Overweging: Religieuze taal is poëzie

In de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap Hilversum hebben wij in de boekenkring gelezen een boek met de titel ‘Leegte achter de dingen’. Het is geschreven door Claartje de Kruijff. Ze stuitte op de leegte achter de dingen. Dat is een term die ze ontleend heeft aan het dagboek van Etty Hillesum. Die schreef in 1942: ‘Maar toen ik daar zo fietste over de Apollolaan, was er weer dat zoekende, dat ontevredene, het voelen van de leegte achter de dingen, dat niet vervuld zijn van het leven’. Claartje benoemde die leegte als het niet kunnen ervaren van echte verbinding met andere mensen. Ze wilde het anders. Bezig zijn met wat er wezenlijk toe doet. Omdat ze uit een areligieus nest kwam, lag het voor de hand om je dan met filosofie bezig te houden. Maar het werd theologie. Waarom? Ze schrijft: “Ik ben niet zo uitgesproken over mijn  geloof en leef zelf met vragen. Ik hoorde niet meer bij de genen die zeggen dat ze niet geloven, maar bij hen die zich gelovig noemen voelde ik me ook niet thuis. Ik ben op zoeken naar sporen van God, naar sporen van menselijkheid. Ik geloof maar ik weet niets zeker. Hoe zou ik in godsnaam moeten weten dat God bestaat?” En zo ging ze van de eeuwige zoektocht naar de zin van het leven haar beroep maken. Ze werd predikant in de Dominicuskerk in Amsterdam, een oecumenische kerk, waar de rijke zangcultuur van Oosterhuis en Antoine Oomen, de rituelen en een vrijzinnige theologie zo mooi samengaan. Haar leven kreeg nu een gevoelde betekenis, namelijk mensen op weg helpen in hun momenten van vreugde en verdriet. Is haar uitgangspositie niet mooi…. ik geloof, maar weet niets zeker… Of moet je je de vraag stellen dat als je niets zeker weet je dan wel goed toegerust bent om anderen te helpen op hun zoektocht naar God in hun leven? Misschien mag je je afvragen of dominees die het allemaal zeker weten dat wél kunnen. En hoeveel dominees waren er vroeger niet die het allemaal zeker wisten, maar er stiekem vol twijfels zaten, er niet zelf in konden geloven? Voor Claartje werd het: samen op weg gaan, luisteren naar de ander, vragen stellen, samen zoeken naar antwoorden.

Haar boek nu opent met een gedicht. En dat gaat over de rol van de dichter. De Brits-Amerikaanse dichter H.W. Auden schreef het in 1939 bij het overlijden van een andere dichter, de Ier William Butler Yeats. In de regels voorafgaand aan wat we zojuist lazen zegt hij ‘For poetry makes nothing happen’, ofwel, poëzie doet er niet toe, het heeft geen effect, er verandert niks door. Het is een heel beroemde regel geworden.  Heb maar geen pretentie, dichter. Dat moet een gelovig mens, dat moet een theoloog, de predikant die de bijbel gaat uitleggen wel raken. De teksten van de bijbel, gebeden, bestaan ze niet vooral uit poëzie? Goed, in de afgelopen eeuwen hebben kerken en theologen het veelal voorgesteld alsof bijbelteksten verslagen waren van historische gebeurtenissen of een samenhangende uiteenzetting van een leer, maar we weten inmiddels weer dat het geloofsuitingen zijn, verbeeldende taal, poëzie. Ooit was poëzie religie en religie poëzie. Waarom? Omdat het gaat over het onnoembare, het niet zichtbare, over dat wat ons overstijgt, over het absolute, dat wat groter is dan wij ons kunnen voorstellen, dat wat wij God noemen, alsof het om een persoon gaat, maar dat niet is, maar wel een werkelijkheid, iets persoonsachtigs wellicht. Daar kan je niet in concrete feitelijke taal over redeneren. Daar kan je woorden bij stamelen, je kan associaties hebben, daar kan je metaforen voor gebruiken waarmee dat onzegbare voor je gevoel te vergelijken is. En dan kom je in de poëzie terecht. Alleen die is mogelijk in staat woorden te geven zowel aan onze wanhoop als onze hoop, aan zowel onze diepste verdriet als onze grootste vreugde. Auden, die het boek van Claartje Kruijff mag openen, roept de dichter op om te zoeken naar beiden: dichter, ga op jacht naar de bodem van de nacht. Terwijl je in vervoering bent van je ellende, zing van ons falen, van de doem en de dood. Laat vanuit de vloek ook iets moois opbloeien.  Houd ons voor hoe nodig het is om ondanks alles te prijzen en te danken. Laat in de dorre woestijn van ons hart een fontein van fris leven opkomen. Dichters laten zich niet vangen in vaste denksystemen. Zij associëren vrij, geven hun gevoelens en gedachten de ruimte. Daarom vormen ze een gevaar voor ideologieën en dictaturen. De omslag van de liturgie laat dat zien in een druksel van H.N. Werkman. In 1943 moest hij als drukker bij een boekje dat de jarige schrijver Simon Vestdijk zou worden aangeboden van een illustratie voorzien. Dat werd wat u daar ziet, de gevangen dichter, inmiddels een donkere figuur gevonden, die niet meer lopen kan, hij zit vast in tralies. Maar toch verlaten hem, als een kleurige vogel, zijn woorden, die zijn niet vast te houden.  Vestdijk vond het heel geslaagd en schreef: met het kanariepietje naast de dubbelzinnige figuur die op tralies loopt in plaats van op beenen. Dit is als symboliek een vondst.

