Overweging: Troosten is een kunst – bevestiging Monika Rietveld 

Everyone fights a battleWe hebben een nieuwe pastoraal werker en Monika is haar naam. Dat is een Latijnse meisjesnaam en betekent letterlijk: ‘vermaner’. Die past niet zo goed bij wat ze gaat doen hier. Ze is een werker, een pastoraal werker. Dat klinkt als iemand die er hard tegenaan moet, het is iets wat veel inspanning vereist en waar je moe van wordt.  Een pastoraal werkster. Dat klinkt als iemand die de vuile boel moet opruimen. Ook dat past niet goed bij wat een vrijzinnig pastor  die niet zozeer vermaant en jouw problemen oplost, maar luistert en een eindje met je mee loopt om je te helpen bij het maken van je eigen keuzes. We hebben in onze geloofsgemeenschap predikanten en een pastor. Zijn dat twee verschillende functies? De een die de geleerde theoloog is, die er is voor doorwrochte preken, voor cursussen en kringen en voor het vergaderwerk, de ander voor ondersteuning, of, zoals frater Venantius, de alter ego van Wim Sonneveld zei, die er is voor de mensen, ‘voor hun ongelukken en hun ongemakken.’  Wat voor specialisme heeft de pastor? Zij of hij is geen psycholoog, geen therapeut, geen maatschappelijk werker, al lijkt het er soms wel op. Kijken we in het rugtasje wat zij bij zich heeft, dan kan je daarin twee kwaliteiten vinden: aandacht en troost. Als zij bij je komt, dan begint ze niet over zichzelf, dan is ze niet gehaast, dan verliest ze zich niet in gebabbel over het weer of de vakantie, maar dan maakt ze ruimte voor jou, voor jouw verhaal, voor wat er werkelijk toe doet in jouw leven. Je kan je verhaal eens kwijt. Je komt op verhaal. Troosten is de andere specialiteit. Dat is steun geven, geestelijke steun als iemand verdriet of pijn heeft. Iets zeggen of doen waardoor iemands verdriet wat minder wordt. De pastor brengt dus iets wat we allemaal op zijn tijd nodig hebben. Een beetje aandacht, gezien worden, een beetje steun voor als we het moeilijk hebben. Niemand blijft zorgen, tegenslag bespaard. Op Facebook hield iemand ons de volgende gedachte voor: ‘Everyone is fighting a battle you know nothing about. Be kind. Always.’ Iedereen heeft het op eigen manier moeilijk met iets, soms met veel in het leven. We hebben allemaal op zijn tijd een ander nodig die met ons meevoelt of zelfs iemand die ons erdoor sleept. De vraag is: heb je daarvoor een professional nodig, zijn we niet allemaal geroepen en in staat om een ander mens aandacht en troost te geven?  Het antwoord is ja. Daarop zijn toch al onze relaties gebaseerd? Je echtgenoot, je partner, je vrienden, je hebt elkaar toch gekozen, ooit, omdat je wat bij ze kwijt kon en omdat je hen wat kon geven? Het lukt je toch ook bij je kinderen als ze klein zijn? Je hebt tijd om met ze spelen, ze aan te moedigen, ze te bevestigen en ze te troosten als ze huilen?

Ja. Maar er is vaak iets wat ertussen komt te staan. En dat is het ik. Jouw ik vraagt om al je aandacht, je voelt dat je zelf veel troost nodig hebt. Dan lukt het niet om al je sores opzij te schuiven en je te verplaatsen in de zorgen van een ander. Dan heb je geen ruimte voor sympathie, letterlijk een mee-voelen, een mee-lijden. Dan kan er goedkope troost uit je mond klinken, dooddoeners om je ervan af te maken, tot niets verplichtende troostprevelementen als ‘ieder mens krijgt kracht naar kruis, je zult het merken’. Behalve dat dat onwaar is – want lang niet iedereen krijgt kracht naar huis, doe je niets. Want als iedereen  toch kracht naar kruis krijgt, dan hoef ik me niet in te spannen om troost te geven. Wat je ook wel te horen kunt krijgen is ‘Je zult zien, je komt hier sterker uit’. Dan ben je ook klaar. Maar de ander voelt zich serieus genomen en kan net als Job ervaren:

‘Dat heb ik meer gehoord,
onzalige troosters zijn jullie!
Komt er geen einde aan die onzin?
Wat een meewarige ijver!
Precies zo zou ik kunnen spreken,
als jullie in mijn plaats zouden staan.

Valt het te begrijpen als iemand even genoeg aan zijn hoofd heeft en het niet kan opbrengen er te zijn voor anderen? Ja, natuurlijk wel, maar het hoeft niet noodzakelijk zo te gaan. Van ouders wordt vaak gevraagd om er helemaal te zijn voor hun kind, ook al gaan ze zelf gebukt onder grote zorgen. En ik ken ook mensen die na een groot verlies, het overlijden van een partner, zich gingen inzetten voor bezoekwerk, om patiënten die hetzelfde aan het doormaken was als je partner te steunen. Door dat te doen hielpen ze zichzelf ook, zo bleek tot hun verrassing.

