik bedoel is het symbool dat een brug vormt naar de ziel. Van den Berk noemt dan als voorbeeld het doekje of de knuffel van een kind. Het is niet zomaar een doekje of een knuffel, nee, het symboliseert zoveel meer. 

Het is de verbinding tussen het kind en de moeder, de veiligheid, maar ook met zichzelf. Een symbolische werkelijkheid. Deze symbolische werkelijkheid is, zo zegt hij dan, de diepste werkelijkheid van ons bestaan, omdat die raakt aan wat er werkelijk toe doet. Een symbool is een brug die de verbinding legt naar je ziel.

Aan die symbolische werkelijkheid appelleerden de mystagogen ( inwijder in de mysteriën). In de Griekse oudheid heeft Socrates (469-399 v. Chr.) het al over maieutiek, ook wel vroedvrouwkunde.

Wanneer Socrates een vraag krijgt van zijn leerlingen, stelt hij een tegenvraag. Hij gaat er, in het spel van vraag en wedervraag vanuit dat we onze eigen antwoorden moeten vinden door dieper en dieper in onszelf te graven of dat we hulp krijgen bij het in onszelf zoeken naar antwoorden.

Socrates komt dan met het beeld dat iemand zwanger is en dat zij geholpen wordt met baren. Een vroedvrouw komt geen kindje brengen, maar komt helpen het kindje te halen. Saillant detail is, vind ik, dat Socrates moeder daadwerkelijk vroedvrouw was. Zijn vader was beeldhouwer en ook dat vind ik een vorm van baren, de beeldhouwer laat iets wat al in de steen verborgen is geboren worden. Socrates kreeg het vroedvrouwkunde als het ware met de paplepel ingegoten. (Ook weer een leuke woordspeling in het kader van dit thema)

Zowel voor als in de tijd van de eerste Christenen werden er mysteriespelen opgevoerd. Mystagogen gingen ervan uit dat kennis via ervaren moest worden overgedragen. (We vinden dit heden ten dage bijvoorbeeld nog terug bij Vrijmetselaren).  Het ritueel van de doop bijvoorbeeld. Degene die zich al een tijdje in de christengemeenschap bewoog en Christen wilde worden, onderging met Pasen eerst het doopritueel. Deze werd naakt ondergedompeld in een bad, een sterfbad/sterfbed en werd daarna uit het water omhoog gehaald, het water van de moederschoot. Kreeg dan vervolgens een wit kleed omgelegd. Eerst werd dit ervaren, pas daarna kwam er de uitleg; catechesatie.

De ervaring kwam zo in contact met het symbolisch bewustzijn dat in ieder mens besloten ligt.

Nog weer later komt er bij de kerkvaders een omkering op gang. Eerst wordt de doopleerling catechisatie gegeven en pas daarna volgt de doop.

Augustinus heeft het over de kerk als barende moeder, geestelijk moederschap. Augustinus spreekt over de baby brabbelwoordjes influisteren en over dat het voor de moeder fijner is om hapjes fijn te vermalen en die bij haar kindje in de mond te stoppen dan zelf grote happen te nemen.

Hier zit voor mij het spanningsveld; de kerk die haar leden de woorden influistert en het geestelijk voedsel voorkauwt. Als vrijzinnigen komen wij hiertegen toch in opstand, vrijzinnigen denken zelf en laten zich niets voorkauwen!

Tegelijkertijd; van voorgangers mag je verwachten dat ze je iets te vertellen hebben, zij hebben toch niet voor niets een voorgangersfunctie? Zij voeden, als het goed is, de gemeente.

Wanneer we nu de gemeente, waarin wij allen leerling zijn, als een lichaam zien dat voedsel krijgt, zou het de taak van een voorganger kunnen zijn om ervoor te waken dat leerlingen gezond blijven en voedsel gedoseerd aanbieden. De één moet misschien wat minder zout voedsel aangeboden krijgen, de ander is misschien gebaat bij ijzerhoudend voedsel en weer een ander heeft veel dorst en moet gelaafd worden. Er wordt gekeken naar de behoefte van de leerling zelf. Het gaat dan over voeden en niet over voeren.

Voorgangers, en zeker voorgangers in de vrijzinnigheid, kunnen met leden in gesprek zijn over allerlei zaken, oud, nieuw, vertrouwd en onwennig. En beiden kunnen hiervan leren, leren aan elkaar.

Toch, wanneer we het over dit spanningsveld hebben, voel ik mijzelf meer aangetrokken tot het beeld van de vroedvrouw. Meer dan tot het beeld van de voerende en voorkauwende moeder.

Laten wij elkaar helpen dat wat in ons sluimert, dat verlangen waar we zwanger van zijn, geboren te laten worden.

Monika Rietveld