Proefpreek Maaike de Jong 30 juni 2013

Lezingen:
NBV Lucas 15:11-32
‘Mens durf te leven’- Wende Snijders

‘Mens durf te leven’- Wende Snijders

Je leeft maar heel kort, maar een enkele keer
En als je straks anders wilt, kun je niet meer
Mens durf te leven
Vraag niet elke dag van je korte bestaan:
Hoe hebben m’n pa en m’n grootpa gedaan?
Hoe doet er m’n neef en hoe doet er m’n vrind?
En wie weet, hoe of dat nou m’n buurman weer vindt?
En – wat heeft ‘Het Fatsoen’ voorgeschreven?
Mens, durf te leven!
De mensen bepalen de kleur van je das
De vorm van je hoed, en de snit van je jas
En – van je leven
Ze wijzen de paadjes, waarlangs je mag gaan
En roepen ‘o foei!’ als je even blijft staan
Ze kiezen je toekomst en kiezen je werk
Ze zoeken een kroeg voor je uit en een kerk
En wat j’aan de armen moet geven
Mens, is dat leven?

De mensen – ze schrijven je leefregels voor
Ze geven je raad en ze roepen in koor:
Zo moet je leven!
Met die mag je omgaan, maar die is te min
Met die moet je trouwen – al heb je geen zin
En daar moet je wonen, dat eist je fatsoen
En je wordt genegeerd als je ‘t anders zou doen
Alsof je iets ergs had misdreven
Mens, is dat leven?

Het leven is heerlijk, het leven is mooi
Maar – vlieg uit in de lucht en kruip niet in een kooi
Mens, durf te leven
Je kop in de hoogte, je neus in de wind
En lap aan je laars hoe een ander het vindt
Hou een hart vol van warmte en van liefde in je borst
Maar wees op je vierkante meter een Vorst!
Wat je zoekt, kan geen ander je geven
Mens, durf te leven!
Overdenking (n.a.v. NBV Lucas 15:11-32)

“Waar doe je je proefpreek over?”, vroeg een studiegenootje van me vorige week. “Over het verhaal van de verloren zoon”. “He, gut, alweer dat verhaal? Dat vind ik echt een verhaal met een baard!” Een verhaal met een baard… Zoiets als een uitgekauwd, vervelend verhaal.
Ik kan het me wel voorstellen dat ze dat zegt. Het verhaal is zo bekend bij mensen die naar de kerk gaan, dat een eerste reactie kan zijn: dat verhaal ken ik al hoor, daar kun je me niets nieuws meer over vertellen.
Maar waarom is dat zo’n bekend verhaal? Ik denk omdat er zoveel waarheden in zitten, die tijdloos zijn en voor iedereen geldig. Er zitten verschillende lagen in het verhaal, die iedereen herkent en die steeds weer in een ander licht gezet kunnen worden.
In mijn overweging wil ik die gelaagdheid graag verkennen, want ik denk dat in die gelaagdheid ook een opdracht zit voor ons, iets wat we met ons mee kunnen nemen in de week die voor ons ligt.

Laten we eerst eens kijken naar die jongste zoon. Dat is een impulsieve jongen, die doet wat er in hem op komt. Herkent u dat ook? In uzelf of in iemand die u kent?
Hij heeft behoefte los te breken van het alledaagse. Net als wij soms, wil hij uit de ban wil springen, de sleur te doorbreken. Even geen verantwoordelijkheid meer, maar gaan!
De jongste zoon int zijn erfdeel en gaat ervan door. Hij volgt zijn hart en gaat op zoek naar…ja, naar wat?
Waar zijn wij naar op zoek als wij ons laten leiden door onze impulsiviteit? Passie? Spanning?
Wie wil er nou niet af en toe losbreken aan de dagen die hetzelfde lijken? Hup eruit! Dat doet deze jongste zoon. In het lied van Wende Snijders horen we de jongste zoon zingen: “Mens durf te leven, durf het, zoals ik het durf!”
Het lijkt een oproep aan zijn oudere broer, die zo anders in het leven staat als hij. Breek los! Roept hij. Het leven is heerlijk, het leven is mooi! Maar – vlieg uit in de lucht en kruip niet in een kooi.
Maar word je daar echt gelukkig van, vraag ik me af?
Hoe vergaat het de jongste zoon? Hij laat de boel de boel en leidt een losbandig leven. Hoe zou dat eruit kunnen zien, denkt u? Feesten tot de zon op komt? Vrouwen? Drank? Lang leve de lol!

Maar op een gegeven moment is het op. De rek is eruit.
Zijn geld is op, zijn vrienden zijn verdwenen en hij vindt zichzelf terug tussen de varkens, in de modder. Een grotere schande is er niet voor een joodse jongeman; tussen de onreine dieren zonder enig bezit of aanzien. Lager kan hij niet zinken. Van het hoogste hoogtepunt naar het laagste dieptepunt. En op dat dieptepunt komt hij tot inzicht.
Zo vergaat het ons ook wel eens. Van euforie en feeststemming, stuiter je soms omlaag de somberheid of de ontreddering in. Ineens lijkt alles relatief en het kan zijn dat je dan met schaamte terugkijkt op wat achter je ligt. Had ik maar wat meer nagedacht, had ik maar niet zo impulsief gereageerd. Was ik maar niet zo erg die jongste zoon geweest. Was ik maar wat meer die oudste zoon geweest, die zijn verstand gebruikt.

