Overweging: Vieren met brood en wijn

Het is een groot goed dat de kerk aan haar voorgangers studieverlof geeft, iedere 5 jaar 3 maanden. Een pas op de plaats, bezinning. Maar het is geen vorm van extra vakantie en ook voor al te persoonlijk hobbyisme is het niet bedoeld. Je moet er beter van worden in je werk. Je gemeente moet er wat aan hebben. En daarom maak je eerst een studieplan op en leg je dat voor aan de hoogleraar van het seminarie. Na goedkeuring ga je aan de studie en daar moet ook iets concreets uitkomen. En zo heb ik mij gebogen over de rituele maaltijd, de eucharistie, het avondmaal, de Maaltijd van brood en wijn en is dit boekje het resultaat.

Het omgaan met het heilige is mij van jongs af aan meegegeven. Dat is mijn katholieke opvoeding. De aanwezigheid van een niet zichtbare wereld was vanzelfsprekend. Een hemel waar God woonde en waar wij eens na onze dood zouden arriveren. Het mooiste moest nog komen, of zoals de Engelsen zeggen ‘the best is yet to come’. In het dagelijkse leven was je beschermengel die je behoedde voor het ergste en dan waren er nog de nodige heiligen die je kon aanroepen in allerlei situaties: heilige Antonius, goede vriend, help dat ik mijn horloge weer vind’. Ik was door goede machten trouw en stil omgeven, zoals het  lied op een gedicht van Dietrich Bonhoefer zegt. Maar het dichtst bij het geheim, bij het mysterie werden wij gebracht in de Mis. Wanneer je met de andere kerkgangers naar voren liep, knielde op de communiebank en met gesloten ogen de hostie op je tong gelegd kreeg van de gewijde priester dan was dat het moment dat Christus in je kwam wonen. Dat sterkte je bij alles wat er weer zou komen, het sterkte je om op het goede pad te blijven. Elke zondag gingen we als gezin naar de kerk en elke keer was het ontvangen van het heilig brood het hart van de viering. Maar ook door de week. Vanaf mijn tiende jaar mocht ik misdienaar zijn en regelmatig de pastoor of kapelaan, de parochiepriesters, assisteren bij de vroegmis, nog voordat de school begon. En gefascineerd door dit – mag ik zeggen – heilig theater kwam het verlangen op om zelf ook priester te worden. Er waren tantes van mij die in het klooster woonden en zij ondersteunden deze roeping, zoals dat heet, door mij een doos met liturgisch vaatwerk te schenken en een heus kazuifel, een misgewaad, op kinderformaat. Daarmee kon ik thuis misje spelen, al of niet met broertjes en vriendjes. Spelen met het heilige. Voor vandaag, nu we hier zoeken naar een betekenisvolle invulling van de maaltijd van brood en wijn voor mensen van nu, heb ik willen vertrekken bij waar het voor mij ooit begon. De doos met spullen is onder het stof van bijna een halve eeuw vandaan gehaald. Het liturgische vaatwerk is met koperpoets weer van enige glans voorzien, en dat wat gewassen en gestreken kon worden is gereinigd. Zoals hier de albe, het witte onderkleed van de priester als hij de mis opdraagt. Een koord ofwel een cingel om de middel en een stola daarover en een manipel, een strookvormige doek die aan de linkerarm wordt gedragen. En hier het kazuifel, het mouwloze  opperkleed.

Volgens de rooms-katholieke opvatting worden de hostie op de pateen en de eucharistische wijn in de miskelk geofferd. In het brood en de wijn heb je deel aan het offer van Christus die lichaam en bloed gaf voor de verlossing van de mensheid. Bij de wijding, de consecratie, verandert God door de handeling van de priester het brood van de hostie in het Lichaam van Jezus. Bij de communie deelt hij de andere kleinere hosties aan de gelovigen uit als een symbolische herhaling van het Laatste Avondmaal. De hosties die overblijven worden bewaard in een ciborie, dat is een kelk met een deksel, waarop doorgaans een rechtopstaand kruisje is bevestigd. Dat wordt in een tabernakel geplaatst, een rijk versierde, brandwerende kluis achter het altaar. Dit alles behoorde tot mijn vanzelfsprekende beleving van wat we vanmiddag de viering van de maaltijd van brood en wijn noemen. Totdat ik de middelbare school verliet in 1972 en in Amsterdam geschiedenis ging studeren. De betovering door het mysterie en de geheimzinnige pracht van de eucharistie maakte plaats voor de geest van de sixties, de popmuziek en een kritisch rationalisme. En ik zei: God heeft niet de mens geschapen, maar de mensen hebben God geschapen.

