Overweging 15 september

VerbindingOpeningsdienst september 2013 

Lezing Lucas 16 : 19-31

Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.

Preek

Eind deze maand verschijnt er een boek met de titel ‘1950-2000. De mooiste jaren van Nederland’. De gedachte ervan is dat er geen enkel tijdperk in onze geschiedenis is geweest dat we het zo goed hadden en zo gelukkig waren als in de tweede helft van de 20e eeuw. En laten wij, zoals we hier zitten, nu juist in die periode het misschien wel belangrijkste deel van ons leven hebben doorgemaakt! Vanaf 1950 was voor Nederland een tijd van ongekende voorspoed. De welvaart groeide razendsnel, velen kregen een eigen auto, het massatoerisme ontstond en de levensverwachting nam spectaculair toe en ook het opleidingsniveau. Het was ook een halve eeuw van bevrijding. Niet meer afhankelijk zijn van je familie, van de kerk, je buurt. In plaats daarvan kwam er individuele vrijheid. Knellende verbanden weken voor tolerantie. Je mag nu leven en samenleven zoals jij dat wil. Alleen wonen, samen wonen, trouwen of niet trouwen, met een man of met een vrouw. Volgens het boek lijdt het dan ook geen twijfel: tussen 1950 en 2000 beleefde ons land zijn mooiste jaren.

Raakt dat nu over? De bomen groeien niet meer tot in de hemel. De economische crisis bepaalt ons erbij dat de enorme welvaart niet vanzelfsprekend is en het leven niet altijd naar onze hand gezet kan worden. Maar ook zien we dat onze gegroeide vrijheid en onafhankelijkheid een keerzijde heeft. Het individualisme. We zijn vrij maar ook erg op onszelf aangewezen geraakt. Heb je hulp nodig? Dan is er een voorziening of een subsidie. Er zijn uitkeringen, er is thuiszorg. Je hoeft niet bij je familie of je buren aan te kloppen. Jonge stellen hoeven niet bij hun ouders in te wonen, ouder geworden ouders niet bij hun kinderen. Die vernedering, die onvrijheid  blijft je bespaard. Als het moeilijk wordt in een relatie hoef je niet bij elkaar te blijven. De financiële onafhankelijkheid garandeert je zelfstandigheid. Er is ook een stukje eenzaamheid voor terug gekomen. Zo komen we op de vraag: hoe verbonden zijn we nog met anderen als we anderen niet meer zo nodig hebben als vroeger? Welke verbinding heeft u met uw partner, uw ouders als ze nog leven, uw kinderen als ze de deur uit zijn, met uw buren en buurt, met de kerk, met het wereldgebeuren? Wist u dat er sinds enkele jaren er een Week tegen de Eenzaamheid bestaat? Die is binnenkort van 26 sept tot 5 oktober. Dat is nodig. De Week tegen Eenzaamheid zet organisaties en mensen aan tot actie. Acties die bedoeld zijn om mensen die zich eenzaam voelen of dreigen dat te worden, te betrekken bij activiteiten en te verbinden met andere mensen en organisaties. ‘Kom Erbij’ is dit jaar het thema. Als tegen jou gezegd wordt ‘Kom erbij’ dan is dat een uitnodiging. Er is een plek voor jou, jij mag meedoen, we vinden het fijn als jij er bent. Zo’n uitnodiging is kostbaar, want de meeste mensen zijn nu eenmaal niet aangelegd op eenzaamheid, maar op tweezaamheid, op meerzaamheid. In verbinding met anderen merk je dat je ertoe doet, dat je leven betekenis heeft, omdat je voor anderen wat betekent.

Geloofsgemeenschappen nodigen uit. Wij hebben hier niet alleen een centrum met cursussen, we willen een gemeenschap zijn. Je komt hier om iets inspirerends te horen, zeker, maar ook voor ontmoeting met anderen. Waarom gaan mensen buiten deze kring  maar uiterst spaarzaam in op die uitnodiging? Het kan zijn dat wat wij samen doen, niet aanspreekt. Kerk, geloven, het is uit en daarom zijn we niet interessant. Maar wat ik ook veel hoor: ik wil mij niet binden, ik wil vrij zijn. Ik word nergens lid van, niet van een kerk, en niet van een politieke partij, en niet van een vakbond.  Verbinden is een stukje vrijheid opgeven. Je gaat verplichtingen aan, je krijgt taakjes die niet geheel verblijvend zijn.

Verbinding is hét thema van religie. Het woord betekent letterlijk verbinding. Juist deze week vieren de Joodse gelovigen Jom Kippoer ofwel de Grote Verzoendag (14 sept). Op de avond van Jom Kipoer is er de Kol Nidree-dienst waarop het Kol Nidree-gebed wordt uitgesproken. In het gebed wordt spijt betuigd over de verkeerde daden die mensen in het voorgaande jaar hebben gedaan, de zonden ten aanzien van de Schepper. Het besef en het bekennen van het eigen falen staat tijdens Jom Kippoer centraal. Het gaat erom dat de verbinding tussen mij en mijn Schepper hersteld wordt, en daarmee de verbinding met mijn medemensen.