Want dat doet die oudste zoon volop, zijn verstand gebruiken. Hij staat symbool voor onze ratio, ons gezonde verstand en het nemen van je verantwoordelijkheid. Het is ons geweten; het deel van ons dat ons tot de orde roept, ons bewaart voor uitspattingen. Deze jongen doet wat er van hem verwacht wordt. Hij werkt hard, zonder morren en accepteert zijn verantwoordelijkheden. Hij denkt eerst na voor hij wat doet en zorgt ervoor dat hij niet voor verrassingen komt te staan.

Maar ja, word je daar dan wel gelukkig van? Van alleen maar leven vanuit je gezonde verstand zorgt er dan misschien wel voor dat je niet in zeven sloten tegelijk loopt, het kan ook wel saai worden. De mooie kanten van het leven laten zich niet ervaren waar alleen het verstand heerst, emotie en gevoel horen daarbij. Misschien kijk je op een dag terug en heb je steeds gedaan wat er van je verwacht werd, maar wat verwachtte jij van jezelf? Heb je daar wel oog voor gehad?
Het leven gebeurt ook gewoon, dat kan je niet altijd weg rationaliseren. Als je niet ook aandacht geeft aan je emotie, dan ga je ergens aan voorbij. Je menselijke kant, je gevoel, hoort erbij.

De jongste zoon staat dus voor onze impulsiviteit, de oudste zoon voor onze verstandelijke kant.

Daartussen staat de vader, die vader die de balans probeert te vinden tussen deze beide uitersten van broers. Voor beiden voelt hij liefde, ze mogen er beiden zijn. De losbandigheid en de impulsiviteit van de jongste zoon worden geaccepteerd en met mildheid en vergeving tegemoet getreden, en de verharding en jaloezie van de oudste worden begrepen en zacht gemaakt.

Vader probeert te bemiddelen tussen de broers.
Voor de jongste is er onvoorwaardelijke liefde. Zijn vader laat hem niet eens zijn excuses afmaken als hij thuis komt, vergeving te over. Hij loopt hem zelfs tegemoet! Een vader die onvoorwaardelijk van zijn kinderen houdt, van beide kinderen.
Want ook voor de oudste is er onvoorwaardelijke liefde: ‘Alles wat van mij is, is van jou’. En die vader ziet zijn beide kinderen het liefste gelukkig, en bij elkaar.

Valt het u ook op dat die oudste zoon over zijn broer niet praat als over zijn broer, maar tegen zijn vader zegt: ‘die zoon van u’. Daarmee schept hij een grote afstand. De vader reageert liefdevol op zijn oudste zoon en noemt hem ‘mijn kind’.
Hij valt hem niet af, maar toont begrip voor de reactie van zijn oudste zoon en probeert te bemiddelen. Daarin ligt ook de oproep aan ons, om op zoek te gaan naar die ouder in ons. In dit verhaal is het een vader, maar dat kan net zo goed een moeder zijn natuurlijk.

Die ouder, die wijzer is dan zijn kinderen, ziet het liefste dat ze elkaar kunnen accepteren zoals ze zijn. Herkent u deze twee kanten? Benadert u de dingen ook vooral rationeel? Of juist met gevoel? Zou u de kanten ook niet graag meer in balans hebben, meer bij elkaar? Ze mogen er beiden zijn.

De vader in het verhaal roept zijn zoons op: kijk naar je broer, en besef dat je hem ook nodig hebt; het is de andere kant van dezelfde medaille. De vader zorgt voor balans, en in die balans verdienen beide zoons een kant.
Alleen leven op je impulsiviteit en je passie werkt niet, maar alleen leven op je verstand, werkt ook niet.

De vader of moeder in ons wil ook balans tussen het voelen en het verstand. Die balans vraagt mildheid van ons. Mildheid en acceptatie van die beide kanten die een rol spelen in ons leven. En als je mild kunt zijn naar jezelf, kun je dat misschien ook naar anderen.
Tot zover de eerste laag in het verhaal. De tweede laag gaat wat dieper en ik begin weer bij die jongste zoon.

Die jongste zoon gaat er dus vandoor en verlaat zijn ouderlijk huis en zijn familie. Hij laat alles achter zich om zich te storten op een nieuw leven en een nieuwe toekomst. Het gras aan de andere kant lijkt groener voor hem. Door te vertrekken laat hij veel los.

Hij verliest zich in zijn nieuwe leven en verliest daarmee zijn identiteit, althans, zo ervaart hij dat zelf. Wij weten wel beter, want in het verhaal blijft hij ‘jongste zoon’, steeds weer blijft hij een zoon van zijn vader. In zijn dieptepunt legt hij zijn zoonschap af, hij schaamt zich te diep. Hij besluit met een nieuwe identiteit terug te keren naar zijn vader, als werknemer. Zijn vader wordt zijn werkgever, zijn heer.
De jongste zoon laat zijn oude identiteit los, omdat er teveel aan vast kleeft, teveel aan schaamte vanwege zijn gedrag. Het zoonschap past hem niet meer en hij kiest opnieuw.
Hier laat deze zoon zich bepalen door zijn verleden. Maar we zullen zien dat de vader daar niet aan meedoet.