De pastor doet zijn werk in de voetsporen van hem naar wie het christendom is vernoemd en van wie verteld wordt in het evangelie: Bij het zien van de mensenmenigte werd Hij diep bewogen door hen, omdat ze geplaagd en gebroken waren als schapen zonder herder.  Toen zei Hij tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. En zo wil de pastor een arbeider, een werker zijn, die de eigen zorgen even parkeert en helemaal wordt voor wie een medemens nodig heeft. Dat zouden wij allemaal moeten kunnen. Is er een beter medicijn voor onze ongelukken en ongemakken dan de aandacht die een vriend, maar ook een hulpverlener je geeft? Na een ontmoeting blijf je achter en je voelt je begrepen, gehoord. Het meeleven heeft je hart verwarmd en je bent niet meer eenzaam in je zorgen. Daar kunnen die pillen die je stemming helpen verbeteren, de tabletten die je rustig maken, daar kan de alcohol niet tegenop.

Aandacht geven is luisteren. En luisteren is niet: de ander maar laten praten. Het is actief luisteren, je inleven, de ander teruggeven wat hij heeft gezegd, ingaan op wat de ander vertelt, zonder daar je eigen ervaringen tegenaan te plakken, in de trant van ‘Dat heb ik nou ook’.

En waar komt de troost binnen in de ontmoeting? Wat kan het verdriet kleiner maken, wat kan nieuwe kracht geven? Vaak is dat al zonder woorden, een omhelzing, een hand op de schouder, een meelevende blik. Een aanraking, een gebaar van dichtbij zijn, van kracht doorgeven. Ze geven een gevoel van veiligheid, bescherming. Ouders doen dat bij hun kinderen. Maar soms ook niet omdat ze het niet kunnen of niet voorgeleefd hebben gekregen. Soms ook niet omdat de samenleving zo in de ban is geraakt van misbruik dat elke aanraking van een ander als ongepast kan worden gezien. Artsen, thuishulpen, leraren en ook pastores dienen tegenwoordig een professionele afstand te bewaren. Als daar ook nog eens een strikte beperking in aandachtstijd bij komt, dan ontbreekt er al gauw heel veel. De thuishulp heeft drie zorgminuten om schoon te maken en vooral geen minuut om gewoon een praatje te maken. Het therapeutische gesprek wordt hoe dan ook precies na drie kwartier beëindigd. Aanraking is uit den boze en er komt ook een nota.

De pastor daarentegen zal ook wel eens zijn gevoel meer ruimte geven. Want de mens die hem zoekt wil meer dan een analyticus ontmoeten. Een integer pastor weet daarbij heel goed wat passend is en wat niet. Hij of zij neemt bovendien de tijd en is alleen gericht op het belang van de ander en niet op dat van zichzelf. Hij stuurt naderhand geen rekening. Dat kan want zij is door de geloofsgemeenschap vrij gesteld.

In de ontmoeting is samen stil kunnen zijn van bijzondere waarde. Je kan beter geen adviezen geven, ook al suggereert de naam van onze pastoraal werker dat wel. Omdat je weet dat niet alles met adviezen is op te lossen. Omdat er soms geen woorden zijn voor wat er is gebeurd. En als er woorden van troost mogen klinken dan niet als ‘het komt allemaal wel goed, het heeft tijd nodig’.  Waarachtiger is het om te zeggen: ‘Je zult je mogelijk nog heel lang kwetsbaar voelen en je zal onze hulp nog een tijd heel goed kunnen gebruiken voor je je weer beter en sterker gaat voelen.’ Immers, als je een ernstig trauma of verlies lijdt dan vraagt dat soms wel jaren om dat verwerkt te hebben. Nabestaanden van een ramp, slachtoffers van de oorlog worden helaas een leven lang geconfronteerd met periodes van ontroostbaarheid.  Als je partner is overleden, of je kind, of als je ouders gaan scheiden, als je partner je verlaat, het gaat nooit helemaal over. Het is, zoals ik laatst een collega hoorde zeggen, dat iets wat een open wond was langzaam een litteken wordt. En dat blijft. Met littekens moeten wij allemaal leren leven. Het is mooi als je op een dag kan zeggen: het is zoals het is.

Om jezelf te troosten, om een ander te troosten, is het meestal niet goed om het leed te bagatelliseren. Je moet het onder ogen zien, samen onder ogen zien. Zo is het. Niet weg praten, niet weg drinken, niet weg slikken. De boosheid, het verdriet, de depressie , de boosheid, de schaamte toelaten, verdragen. Zo leer je psychische antilichamen vormen. Want dat is misschien het paradoxale van echte troost: alleen op het diepste punt van het dal is er nog maar één weg, de weg omhoog. Carl Gustav Jung, de beroemde psycholoog zei daarover: Pas als de maan vol is, neemt ze af.’ Daarom denk ik dat we voor troost alleen wat hebben aan anderen die betrokken genoeg zijn om onze diepste pijn te verdragen. Die ons helpen om het uit te houden. Dat zijn er niet veel. Heb je zulke mensen om je heen, wees er vooral zuinig op. Omdat je weet dat je het zelf ook niet gemakkelijk vindt dicht bij het lijden van een ander te blijven.

Nabijheid van een medemens is genezend. En niet alleen voor de vrager van aandacht. Weet u het nog, wat ds Klaas Hendrikse zei? God bestaat niet, God gebeurt. Soms, even, als twee mensen samen zijn en delen in de pijn van het leven.

Amen

ds. Peter Korver