Overweging 24 maart 2013

Het kleine meisje hoop

door Evelijne Swinkels
“Waar Pasen wordt gevierd
is dood voorbijgegaan.
Daar wortelt weer de hoop
in ‘t menselijk bestaan.”
Zo luidt een couplet een bekend Paaslied.

Pasen zegt dit lied is het feest dat viert dat de dood is overwonnen. Het feest van verlangen naar nieuw leven en daarmee het feest van de hoop. Hoop op een nieuw begin, nieuwe kansen, nieuw leven. Een feest met eieren en crocusjes die dat nieuwe leven symboliseren.

Maar hoe kun je nou nog hopen als er zoveel ellende is, zult u zich misschien afvragen.
Is er in ons leven en in onze tijd vaak niet meer reden tot wanhoop? Wanhoop door terrorisme en oorlog, door de steeds groter wordende kloof tussen armoede en rijkdom,door de economische recessie, door verlies van dierbaren of gezondheid….
Vandaag, gemeente, wil ik met u stilstaan bij die vraag.

De oude Grieken vertelden daarover het volgende verhaal:
Lang, lang geleden leefde er eens een prachtige vrouw: Pandora. Zij trouwde met Epimetheus. Zijn naam betekent zoiets als: iemand die altijd somber terugblikt. Pandora had als belangrijkste eigenschap dat ze heel nieuwsgierig was. Toen ze gingen trouwen kreeg Pandora als huwelijksgeschenk van de oppergod Zeus een mooie doos. Deze doos zat dicht, maar Zeus had tegen Pandora gezegd dat als ze gelukkig wilden leven, ze de doos nooit moest openen. Op een bepaald moment opende Pandora uit nieuwsgierigheid toch de doos. In een klap kwamen daar alle tegenslagen en onheil uit die een mens maar kunnen treffen: ziektes, verbittering, pijn en alle mogelijke kwaad. Gauw deed ze de doos weer dicht en daardoor bleef er één ding bewaard: de hoop, in de vorm van een vogeltje. Naast alle ellende waar niemand meer vat op had, bleef er toch nog hoop. Als een boodschap van troost voor de mensen die vanaf die tijd dankzij Pandora’s nieuwsgierigheid al die ellende moeten meemaken.
We hebben als mensen de hoop gekregen van de goden, zeiden de Grieken.
In alle ellende die ons overkomt hebben wij mensenkinderen altijd de hoop, een godsgeschenk, die ons overeind houdt.

Ook in het christelijk geloof vinden we een dergelijke gedachte.
De christelijke traditie noemt de hoop, net als geloof en liefde, een goddelijke deugd.
Goddelijk omdat het een geschenk is van God. Je krijgt de hoop, en ook de liefde en het geloof, van God. God geeft deze aan de mens.
Net als die oude Grieken noemt de bijbel de hoop dus een geschenk van God.
God heeft de mensen hoop gegeven.

Geloof hoop en liefde, en de meeste van deze is de liefde, schreef de apostel Paulus.
Maar de Franse dichter Charles Péguy is dat niet met hem eens. En dat hoorden we net in zijn gedicht ‘La petite Esperance’, oftewel ‘Het kleine meisje hoop’.

Geloof, hoop en liefde zijn God alle even dierbaar, maar met de hoop, daarmee heeft God nog het meest zegt Peguy. Zo dat hij er zichzelf over blijft verwonderen, en er soms zelfs zelf weer ondersteboven van is.

Geloven, zegt God, volgens de dichter, dat is eigenlijk geen kunst. Kijk goed om je heen, en je kunt bijna niet anders dan geloven: de wonderen van de natuur verwijzen naar God.
De liefde ligt voor het opgrijpen, als je ziet hoeveel leed en verdriet onder mensen is, dan kunnen mensen toch niet anders, zegt God, dan elkaar liefhebben?
Maar de hoop, dat is werkelijk een godswonder. Onze toestand is vaak hopeloos. En niets wijst er soms op dat het morgen anders zal gaan. En toch hopen mensen tegen heug en meug in op morgen. Het is eigenlijk ongelooflijk, zegt God zelf, de hoop zou allang met wortel en tak uitgeroeid moeten zijn – en toch blijft zij springlevend onder de mensen.
De hoop is een Godswonder. De hoop is een godsbewijs zou je ook kunnen zeggen. Eeuwenlang strijden mensen al met elkaar over de vraag of en hoe je Gods bestaan kunt bewijzen….Ach, zegt Péguy met zijn gedicht, het werkelijke godsbewijs is de hoop die, ondanks alles, niet uit te roeien valt.

En daarvoor gebruikt hij het prachtige volgende beeld: geloof en liefde zijn vergeleken bij de hoop twee stevige dames. Je denkt dat ze de weg goed weten en ons de weg wijzen. Maar ondertussen drijft en trekt het kleine meisje hoop, een meisje van niks, dat tussen hen in loopt, hen de toekomst in. Het geloof dat er straks weer een nieuwe morgen zal zijn, dat houdt het geloof en de liefde op de been.

Hoop is dat kleine meisje in elk van ons, dat misschien onooglijk klein is, maar dat God ons heeft gegeven om overeind te blijven. Of dat kleine jongetje, dat ooit in een onooglijke stal werd geboren, maar met zijn overwinning op de dood ons altijd weer hoop geeft. Hoop op nieuwe kansen, nieuw leven, hoop op een toekomst. Een klein meisje of klein jongetje in ons, dat ons roept, zegt de Remonstrantse Geloofsbelijdenis om

kerk te zijn in het teken van de hoop.
Want,
zo zegt deze belijdenis verder,
wij geloven in de toekomst van God en wereld,
in een goddelijk geduld dat tijd schenkt
om te leven en te sterven en om op te staan,
in het koninkrijk dat is en komen zal,
waar God voor eeuwig zijn zal: alles in allen.

Mijn wens voor Pasen en alle dagen daarna is dat wij dàt willen zien:
dat prachtige godsgeschenk dat altijd weer toekomst geeft,
dat kleine meisje of jongetje,
dat in ons leeft,
en ons steeds weer hoop geeft

Amen