Die oudste zoon kiest voor de veiligheid van zijn eigen huis en haard. Hij zet de familietraditie voort en treedt in de voetsporen van zijn vader, zoals van hem verwacht wordt. Hij werkt hard en is een fatsoenlijk mens met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Hij doet zijn werk. En dat zou iedereen moeten doen, vindt hij. Zijn broertje doet dat niet, die gaat ervandoor en verdwijnt. Hij doet maar, hij zal het nog wel merken.
Hij neemt bewust afstand van zijn broer als deze weer terugkeert. ‘Die zoon van u’, noemt hij hem tegen zijn vader. De schok ook, als die zoon een feest krijgt en niet hij, terwijl hij het toch verdiend heeft? Als je zo redeneert, begrijp ik zijn verbolgenheid wel. Dat klinkt gewoon oneerlijk.
Misschien is die oudste ook wel jaloers op zijn jongere broer, misschien heeft hij er ook wel van gedroomd om de sleur te doorbreken, maar durfde hij niet. En nu heeft zijn broertje het wel gedurfd.

Maar de oudste ziet niet wat er voor zijn neus aan rijkdom ligt: ““Mijn jongen”, zegt zijn vader, “jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou”.
Die oudste heeft zich blind gestaard op zijn werk en heeft de liefde die daaruit sprak niet opgemerkt. Zijn vader was zijn werkgever, zijn heer en mag nu weer vader worden.

Deze vader houdt duidelijk heel veel van zijn beide kinderen. Hij heeft oog voor hen allebei, voor wat ze vertegenwoordigen. Hij accepteert ze allebei zoals ze zijn. De jongste leert hij vergeving; zijn angst terug te keren naar huis blijkt ongegrond. Zijn angst en schaamte over zijn losbandige leven schept een afstand tussen hem en zijn vader, maar daar trekt zijn vader zich helemaal niets van aan. Deze jongste zoon heeft zijn vader onderschat in zijn vermogen om hem te zien en van hem te houden zoals hij is. Bij thuiskomst gaat de vader hem tegemoet, met een overvloed aan vergeving en liefde.
Ook de oudste onderschat hem zeer. Zijn vader leert hem dat hij niet voor zijn liefde hoeft te werken, als een werknemer voor geld. De liefde is er al, de hele tijd. Alles wat van de vader is, is ook van hem. Ook hier gaat de vader weer een zoon van hem tegemoet.

Wat ik zo mooi vind aan dit verhaal, is dat de drie mannen gedurende het hele verhaal niet bij hun naam genoemd worden, maar bij hun familierelatie. Ze raken elkaar kwijt, ze verliezen elkaar uit het oog, ze begrijpen elkaar vaak niet, maar die zoons blijven zoons. Die vader blijft vader.
De verbintenis tussen deze mannen en dat waar zij symbool voor staan, is sterk en van belang. Met elkaar zijn zij in balans, in harmonie.

Dit verhaal is een parabel, die Jezus vertelt aan de Farizeeën en schriftgeleerden, die vinden dat hij verkeerd bezig is, omdat hij met tollenaars eet. De boodschap van Jezus voor zijn critici luidt: barmhartigheid gaat bij God boven een menselijk idee van gerechtigheid en is overvloedig.
Zoals de vader in het verhaal de oudste zoon oproept om een houding van barmhartigheid aan te nemen, zo roept God ons op om eenzelfde houding aan te nemen en zo het Koninkrijk van God zichtbaar te maken.

Laten we dat proberen, zowel voor onszelf als voor de ander. Mijn ervaring is dat het vaak gemakkelijker is om met barmhartigheid naar de ander te kijken dan naar jezelf.

Het verhaal heeft een open einde. Het eindigt met de woorden van de vader die tegen zijn oudste zoon zegt: “We konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’ Maar we horen geen reactie van zijn zoon.
Wat gaat die oudste doen met de uitnodiging van zijn vader om barmhartiger te zijn en de terugkeer van zijn broertje mee te vieren?
Wat zouden wij doen?

Het open einde van het verhaal kan een uitnodiging zijn om verder te gaan met het zoeken naar die balans tussen verstand en gevoel. Die balans in ons eigen innerlijk, door onszelf te accepteren voor wie we zijn, met de onvoorwaardelijke liefde en barmhartigheid die de vader had voor zijn zoons.
De vader leert de jongste dat je leven niet bepaald wordt door de fouten die achter je liggen, dat je een nieuwe kans mag krijgen. Dat mogen wij ook voor onszelf bedenken.
Maar ook in onze omgang met anderen. Wordt het koninkrijk van God steeds niet een beetje meer zichtbaar als we meer barmhartigheid en mildheid scheppen voor onszelf en de ander?

Amen.