Overweging ‘Nieuw Liedboek’ 6-10-2013

[ngg_images gallery_ids=”4″ display_type=”photocrati-nextgen_basic_thumbnails”]

Het is nog niet eens zo heel lang geleden dat protestantse kerkdiensten vooral woorddiensten waren. Er werd veel gesproken, uitgelegd en verkondigd. In gebeden werd aan God uitgebreid uiteen gezet hoe het met ons mensen zat. Er waren maar liefst drie lezingen: één uit het Oude Testament, één uit de brieven van Paulus (de Epistel-lezing) en één uit het Nieuwe Testament. Natuurlijk werd de Geloofsbelijdenis gelezen en opgezegd. De preken duurden zo lang dat er een tussenzang nodig werd geacht. In de voorbeden werd de preek nog eens een keer – en niet al te bondig – samengevat. Bij de vrijzinnigen was dat allemaal veel minder, maar dat betekende niet dat het er daar minder verbaal aan toe ging. Kort en goed gezegd: de kern van een dienst bestond uit een goede, erudiete preek. Daar omheen waren er als randversiering nog wat liedjes en een of twee gebeden. Het kerkgebouw illustreerde dat. Een kale ruimte met prominent aanwezig de preekstoel. Die toornde hoog boven de mensen, daar keek je met zijn allen letterlijk naar op. De kerkgangers zagen elkaar alleen op de rug, want allen waren gericht op het Woord, dat van boven, vanaf die kansel op je neerdaalde. Graag werden de verschillen  benadrukt met de katholieke kerken: bij ons geen kleuren, geen geuren, geen beelden, geen symbolen en rituelen. Dit alles hoorde, net als het aansteken van een kaars, tot verdachte roomse superstitiën, bijgelovigheden.  Dit alles met een beroep op het Schriftwoord: Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. Dat is Paulus in de Romeinenbrief, hoofdstuk 10 vers 17. 

Het is niet vreemd dat uit de calvinistische cultuur van preken en bijbellezen goede sprekers, cabaretiers en schrijvers zijn voortgekomen. Freek de Jonge, Seth Gaaikema, en Annie M.G. Schmidt zijn domineeskinderen, Jan Wolkers, Jan Siebelink en Maarten ’t Hart komen uit streng-gereformeerde gezinnen. Met muziek, literatuur en kunst heeft deze cultuur weinig op. De bijbel als boek en de psalmen als muziek, mits onberijmd en op hele noten gezongen, was hen genoeg.

Vrijzinnigen hadden veelal een grotere bagage dan alleen de bijbel en die psalmen. Voor hen speelden literatuur, filosofie, klassieke muziek, poëzie een voorname rol, maar dat was toch meer iets voor thuis. Het was wel mooi als de dominee in zijn preek verbindingen wist te leggen tussen het geloof en de cultuur.

De reformatie heeft in de 16e eeuw flink de bezem gehaald door de kerken en de diensten totdat er uiteindelijk alleen een kale woorddienst overbleef. Op één ding na: het zingen. Natuurlijk, er mochten alleen woorden uit de bijbel worden gezongen, het liedboek dat in de bijbel staat, de psalmen. Deze mochten letterlijk nagezongen worden, zonder berijming dus, op hele noten, zodat het niet te frivool werd en zonder begeleiding van een muziekinstrument. In de calvinistische kerk stond aanvankelijk zelfs geen orgel.

De Lutheranen zijn hebben met de reformatie gelukkig veel meer aan cultuur bewaard. Zij deden alleen weg wat ze als echt verwording beschouwden, terwijl calvinisten alles weggooiden behalve dat ene, de bijbel. Zo hebben Luther en zijn volgelingen ervoor gezorgd dat in het protestantisme de rijkdom van de liturgie en de kerkmuziek bewaard bleef. Binnen het Lutheranisme kon Johann Sebastian Bach bloeien en ook de liedcultuur. Het is een van de verrijkingen van de fusie in 2004, toen hervormden, gereformeerden en lutheranen één kerk gingen vormen, de PKN, dat daarmee de rijke erfenis van de lutherse traditie meekwam. De vruchten daarvan worden geplukt in het nieuwe liedboek.

Eerder al had een afvallige calvinist als Maarten ’t Hart de rijkdom van de muziek ontdekt. Hij schrijft:

“Ik was een jaar of acht toen ik bij een vriendje thuis voor het eerst een pianobewerking van Wohl mir das ich Jesum habe hoorde. Grootgebracht als ik was op een karig dieet van hondervijftig psalmen en negenentwintig gezangen, was dat een ongelofelijk ingrijpende ervaring. Ik kon me niet voorstellen dat er nog andere muziekstukken bestonden die zo mooi waren. Nu speelt hij ondanks zijn ongeloof graag Bach op een kerkorgel.

“Het is heel rustige muziek. Heel goed gecomponeerd. Ik word er altijd zeer happy van. Eigenlijk kun je van Bach niets spelen waar je ongelukkig van wordt, want zijn muziek is nooit depressief of echt somber, zoals bij Mahler of Sjostakovitsj. Dat orgel spelen is heerlijk! Vooral ’s avonds laat, met een klein lampje aan in zo’n donkere kerk. Of op een novembermiddag als het al begint te schemeren. Zo stel ik me ook de hemel voor; een kerk waar je in alle eeuwigheid rustig Bach kunt spelen.”  Ik zoek die momenten op een orgel bewust op. Dan trek ik me even terug van het woeden der gehele wereld, zal ik maar zeggen. Helemaal bevrijd van alles. Ik geloof niet dat er iets is dat me meer voldoening geeft dan dat. Het gevoel volkomen genoeg te hebben aan jezelf. Niets in de wereld dan dit alleen. “Een volstrekt rustige en vanzelfsprekende eenzaamheid waarin je je helemaal gelukkig voelt. Dichterbij jezelf, dichterbij je eigen kern. Ja, misschien ook wel dichterbij God…”

Ik citeer hier Maarten ’t Hart omdat hij laat zien dat ook bij heel calvinistisch opgevoede lieden zoals hij en ook heel rationele, intellectuele, zoals hij, aangesproken, geraakt kunnen worden door muziek en lied en ze verbinding geeft met dat wat groter is dan al het andere en dus religieus is.