Die periode heeft ongeveer acht jaar geduurd. Ik kwam voor de klas te staan van een kleine protestants-christelijke mavo en werd geacht mee te doen aan dag- en weekopeningen. Het religieus besef kwam terug, maar wel met een afstand tot wat was en tot wat ik aantrof op de school op grondslag van de 3 formulieren van enigheid. Ik zocht nu ruimte voor zelfstandig en kritisch denken, vrijheid van spreken en het nemen van eigen beslissingen als het gaat om ethische vragen. Gelijkwaardigheid van vrouwen, erkenning van andere vormen van samenleven, het homo-huwelijk, verdraagzaamheid naar andere levensbeschouwingen. En zo kwamen de remonstranten in beeld. Een redelijke manier van geloven, vrijzinnig, je hoeft je nooit te schamen omdat ze gekke uitspraken doen of vanwege schandalen.

Maar op één punt schuurde het wél. Het heilige. De mooie, rationele preek, met een vrijzinnige uitleg van oude teksten en een inbedding in de actualiteit, in de filosofie en de cultuur, ja.

De meestal hoogopgeleide kerkgangers willen vooral  iets meenemen uit de preek , iets om over na te denken. Heel cerebraal  dus. Liturgie werd al gauw roomse franje gevonden. Goed, een kaars aansteken bij het begin van de dienst, dat kon dan wel, als het maar geen paaskaars was.

Er zijn geleidelijk aan veranderingen gekomen. De kaars is een paaskaars geworden, en zelfs wordt begrepen waarom met kerstmis een paaskaars wordt aangestoken. Er zijn woorden bij het aansteken en het doven ervan, een kanselkleed geeft kleur aan het jaargetijde, stiltemomenten zijn vast onderdeel van de dienst geworden. We spreken niet meer van diensten, maar van vieringen. Zoals ook elders in de kerk en de maatschappij is er behoefte gekomen aan meer beleving.

Van ouds was de bediening van het avondmaal een van de weinige momenten die een beroep deden op iets voorbij aan het cerebrale. Dan kan je niet met enige afstandelijkheid aanhoren wat er wordt gebracht, dan ben je deel van iets dat met elkaar beleefd wordt. Maar wàt er beleefd werd, dat was me al snel duidelijk, laat zich vooral vangen in het woord ongemakkelijkheid. Dat had te maken met onaangename herinneringen aan de maaltijden in een meer traditioneel of orthodox verleden, met een nadruk op een Christus die zijn lichaam en bloed, zijn leven, offert voor de vergeving van onze zonden. En in vrijzinnige gemeentes was het cerebrale nooit ver weg. De viering werd ingeleid door een verantwoording van het theologische waarom. De ernst heerste duidelijk over de vreugde.  Na afloop was zowel bij de voorganger als de deelnemers vaak de opluchting dat we het weer gehad hadden, als er niet teveel mensen waren thuis gebleven en de vormgeving niet tot vervelende discussies hadden geleid. En zo beperkte het ritueel zich tot Witte Donderdag en een enkele gevallen na het Lima-rapport tot de startzondag of de eerste zondag van de veertigdagentijd of advent.