Over die verticale en die horizontale verbinding, naar boven, naar God en naar de mensen om mij heen, heeft Jezus een mooi verhaal verteld. Een gelijkenis. Een rijke man is tijdens zijn leven alleen met zichzelf bezig. Zijn aandacht gaat uit naar mooie kleding, naar lekker eten en naar feesten. We horen niet dat hij een geliefde heeft of vrienden. Wel dat hij zich niets aantrekt van een arme, hongerige man, die onder de zweren zit en bij hem op de stoep ligt. Nee, hij leeft niet in verbinding, hooguit in verbinding met zijn buik. Zou hij verbinding hebben met wie hij werkelijk is, met zijn gevoel? Hij sterft, net als iedereen. Tot enige reflectie op het leven dat achter hem ligt komt het niet. Ook nu blijft hij uitsluitend gericht op zichzelf. Hij is het middelpunt van alles: ik lijd pijn, ik heb dorst. Het zijn alleen de primaire, fysieke ervaringen die hem bezighouden. Over verdriet, of spijt horen we niets. Anderen zijn er wel maar ze zijn er alleen om hem  om  gebruikt te worden. Vader Abraham is er om medelijden te hebben en om de bedelaar opdracht te geven hem, rijke man, te dienen. De arme man, die hij nooit heeft willen opmerken, ziet hij nu wel als middel om hem van zijn dorst af te helpen. Ja en dan merkt hij dat het voor hem allemaal niet meer baat. Het verrast ons misschien dat hij nu ineens wel iets van compassie laat blijken. Niet naar de bedelaar, maar naar zijn vijf broers. Hij zou niet willen dat hen hetzelfde lot zou treffen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen. Of is het hem wel echt te doen om zijn broers? Gebruikt hij hen hier om medelijden op te wekken voor zijn eigen lot?  Ja, in dit verhaal wordt ons de hel geschilderd: een leven zonder verbonden te zijn met anderen en misschien nog erger, na je dood blijkt dat je voor niemand iets betekent en niemand bereid is om er voor jou te zijn.

Waarom is het thema van verbinding zo belangrijk? Kort gezegd: omdat een mens niet op eenzaamheid is gebouwd, maar op tweezaamheid. We hebben elkaar nodig. Je kunt je verbeelden dat je voor jezelf kan zorgen en dat je niemand nodig hebt, maar je weet wel beter. Voor je dagelijks voedsel is het nodig dat er anderen zijn die daarvoor zorgen. Als je ziek wordt of oud, dan heb je hulp nodig van anderen. Ieder mens heeft bovendien ten diepste en in de eerste plaats nodig bemind te worden en geborgenheid te krijgen. Zonder een ander verkommer je. De schrijver van het eerste bijbelboek Genesis begreep dat terdege. Hij schrijft dan ook: God, de Eeuwige, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past. Toen riep de mens uit:

‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees.

Een geloofsgemeenschap is ook op verbindingen gebouwd. We zijn niet een volksuniversiteit waar mensen in- en uitlopen voor een lezing of een cursus die alleen dienstbaar zijn voor hun hoogst individuele zelf. We zijn er hier om elkaar te inspireren, te bemoedigen, te troosten en te steunen, dat is de horizontale verbinding en we zijn er om met elkaar te zoeken naar de verticale verbinding, naar wat ons overstijgt, naar die grotere context waarin ons leven staat. Daarom wordt aan ieder van ons een bijdrage gevraagd, niet alleen financieel, maar vooral in tijd, aandacht, inzet en compassie. Soms denkt iemand wel eens dat de voorganger er voor al die dingen is, die wordt ervoor betaald, maar als alleen hij dat zou doen, dan zouden we geen gemeenschap meer zijn, maar een welzijnsinstelling, waar je als klant alleen maar eisen kunt stellen. Aan het begin van het nieuwe seizoen wil ik daarom besluiten met een verhaal dat ons daarover iets voorhoudt.

In een klein dorpje in het Franse bergland stond een oud kerkje. Het was maar een armoedige bedoening. Het was er donker en somber – en er was niet eens verlichting. Geen lampen, geen kroonluchters en geen tl-buizen, helemaal niets. Men had daar echter een eenvoudige oplossing voor gevonden. Iedereen nam ’s zondags een eigen lichtje mee: een stormlamp met een kaars erin of zoiets. En zo was het zelfs op de donkerste winterzondag nog licht in het kerkje.

Tenminste, als er iedereen gekomen was! De simpele lichtvoorziening was wel afhankelijk van de aanwezigheid van kerkgangers. Een halfvolle kerk was ook een halfdonkere kerk. En je moest er niet aan denken, hoe het zou gaan als er maar een enkeling naar de kerk kwam. Dat had als gevolg, dat de mensen elkaar erop aanspraken: ‘We hebben je zondag gemist. Kom je komende week wel weer?’

Zo nu een dan  vroeg iemand zich af of het nu echt niet mogelijk was om electrische verlichting aan te leggen in die kerk. Dat zou toch ook weer niet onbetaalbaar zijn? En er waren ook gemeenteleden die opperden om het anders eens met grote kaarsenkronen te proberen, want dat stond ook nog deftig. Maar de dominee weigerde pertinent om erop in te gaan. Hij vond het een prima systeem. Nu wist iedereen tenminste dat zijn aanwezigheid noodzakelijk was.

Amen.

Peter Korver