Waarop gaat het kerklied terug?  De eerste keer waar een lied genoemd wordt is in Exodus, bij de spectaculaire redding uit Egypte werd er een spontaan en vreugdevol lied van verlossing ingezet:

Exodus 15:1-2
Toen zong Mozes, samen met de Israëlieten, dit lied ter ere van de Eeuwige:
‘Ik wil zingen voor de Eeuwige,
zijn macht en majesteit zijn groot!
Paarden en ruiters wierp hij in zee.
De Eeuwige is mijn sterkte, hij is mijn beschermer,
de Eeuwige kwam mij te hulp.
Hij is mijn God, hem wil ik eren,
de God van mijn ouders, hem loof en prijs ik.

Dit lied is waarschijnlijk het oudste bewaard gebleven lied van de wereld.
Sinds dit moment heeft het lied een belangrijke plaats in de bijeenkomsten van de Israëlieten. In de bijbel zijn vele van deze liederen opgetekend. Het hoogtepunt vind je bij David. In de Psalmen vind je liederen van David en anderen. Wat daarin opvalt, is dat heel regelmatig de oproep klinkt om een lied voor God te zingen.

Psalmen 47:7  God is koning van heel de aarde.
Zing een feestelijk lied.

Psalmen 69:30  De naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.

In de vroeg-christelijke gemeente spoort de apostel Paulus de gelovigen aan zich niet vol te laten lopen met drank, maar zich te laten vullen met de Geest. ‘Zing daarom vooral met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft’ (Ef. 5:10). Overigens werd het enthousiasme van Paulus voor het zingen niet door alle vooraanstaande kerkleiders gedeeld. Het probleem zat dan niet bij de liedteksten als wel bij de melodieën. Vooral in de vierde eeuw signaleerden sommigen het gevaar dat de esthetische schoonheid de religieuze betekenis kon ondermijnen. Het zingen in de liturgie kon zo meer het schoonheidsgenot dienen dan de eer van God en de opbouw van het geloof.  Denken wij daar ook nog zo over? Geloven we niet dat ook in het esthetische , in het schone God te vinden is? Wie luistert naar Mozart of kijkt naar de schilderijen van Chagall of Rembrandt – en dan niet alleen naar hun bijbelse voorstellingen – ervaart toch iets van het goddelijke. In deze tijd van snelle en vluchtige informatie, van beeldcultuur, van de computerschermen, de televisies, zijn mensen gewend geraakt te worden met al hun zintuigen. Met hun ogen om te lezen, zeker, maar ook om schoonheid te zien, met hun oren, om muziek te horen, met hun neus, om te ruiken, zoals wierook, met hun hart om door symbolen en rituelen in aanraking gebracht te worden met het onnoembare.  Maar zeker ook is en blijft het samen zingen wezenlijk.

Waarom is zingen zo belangrijk?

–  Woorden en muziek versterken elkaar, ze brengen hart en hoofd samen om met heel ons wezen onszelf te kunnen uiten.
–      Muziek vertolkt emoties. Dit kunnen alle soorten emoties zijn. Er kan uitbundige vrolijkheid zijn, zoals in dat lied 92a: Wat zo geweldig is: om U te danken en om uw naam te mogen zingen. U laat ons vrolijk juichen over alles op aarde. En dan: Het mooist is met gitaren, met trompet, klarinet en saxofoon, met toeters, bellen en banjo’s. Valt het u op: het orgel wordt helemaal niet genoemd!  Er kan diepe wanhoop zijn, zoals je deze ook in de Psalmen terugvindt. Daar hebben we vandaag in deze dienst even geen ruimte voor, maar er zijn liederen die juist dan steunen.
–    Zingen kunnen we samen doen. Het brengt gemeenschapszin en eensgezindheid. Daarom moeten we ook zoeken naar de juiste mix van liederen zodat iedereen zich erbij betrokken voelt.
–      Zingen is in actie komen, het gaat verder dat het aanhoren, het is uiting geven aan wat je raakt en het betrekt je fysieke wezen erbij.
–    Een goed lied blijft hangen, het zet zich vast in je ziel en beïnvloed het denken en gevoel. Wie overvallen is door dementie weet vaak nog de liederen uit de jeugd mee te zingen, zo diep liggen liederen in ons geheugen.

Als VGH zijn we gezegend met de liedboeken die we hebben en met het eigen Kapelkoor. We zijn een zingende gemeenschap. Waar zingen mensen tegenwoordig nog met elkaar? Thuis? Misschien nog een lang-zal-die-leven. Maar verder? Met kerst? Of ook niet meer? Er wordt nog gezongen in het voetbalstadion en in de kerk.

Ik hoop dat we bij het zingen van lied 92a, met die geweldige tekst van Karel Eykman, goed de woorden binnen hebben laten komen: wij zingen samen / het kan ook goed met dansen, met geklap in je handen, applaus voor God / stamp stevig hard met je voeten. God zal het prachtig vinden!

Moge het zo worden in onze VGH! Moge het zo zijn!

Peter Korver