Overweging Pinksteren 19 mei 2013

Eerste lezing: Johannes 20:19-23 uit de Nieuwe Bijbelvertaling

19 Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Ik wens jullie vrede!’ 20 Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. 21 Nog eens zei Jezus: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ 22 Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. 23 Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’

Tweede lezing: Handelingen 2:1-13 uit de Nieuwe Bijbelvertaling

1 Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. 2 Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4 en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven. 5 In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. 6 Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7 Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8 Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? 9 Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10 Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, 11 Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 12 Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13 Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

Overdenking

We hebben geluisterd naar twee verschillende pinksterverhalen. Beide verhalen riepen bij mij altijd de vraag op: wat moet je er mee? Het eerste verhaal, uit het evangelie van Johannes heb ik altijd een beetje zuur gevonden. Het verhaal is te lezen als een verhaal over een geliefde die sterft, maar terugkeert uit de dood en aan je blijft verschijnen, om te laten weten: ik ben er nog, ik ben niet echt weg. Mijn wezen is nog bij je, mijn geest blijft je omringen. Jezus sterft, maar keert terug bij zijn geliefden, de dood voorbij. En ook na zijn hemelvaart blijft hij aan hen verschijnen. Dat steekt me soms, als ik het lees en misschien is dat voor u ook wel zo. Want in het echt gebeurt het niet, dat een geliefde die is weggevallen, aan ons blijft verschijnen, bij ons blijft.

In het verhaal zitten de leerlingen bij elkaar, met de deur op slot, uit angst. Als volgelingen van Jezus voelen zij zich bedreigd met vervolging. Ik kan me zo voorstellen dat zij met elkaar overleggen hoe het nu verder moet. Jezus is naar de hemel en kan hen geen advies meer geven. Ze missen hem, zijn aanwezigheid, zijn lessen, zijn maniertjes. Als je lang met iemand optrekt, ga je iemands maniertjes herkennen. Die dingen die iemand uniek maken. De zondag na hemelvaart wordt ook wel Wezenzondag genoemd, want de leerlingen zijn als wezen, zonder Jezus in hun midden. Als kinderen die hun vader verloren zijn, voelen zij zich verlaten als wezen. Opgeven willen de leerlingen geen van allen, maar ze zijn ook bang voor de boze buitenwereld. En plotseling, onverwacht maar op het goede moment, is hij daar weer. Nog één keer.

Dat wil je zelf ook als je iemand verliest, daar hebben we allemaal wel een verhaal bij. Nog één keer praten, nog één keer dat rituele kopje koffie drinken bij dat ene cafeetje. Nog één keer die woorden horen, die je zelf al kunt voorspellen. Als dat toch eens mogelijk was. Maar ja, dat gebeurt nooit, hoe graag we dat ook zouden willen. Natuurlijk zien we mensen op straat lopen die op die ander lijken, maar ze zijn het nooit zelf. Er zijn ook films die hierover gaan; een geliefde sterft, maar keert terug uit de dood, op wat voor manier dan ook, om een boodschap door te geven, of om iemand te redden uit een benarde situatie. Een mooi verhaal, waar je met weemoed naar kunt kijken: misschien gebeurt mij dat ook wel een keer.  Of een vlinder zien fladderen, juist op het moment dat je iemand erg mist en aan diegene denkt, dat kan toch een teken lijken dat wil zeggen: ik ben er nog, ik ben niet weg.

 

Wat denkt u? Denkt u dat het waar is, dat er niets achter blijft als iemand weg valt? Mijn ervaring is dat er wel iets blijft, vooral die eerste tijd nadat we iemand verloren zijn. Een herinnering aan mooie momenten, soms ook tastbare zaken zoals foto’s, maar toch ook iemands geest. Je kunt in de geest van die ander iets doen. Je neemt misschien dingetjes over van iemand, kleine bewegingen, gewoontes. Je kunt bepaalde rituelen in stand houden, die je samen deelde. Zo blijft er toch iets van iemand doorleven, waar je troost uit kunt putten en energie om je eigen leven weer op te pakken. Muziek kan ook helpen om diegene die je zo mist, weer even dichtbij te brengen, te ervaren. Het liedje ‘Ren Lenny, ren’ van Acda en de Munnik is daar een voorbeeld van. Waar de naam ‘Lenny’ staat, kunt u uw eigen naam invullen, waar er staat ‘ik’, kunt u de geest van degene die u zo mist invullen. Of u kunt het op het pinksterverhaal toepassen en daar lezen: de geest van God.

