Overweging: Leven met vertrouwen en … haat  (psalm 139)

De Bijbel staat te boek als een ‘goed verhaal’. De letterlijke vertaling van evangelie is ‘goede boodschap’. Er is een vertaling die heet ‘Groot nieuws voor u’. En wat is dat grote en goede nieuws voor u? Er is een God die aan het begin van deze aarde en aan het begin van je leven staat. God blijft ook steeds met zijn schepping en met jou en leidt je tot je bestemming. Vertrouw je dus gerust aan hem toe. In psalm 139 weet de dichter dat vanuit een eigen beleefde ervaring onder woorden te brengen. En ontroert daarmee:  U zag mij al nog voordat ik geboren was, ja, bij mijn vormloos begin en waar ik in mijn leven ook kom of bij wat ik ook zal meemaken, u bent er steeds bij, u bent met mij.

Afbeelding: machseh – schuilplaats, toevlucht

Het thema van de psalm is de overgave aan een God die de mens totaal kent en begeleidt. In zijn woorden is zo’n intimiteit voelbaar , God en mens komen zo dicht bij elkaar. Op momenten als dit is de bijbel een feel-good book, het geeft je een goed gevoel.

Toch is dat maar het halve verhaal. Want er zijn ook genoeg lastige passages in de bijbel. Bijvoorbeeld akelige teksten die overlopen van wraaklust en geweld. En wat doe je daarmee? Ik zeg: die sla je gewoon over. Maar ik heb gemakkelijk praten. Als vrijzinnig predikant ben ik niet gehouden aan een vast bijbelrooster voor de zondag waar ik me aan moet houden, zoals wel moet in de meeste andere kerken. Als vrijzinnig predikant mag ik geloven dat de bijbel geschreven is door mensen, die geïnspireerd zijn door de Heilige Geest, maar die zich toch ook, en soms wel erg veel, zich laten leiden door eigen emoties en inzichten. Dan moet je wel eens zeggen: maar hier is God niet aan het woord, hier poogt een schrijver God iets in de mond te leggen, dat niets te maken heeft met zijn goedheid en barmhartigheid. Het zegt meer iets over de bijbelschrijver dan over God. Dat is bijvoorbeeld het geval met die prachtige psalm 139, over die God die mij door en door kent, die altijd bij mij is. ‘Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u’.  Ik ben dicht bij u, elke ochtend weer. Prachtig. Maar die ineens zegt: ‘God, breng de zondaars om. Ik haat hen, zo fel als ik haten kan.’  Het is de psalmist ineens ophoudt God te laten spreken in zijn leven en zijn eigen verbitterde, haatdragende gedachtes de voorrang geeft.

Er is onlangs een preekschrijfwedstrijd uitgeschreven door de groep auteurs van het boek Liberaal Christendom. Ze leggen mij en mijn collega’s drie bijbelgedeeltes voor die een ‘lastig verhaal’ vormen.  Zeg maar onmogelijke verhalen. De opdracht is: maak een originele, min of meer persoonlijke preek of overdenking van max. 700 woorden die recht doet aan de gekozen bijbeltekst. De bijdrage dient geschikt te zijn als verkondiging in een kerkdienst. Nieuwsgierig keek ik om welke drie teksten het ging. En ja hoor, dat stukje uit psalm 139, met ‘God breng de zondaars om’ werd als eerste genoemd.[i]  En omdat ik twee weken geleden met u al sprak over deze psalm, wilde ik die uitdaging wel aan, al ben ik niet van plan om deze preek deel te laten worden van een wedstrijd.

Wat ons zo tegenstaat in het slot is het geweld en de haat die eruit spreken. ‘Zou ik niet haten wie u haten, o God, niet verachten wie tegen u opstaan? Ik haat hen, zo fel als ik haten kan.’ Daar zit toch weinig inspirerends in voor een preek, zou je zeggen.

Dat haat en geweld zelden tot iets goeds leiden weten we. Dat je onrecht en conflicten beter kunt oplossen met dialoog en compromissen dat weten en voelen we ook. En we verwachten dat het geloof bijdraagt aan liefde, vergeving, compassie. Jezus Christus ging ons daarin voor. Maar ook lezen we steeds weer in de bijbel hoe de neiging tot haat en geweld niet te onderdrukken zijn en te vaak nog gelegitimeerd worden met een beroep op God. Ook in andere wereldgodsdiensten. Het op grote schaal vermoorden van Joden en Moslims door Christenen tijdens de kruistochten werd begaan onder de uitroep ‘God wil het!’  en staat naast het ‘Allah akbar’, God is groot,  van de moslim-extremist.

