Home » Overweging: Naaste zijn

Overweging: Naaste zijn

Vorige week leidde Peter Korver de Viering en stond de tekst Een vaste burcht is onze God centraal. Peter vertelde dat die vaste burcht vergeleken kan worden met een God die ons veiligheid en bescherming biedt.

Die veiligheid en bescherming van God kunnen we in de praktijk ervaren in de nabijheid van onze medemens, de nabijheid van een naaste.

Meestal, wanneer we het hebben over naaste zijn dan plaatsen wij onszelf bijna als automatisch in de superieure rol, de rol van de helper, de rol van degene die wat te bieden heeft. De ander, de naaste, is dan degene die de rol heeft van ontvanger, degene die geholpen moet worden.

Zo gaat ook in het verhaal van de Barmhartige Samaritaan; Er wordt aan Jezus gevraagd Wie is mijn naaste? En Jezus antwoordt, zoals zo vaak, met een verhaal, een gelijkenis. Met de bedoeling dat we daarover wordt doorgedacht, wordt nagedacht. Niet alleen door de vragensteller in die tijd, ook door ons, als lezer in deze tijd.
We zien in het verhaal van de Barmhartige Samaritaan een aantal rollen verdeeld; het slachtoffer, de daders, de wegkijkers, en de helpers.
Het slachtoffer is de overvallen man. De rovers zijn de daders. Maar eigenlijk hebben zowel het slachtoffer als de daders slechts een bijrol.
Het gaat uiteindelijk om de andere drie rollen.

Jezus eindigt het verhaal met een tegenvraag Wie van de drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?

We zien de Barmhartige Samaritaan. Willen wij niet allemaal zijn als de Barmhartige Samaritaan? Dat is toch de voorbeeldfiguur voor ons, wanneer we dit verhaal horen.
We veroordelen diep in onszelf, of misschien zelfs hardop, de priester en de leviet. Zij lopen immers met een grote boog om het slachtoffer heen.
Toch vertelt Jezus dit verhaal niet enkel om te laten zien wat de juiste wijze van handelen is denk ik. Het is een verhaal dat ons onszelf spiegelt. Jezus laat ons met dit verhaal zien dat wij, elk van ons, alle rollen die in dit verhaal voorkomen soms bekleden.

Wij zijn als de rover en maken allemaal, elk op onze tijd weleens iemand tot slachtoffer, al dan niet bewust. Ieder van ons kwetst weleens een ander of bejegent de ander soms onjuist. We draaien een verhaal soms zo dat wij er zelf beter uitspringen dan de ander.
Dan zijn wij als de roverfiguren in het verhaal.
We kunnen dan van ons slachtoffer wegvluchten, net als de rovers, of ervoor kiezen een en ander recht te zetten.

Dan zijn daar die twee andere figuren; de priester en de leviet. De mensen die dienst doen in de tempel. Twee mensen die een voorbeeldfunctie hebben in het tempelwerk,  in de maatschappij. Zij verkondigen het woord van God, zij leggen Gods woorden uit.
En juist deze twee mannen, die wellicht juist uit de tempel terugkeerden, lopen met een grote boog om de gewonde man heen.
Wij kennen zulke mensen ook; die grote woorden spreken en er niet naar handelen. Mensen vooraan in de kerk, dominees, priesters uit de RK kerk, de misbruikschandalen en het zich verrijken ten koste van mensen die van hen afhankelijk zijn. Niet voor niets hebben zo velen zich van de kerk afgewend.

Moeten wij ons dan ook met deze twee figuren, de priester en de leviet, identificeren? Daar sluiten wij eigenlijk liever onze ogen voor. We lopen, net als de priester en de leviet, liever met een boog om die duistere kant van onszelf heen. Maar laten we onder ogen zien dat wij allen die duistere kant ook in ons hebben. 

We lopen op onze tijd met een grote boog heen om de daklozen, om de vluchtelingen, om de klimaatcrisis, om ons koloniale verleden, om degene die steeds opnieuw hetzelfde verhaal vertelt of om de buurman of buurvrouw die eenzaam is. We lopen allemaal op z’n tijd met een boog om die kwetsbare mens heen.
Wanneer we onze eigen duistere kant durven zien, wanneer we licht werpen op dat duister, dan kan het duister verdwijnen.
Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat we alle problemen die er in de wereld kunnen oplossen. 

Maar laten we ons er alsjeblieft van bewust zijn dat we allemaal die priester en die leviet in ons meedragen. In dat bewustwordingsproces kunnen we kleine stapjes zetten om onszelf te veranderen ten opzichte van de problemen om ons heen, groot of klein.

Veel makkelijker is het om ons te identificeren met de Barmhartige Samaritaan. Wij willen, meestal, graag de helper zijn. Degene zijn die er is voor de ander. Velen van ons zijn helpers. Want is geven niet veel makkelijker dan te ontvangen?
De Samaritaan is degene die eigenlijk niet helemaal perfect is, zoals de priester en de leviet dit wel zijn. Of in ieder geval zouden moeten zijn.
De Samaritaan behoort niet tot het Joodse volk en van hem wordt niets verwacht. Net als wij niet perfect.
Toch is het de Barmhartige Samaritaan degene die wordt bewogen door mededogen. Hij wordt geraakt door de andere mens, de mens in nood.

Maar, er gebeurt hier iets wonderlijks. De vragensteller vraagt Wie is mijn naaste? En Jezus, aan het eind van het verhaal, vraagt aan de vragensteller Wie van de drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?