In de bijbel is veel poëzie te vinden. De psalmen natuurlijk, maar ook andere teksten. Tegenwoordig kan je dat direct zien in nieuwe vertalingen. De regels lopen dan niet door, maar hebben ieder een eigen lengte, met wit ertussen. Dan weet je als lezer: hier wordt niet geschreven wat er precies gebeurd is, hier worden niet feiten genoteerd zoals ze zintuiglijk waarneembaar waren. Hier wordt in de vorm van een verhaal verwezen naar iets dat zich moeilijk anders laat vertellen.

Dat verhaal van Jezus in Marcus 1 : 21-28 is zo’n verhaal. De feitelijkheden die we kunnen vaststellen over zijn leven zijn beperkt en worden buiten de bijbel door geen enkele bron bevestigd. Een rondreizend prediker. Waar is hij geboren? Het evangelie van Marcus, waaruit we vandaag lezen, staat niets over zijn geboorte of over Bethlehem. “In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.”  En Bethlehem dan? Daarover hebben alleen Mattheus en Lucas het. Is dat als verdichtsel? Omdat ze waar wilden hebben dat Jezus degene was die volgens de profeten uit het huis van David, dus uit zijn stad Bethlehem zou komen? En moest daarvoor dat wonderlijke verhaal van de volkstelling geconstrueerd worden, een complete volksverhuizing, zodat Jezus dan toch in Bethlehem geboren kon worden? En die maagdelijke geboorte, een voor ons bizarre literaire constructie om hem goddelijke statuur te geven? Of is het niet zozeer een onwaarschijnlijk verhaal dan wel een groot gedicht om het onzegbare rond deze Jezus, die een grote indruk maakt, die mensen op een directe manier dicht bij God brengt? Een man van gezag, want meteen bij het begin van zijn optreden krijgt hij op sabbat in de synagoge de ruimte om de mensen te onderwijzen. Dat is opmerkelijk voor een jongeman van dertig zonder opleiding. Zijn optreden blijft niet zonder effect. Iemand die bezeten is, er huist in hem een boze geest in hem, voelt zich aangesproken, bedreigd en schreeuwt tegen hem: Wat hebben we met jou te maken, Jezus van Nazaret?  Hij en de boze geest vallen samen. Wij. Hij is letterlijk bezet. Door wat? Een onreine, een boze geest. Zijn dat metaforen voor opgebouwde frustratie, voor opgekropte woede, angsten die zich nooit hebben kunnen uiten? Tegenwoordig zouden we het niet hebben over een onreine geest, maar over psychische problemen, over een verwarde man. Hij schreeuwt het uit: Ben je gekomen om ons te vernietigen? Veroordeel je mij en laat je mij met mijn problemen, mijn demonen, ten onder gaan? Wat had Jezus dan verteld, onderwezen, dat hij zo’n heftige reactie oproept? We lezen dat hij in Galilea het evangelie, het goede nieuws, verkondigde. “De tijd is aangebroken, het Koninkrijk van God is nabij. Kom tot inkeer.”  Gods nieuwe wereld komt eraan. De wereld waar het kwaad niet meer is, waar vrede en recht is. Geen wonder dat alles wat dat in de weg staat, zich uitgedaagd weet. Het boze, het demonische, het gewelddadige, het gebrokene, het onzalige, dat het veld moet ruimen. “Ga uit hem weg,” zegt de aankondiger van de nieuwe wereld. Ze verzetten zich, laten de man stuiptrekken en verlaten hem met een luide schreeuw. Een feitelijke lezing van deze geschiedenis doet ons veronderstellen dat het een raar en onmogelijk wonderverhaal is. Of een geschiedenis van een man die leed aan epilepsie. Maar een zinnebeeldige of poëtische lezing ziet hier hoe het kwaad van deze wereld wordt uitgedaagd door een andere, onzichtbare kracht en macht die haaks op onze wereld staat en daartegen niet langer stand kan houden.  De omstanders lijken nog vast te zitten in een concept van geloven van zekerheden en regels, van de leer waar je aan vast moet houden, want ze zeggen “Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag.”  Maar kwam Jezus een nieuwe leer brengen? Of een nieuwe godsdienst? Was hij de stichter van een christelijke kerk? Hij zei: “Denk niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten af te schaffen. Geen titel en geen jota. Ik ben gekomen om ze tot vervulling te brengen.”

Ja, woorden als wet en afschaffen verwijzen naar harde en concrete afspraken. Jezus komt niet met regels, niet met een leer, maar met dat waar het in Gods wereld om gaat: compassie, liefde, die helend werkt. Hij geeft, in de woorden van de dichter Auden, de heilfontein een start, daar waar ons hart in woestijn verkeert. Daarover kan je theologiseren en preken schrijven, maar je kan het ook slechts willen ervaren, voelen en met je hart zien. De Australische dichter Les Murray stelt: Religies zijn gedichten. Ze verenigen ons daglicht‑ik en onze dromende ziel, ze brengen onze emoties, instinct, adem en aangeboren gebaren bij elkaar in het enige hele denken: poëzie. In de woorden van de Kleine Prins: alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar. Amen

ds. Peter Korver