Zoek me om je heen als je voelt dat je me mist
Ik weet gerust wat mijn vertrek heeft aangericht
Ik kom wanneer je wilt
Denk maar: ‘mijn vader is de wind’
Ik ben zo licht nu
Ik vind altijd je gezicht

Zoek me om je heen als je boos bent of verdrietig
Of vertellen wilt van wat je hebt beleefd
Ik kom wanneer je wilt
Ik ben je vader toch, de wind
En veel verschilt het niet van hoe snel ik heb geleefd

Als het pannen van de daken waait
Als het gras naar je voeten graait
Als de wind langs je wangen aait
Hier ben ik!

Als de zee je met schuim bezingt
Als het huilen langs huizen klinkt
Als de wind je voorover dwingt
Hier ben ik!

Ren Lenny ren
Als je me mist ren even heel hard met me mee
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin
Ren toch, maar hard tegen me in
Ren Lenny ren

Zoek me in de bomen
Zie de toppen zwaaiend gaan
Ik ben je vader de wind, ik kom er aan!
Zoek me in de havens
En als de boten langzaam dansen gaan
Je vader de wind komt er aan!

Als het graan op de velden wuift
Als het zand over duinen stuift
Als de wind zelfs je fiets verschuift
Hier ben ik!

Als het haar voor je ogen waait
Als je jas om je lichaam draait
Als de wind langs je wangen aait
Weet dat ik je mis!

Ren Lenny ren
Als je me mist ren even heel hard met me mee
Ren Lenny ren
En ben je boos, heb je geen zin
Ren toch, maar hard tegen me in
Ren Lenny ren

In het pinksterverhaal van Johannes verschijnt Jezus verschijnt plotseling, uit het niets en zegt tot tweemaal toe: ‘Ik wens jullie vrede!’ Vrede; shalom. Het woord vrede in de Bijbel betekent: vrede, op alle levensgebieden. Het is ook niet alleen maar een wens, in de zin dat Jezus zijn leerlingen vrede toewenst, hoewel hij dat natuurlijk wel doet, maar die groet is in zichzelf als een opdracht, een soort gebiedende wijs: streef vrede na: wees goed voor elkaar, behandel elkaar eerlijk en rechtvaardig, zoals ik jullie geleerd heb, op elk vlak van je leven. Het is een opdracht van Jezus voor zijn leerlingen. En die opdracht maakt Jezus ook concreet: ‘Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit om shalom te gaan doen’. En dan blaast hij over hen heen. ‘Ontvang de Heilige Geest’, zegt Hij. Met één ademtocht geeft Jezus zijn taak over aan zijn leerlingen. ‘ Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven’, zegt hij, ‘vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Dat is een fiat tot handelen van de belangrijkste man zelf; mijn rechten worden jullie rechten. En daar moeten ze wat mee. Zijn opdracht wordt ook hun opdracht. Hun opdracht is ook onze opdracht. Wees vergevingsgezind, streef shalom na! Een ander vergeven kan de ander bevrijden.

Net als de leerlingen van Jezus, met een nieuwe levensmissie, kunnen we ons laten aanspreken door de opdracht om verder te gaan. Diegene die ons is ontvallen, moeten we missen, maar wij zijn er nog. Wat zou die persoon zeggen als hij of zij zou zien dat doorgaan moeilijk was, een strijd, een zoektocht? Kom op, kin omhoog, borst vooruit en gaan! Dat zouden mijn geliefden zeggen denk ik. Je kunt het wel, je weet best hoe. Leef door! Laten we ons daardoor aanspreken? Pakken we het leven weer op, grijpen we de kans aan om door te gaan? Wellicht kunnen we op den duur zelfs wel weer iets betekenen voor anderen.

In het pinksterverhaal in Handelingen is het niet zo intiem als in het verhaal in Johannes, integendeel. De leerlingen zijn nu ook bij elkaar, maar ze zijn in gezelschap van zo’n 120 andere gelovigen. Ze bidden voor de komst van de Heilige Geest, die door Jezus beloofd werd, vlak voor hij in de hemel werd opgenomen. Met succes, zoals we kunnen lezen: ‘Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3 Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten.’  Daar kan je niet omheen, zoveel kabaal, zoveel drama. Dat moet wel iets met je doen; de leerlingen raakten er in elk geval vol inspiratie van, zoals we kunnen lezen: ’Allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.’

Vlammen die neerdaalden, maar niet brandden, een hevige wind die binnen lijkt te waaien. Dat gaat in tegen alles wat de natuurwetten voorschrijven. En dat moet ook natuurlijk, want wat hier gebeurt is een wonder voor de evangelist. De evangelist Lucas, de schrijver van het boek Handelingen, kijkt terug op een periode; op de ervaringen die de leerlingen hadden met hun leraar Jezus, in zijn leven, dood en opstanding. En hij doet dat zo’n 60 jaar na de

gebeurtenissen zelf. Wat er toen gebeurd is, heeft de leerlingen zo geïnspireerd, dat zij er vol van waren, en in het verhaal komt dat tot uiting. Op die dag dat die wind in het huis waaide en de vlammen neerdaalden, greep hun enthousiasme om zich heen en raakte vele anderen; de eerste gemeente was geboren. Dat kan een ervaring zijn van de heilige Geest; de ervaring van enthousiasme en inspiratie. Je wordt ergens door geraakt.  Enthousiasme is afgeleid van en theos: in God. De leerlingen waren vol van geest, vol van God.