Er vindt hier een omkering plaats.
Het is niet de overvallen man die door Jezus de naaste genoemd wordt, het is juist de helper die de naaste geworden is.

Het zien van de gekwetste ander kan mededogen in ons oproepen en zo kunnen wij naaste worden. Dan kunnen de barmhartigheid betonen als onze barmhartige God. Kunnen wij veilige burcht zijn.
Dan gaat het er misschien ook over om het lef te hebben een ander de kans te geven om onze naaste te laten zijn. Want, althans de meesten van ons, we vinden het lastig om hulp te vragen.

Ik ben zelf ook iemand van het zelf doen. Ik vind het lastig om anderen om hulp te vragen. Vorig jaar rond deze tijd verhuisde ik. Van een royale eengezinswoning met 5 slaapkamers naar een veel kleiner huis, met twee slaapkamers. En ja, heel veel moest ik toen zelf doen. Alles moest natuurlijk door mijn eigen handen om óf weg te doen naar bijvoorbeeld de kringloopwinkel, óf om uit te laten zoeken door mijn kinderen of er iets bij zat wat zij wilden hebben, óf om in te pakken.
Veel regelwerk met aannemer, schilder en verhuizer en afspraken met de nutsbedrijven. 

Er waren veel mensen die mij hulp boden. En waar ik heel lang niet wist wat ik hen kon laten doen ontstond er langzaam het idee iedereen te vragen om te doen waar hij of zij goed in is. Er waren vriendinnen die kwamen schoonmaken, mijn zus en  vrienden maakten een eerste gang door de tuin om onkruid te verwijderen. Ja, het was enorm dichtbegroeid dus dat was nodig. Een neef kwam lampen ophangen en kasten in elkaar zetten en mijn zwager kwam met zijn boormachine om gaten te boren waar ik die nodig had om dingen op te hangen en de TV aan te sluiten. Paul D. kwam mijn PC aansluiten en Marijke de G. en Annie S. kwamen op de dag van de verhuizing een maaltijd brengen voor de werkers. Mijn vader schilderde mijn naam op mijn huis en mijn moeder maakte de gordijnen korter. Ik realiseerde mij op een bepaald moment dat ik mensen hiermee ook de kans gaf er voor mij te zijn. Om naast mij te staan, om mijn naasten te zijn.
Zij vonden het fijn om mij te helpen, zoals ik het ook fijn vind anderen te helpen.
Het was een bijzondere gewaarwording.

Naaste zijn is, goed beschouwd, een spiegeling en moet gelijkwaardig zijn. De ene keer geef je en de andere keer ontvang je.
Wanneer u het plaatje aan de voorkant van de liturgie bekijkt ziet u dat de gever eigenlijk zichzelf geeft en dat de bedelaar aan zichzelf vraagt.
Het is als het zien van jezelf in de ander.

Vragen. Het gaat ons niet altijd makkelijk af. Er is nog een ander aspect van vragen. Vragen om te leren van de ander. Wij vinden het normaal wanneer kinderen hulp vragen, aan ouders en aan leraren. Als volwassene wordt vragen al lastiger.
Ouders en leraren hebben een voorbeeldfunctie. Kinderen volgen hun voorbeeld, volgen hen na. Volwassenen zoeken het vaak liever zelf uit.

Dat brengt mij bij een derde aspect van naaste zijn; leerlingschap. Het tweede Bijbelgedeelte dat we lazen gaat over dit aspect. Jezus vraagt als leraar een aantal mannen hem te volgen, waar zonder aarzeling gehoor aan word gegeven. Ze volgden Jezus na. Ze worden zijn discipelen, zijn leerlingen.

In het oosten is het ook nu nog gebruikelijk, het zoeken van een leraar. Het navolgen van een leraar. Discipel zijn, leerling worden, naast de leraar zijn. Of, zoals ook weleens wordt gezegd Zitten aan de voeten van de meester. Leerling en leraar zijn elkaar tot naaste in die bijzondere band die tussen hen ontstaat.
De Bijbelverhalen in zowel het Eerste Testament als in het Tweede Testament noemen ons namen van leraren die om hulp gevraagd kon en misschien nog wel kan worden. Leraren waar wij naast mogen gaan, die wij kunnen navolgen. Zij zijn als een vingerwijzing naar God die onze hulp, onze naaste, onze burcht wil zijn. In het Eerste Testament zijn het de profeten vanaf Adam die verwijzen naar God. Voor velen is God, of het Godsbegrip, moeilijk te bevatten en te ver weg. 

In het Tweede Testament staat Jezus bijvoorbeeld veel dichterbij ons menselijk bevattingsvermogen. Omdat hij mens was zoals wij mens zijn. Veel mensen kunnen en willen hem als hun leraar navolgen, hij is hun voorbeeld, en op deze wijze middelaar op de weg naar God.

Zo kunnen wij ook discipel zijn. In het woord discipel zit ook het woord discipline. Kunnen wij de discipline opbrengen om de goede weg te bewandelen? Om mensen als Jezus, om leraren – misschien zelfs hedendaagse leraren – na te volgen? 

Wanneer we deze wijze mensen navolgen kunnen we niet meer met een boog om de ander die ongemakkelijk voelt heen lopen en zijn wij er als barmhartige naaste, als beschermende burcht voor elkaar.

Amen

Monika Rietveld