Maar, opmerkelijk, ondertussen is er daarnaast ook een andere praktijk gegroeid. Leden en vrienden van de plaatselijke geloofsgemeenschap organiseren steeds vaker een maaltijd met elkaar. Een paasontbijt, een adventslunch, een herbergviering, een maaltijd vooraf aan de gesprekskring, een maaltijd samen met buurtbewoners of met de bewoners van het asielzoekerscentrum. Dan wordt er gevierd dat men een gemeenschap vormt. Dan is er geen ongemakkelijkheid, dan maakt de ernst plaats voor vreugde. Het met elkaar aan tafel gaan wordt graag en het liefst ook vaak gedaan. Vanwaar nu dat scherpe verschil in beleving tussen beide typen van maaltijd? Is dat het sacramentele tegenover het seculiere? Is dat het gedenken van Jezus dood tegenover de vreugde van het samen eten en drinken? Ik pleit ervoor de maaltijd een belangrijker plaats in het gemeenteleven te geven, zowel als een gelovige plechtigheid als een min of meer gewone maaltijd waarbij mensen op een vreugdevolle manier bij elkaar gebracht worden. Omdat maaltijden verbinden. Ieder mens immers heeft voedsel nodig, zowel het geestelijke als het fysieke voedsel. Het is de maaltijd die verbindt.  En daar mag een zeker ritueel bij komen.

Mijn boekje begint met op te merken dat mensen elkaar opzoeken omdat zij hun kwetsbaarheid ervaren. Je hebt anderen nodig om te overleven, om antwoorden te vinden op de grote vragen van het leven, om elkaar steun te bieden als het leven moeilijk is, om samen vreugde te ervaren. Dat is de basis van een relatie tussen twee mensen, dat is de basis van elke gemeenschap en zeker van een geloofsgemeenschap. Tussen twee mensen ervaar je dat door samen te lachen, samen te huilen, samen te vrijen en samen te eten. In de geloofsgemeenschap door met elkaar naar verhalen te luisteren, met elkaar rituelen te voltrekken, samen te bidden, samen te zingen, naar elkaar om te zien en samen te eten.  Dat gaat heel goed als je met elkaar aan tafel zit. Je ziet elkaar beter, je hebt eerder contact, je kan aan tafel je verhalen delen, samen dingen maken, plannen maken en samen eten, brood breken en delen en het glas heffen.

Zo kwamen ook de eerste christenen bij elkaar. ‘Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde’. (Handelingen 2) Als huiskamergemeente, zonder kerkgebouwen, zonder priesters of dominees. Ze ontmoeten elkaar aan tafel en aten met elkaar. Tijdens zo’n gewone maaltijd werd ook teruggedacht aan die Jezus van Nazareth en ze lazen brieven voor die Paulus aan hen over hem had geschreven. En ze dachten terug aan die laatste maaltijd van hem met zijn leerlingen en zij braken het brood en deelden het brood zoals hij dat deed.  Ze vormden een tafelgemeenschap, ze waren aan die tafel met elkaar en met Hem.  Er werd echt gegeten, een normale maaltijd en – niet onbelangrijk – ze aten vol vreugde en iedereen was even belangrijk.

Kunnen we daar niet weer naar terug? De tafelgemeenschap. Elkaar ontmoeten aan tafel, samen eten, samen naar verhalen luisteren, elkaar ontmoeten, spreken over dingen die er toe doen, plannen maken om bij te dragen aan een wereld die leefbaar is voor mensen en dieren, ontmoeting met mensen uit de buurt, mensen die andere dingen geloven, asielzoekers. Samen het brood breken en de wijn delen. De ene keer plaatsen we dat nadrukkelijker in het licht van Gods aanwezigheid en in gedachtenis aan Christus, de andere keer, afhankelijk met wie wij aan tafel gaan, laten we dat open. In de Maaltijd die verbindt worden de verschillende mogelijkheden verkend. Dit boekje biedt, hoop ik, aan collega’s en studenten een handig en bondig overzicht van de geschiedenis en de theologie van de Maaltijd van brood en wijn, houdt een pleidooi voor ook andere maaltijden die verbinding geven en reikt voorbeeldteksten aan. Een bezinning is nodig, want de kerkgemeenschappen worden kleiner en de gevolgen van de secularisering, de individualisering en de steeds grotere diversiteit in de samenleving vragen om nieuwe mogelijkheden van ontmoeting en verbinding. Ik hoop dat mijn studieverlof daar een bijdrage aan mag hebben geleverd.

ds. Peter Korver