Op hetzelfde moment dat dit verhaal plaats vindt, wordt Sjavoeot, het feest van de eerstelingen. Op het feest van de eerstelingen werden de eerste halmen (eerstelingen) van de gersteoogst worden aan God geofferd en daarom is er veel volk in Jeruzalem, afkomstig uit alle delen van het Romeinse Rijk en daarbuiten. Door al die geluiden van vuur en wind, wordt een grote menigte aangetrokken. We lezen: ‘ Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? ’

Ja, hoe kan dat? Zijn ze dronken? Dat kan bijna niet anders, want zo enthousiast en vol vuur oreren, dat doe je alleen als je dronken bent. Maar Petrus komt met een antwoord en citeert de profeet Joel uit de Heilige Schrift, die dit alles voorzegd heeft en roept de mensen op zich te laten dopen. En dat doen ze

in grote getale: 3000 man geeft gehoor aan Petrus’ oproep.  Een nieuw begin, een nieuwe gemeente. Achter dit getal zit een betekenis verstopt. In de Bijbel staat het getal 3 voor uitbreiding, versterking en vernieuwing. Het geeft een nieuw begin aan. Het gaat hier niet om een daadwerkelijke hoeveelheid, maar om symboliek: een nieuw en sterk begin. En 3000 is dan wel een

ijzersterk nieuw begin. De 3000 bekeerlingen; een nieuw begin, de eerste gemeente. Het einde van een periode, en ook het begin van een nieuw tijdperk. Jezus vertrekt nu echt, maar laat iets achter voor deze nieuwe gemeente, zijn Geest leeft in zijn leerlingen en in deze gemeente voort, en nog. Hun opdracht is ook onze opdracht.

Eigenlijk verschillen de twee verhalen minder van elkaar dan op het eerste gezicht lijkt. De kernwoorden van beide teksten is het Griekse woord pneuma. Een woord met drie betekenissen: wind, adem, geest. Daarin schuilt beweging en schepping, het begin van iets nieuws. De adem die Jezus over zijn leerlingen uitblaast is dezelfde als de wind die in dat andere verhaal door het huis lijkt te waaien en ook dezelfde als de geest, die bij de schepping over het water zweefde en de mens het leven inblies. Scheppende, vernieuwende adem, een wind die nieuw leven in blaast. Zo is het in beide verhalen. In het eerste verhaal blaast Jezus de geest over de leerlingen, in het tweede verhaal wordt een nieuwe gemeente levensadem ingeblazen.

Vernieuwing is ook zeker een term die past bij deze gemeente. U bent al een proces van samenwerking en vernieuwing ingegaan, en straks met een nieuwe predikant gaat dat proces door. Een spannende tijd, waarin u met elkaar

een opdracht deelt. Gelukkig is die opdracht u wel vertrouwd, lijkt mij: het herberg zijn, met ruimte voor ieders unieke manier van geloven, had al en heeft ook in de toekomst hier een belangrijke plek. Een plek waar die wind van vernieuwing, die geest van inspiratie volop kan waaien.

De vernieuwende kant van pinksteren wordt prachtig verwoord in een gedicht van Alfred van Bronswijk, getiteld ‘Geest van opstandigheid’, dat misschien kan inspireren en iets laat zien van die geest die in ons leeft en ons kracht kan geven om die vernieuwing te verwelkomen:

Kom in ons midden,
Geest van opstandigheid,
die ons de moed schenkt
om in te gaan,
tegen alles wat kleineert,
tegen alles wat het uitzicht ontneemt,
tegen alles wat misbruikt en schendt,
tegen alles wat onvrede brengt.

Kom in ons midden,
Geest van opstandigheid,
die ons de kracht geeft

om mee te werken
aan alles wat gerechtigheid bouwt,
aan alles wat tranen droogt,
aan alles wat leven bevordert,
aan alles wat strijdt tegen de dood.

Kom in ons midden,
Geest van opstandigheid,
die ons leert geloven
in alles waarin liefde woont,
in alles wat kloven overbrugt,
in alles wat verzoening brengt,
in alles wat Christus de mensen heeft geboden.

Uit: ‘Vol van Geest’; Alfred C. Bronswijk

Amen.

Maaike de Jong