In een God die onverdraagzaamheid, haat en geweld wil, geloven wij niet. Wij geloven in iets anders, en dat andere is voor ons zo wezenlijk, dat we dat als het allerhoogste, als goddelijk of van God komend beschouwen. Dat is nastrevenswaardig. Maar de macht van het andere dat uit is op woede, dood en vernietiging van anderen is niet te ontkennen. Het is een macht die niet alleen in anderen zit, maar ook in onszelf. Het is niet eenvoudig die onder controle te houden. En allerlei omstandigheden kunnen stimuleren dat het slechtste in ons of anderen naar boven komt. Over wat goed en slecht is zei dr. Albert Schweitzer eens: Het is goed om leven te behouden en leven te bevorderen, het is kwaad om leven te vernietigen en leven te belemmeren. Ik ben leven dat leven wil te midden van ander leven dat leven wil.

Tussen leven en laten leven staat de haat. Wat is het wezen van de haat?  Haat is agressie die geen uitweg vindt; het is de boosheid en frustratie waar je geen kant mee uit kunt en die je dan bij iets of iemand – in ieder geval buiten jezelf – neerlegt. Haat is naar buiten gerichte onmacht. Het is een macht die, eenmaal aanwezig, zichzelf voedt met alles. De Franse schrijver Honoré de Balzac zei: Haat voedt zich net als liefde met de kleinste dingen; alles kan er toe bijdragen. Zoals iemand die bemint niets kwaads kan doen, zo kan iemand die je haat niets goeds doen en leg je alles van hem negatief uit.

Als je iemand haat, zie je die ander als oorzaak van datgene waarmee je worstelt.

Iemand die haat zit vast in het leven en weet dat hij geen uitweg heeft. Het is een ten diepste gevoeld onvermogen, het besef dat iets je niet lukt of zal gaan lukken, en dat je pogingen daartoe nutteloos zullen blijken. Het is de straf die de verliezer uitdeelt: je hebt verloren en je weet het. Wat je rest is de haat, naar de anderen, die het wel redden.

Je bent je baan verloren, je partner heeft je verlaten en is onbereikbaar geworden, anderen hebben succes en jij niet. Je legt de frustratie en boosheid waar je geen kant mee op kan bij anderen. Een gefrustreerde man slaat zijn vrouw of zijn kinderen, een boze jongen zijn kleine zusje, een samenleving die getroffen wordt door een epidemie geeft de Joden de schuld en vervolgt ze. Wie zich onveilig voelt, projecteert dat op groepen die ‘anders zijn’, de buitenlanders, de moslims en roept ‘minder, minder, minder’. Groepen die de moderne tijd niet bij kunnen benen willen terug naar een tijd van vroeger, die beter was, maar nooit heeft bestaan en ze haten de progressie, de moderne tijd. Haat heeft echter zelden veel te maken met dat wat de haat in jouw ogen veroorzaakt; haat is veelal projectie van onvermogen, het is blijven hangen aan iets wat er niet is of simpelweg niet mogelijk is.

Door te haten probeert een mens overeind te blijven en te overleven. Je haat omdat je anders waarschijnlijk ten onder zou gaan aan je eigen verdriet, schaamte, boosheid en besef van onvermogen. Zonder haat word je depressief. Heeft een mens dus haat als gezonde uitlaatklep? Nee, haten verteert degene die haat. Het ondermijnt je gezondheid, je humeur en je wordt er een onaangenaam mens mee, ook voor je dierbaren.

Van je haat afkomen vereist dat je je weer met jezelf gaat bezighouden. Dat je tenminste enige afstand neemt van datgene wat je zo haat. Dat je iets zoekt waarmee je je kunt verbinden en waaraan je (opnieuw) zelfrespect kunt ontlenen. Daar kan godsdienst een positieve rol bij spelen. Je richt je op de Andere, de Eeuwige, je legt je frustraties buiten jezelf, maar niet langer bij mensen die er slachtoffer van worden, maar bij een kracht die zegt: Kom maar, ik ken jou, beter dan jij jezelf kent. Ik weet wat je denkt en voor je  je mond opendoet, weet ik wat je wil gaan zeggen. Ik houd je hand vast. Vertrouw je aan mij toe. Voor mij is de duisternis in jou niet donker. Ik maak jouw duisternis licht. Vergeef je vijanden. Oscar Wilde gaf daar als commentaar op: Als Christus zegt: ‘Vergeeft uw vijanden’ zegt Hij dat niet ter wille van de vijand, maar ter wille van onszelf. Een gedachte om bij stil te staan: als ik in staat ben te vergeven dan genees ik mijzelf daarmee en doe ik mijzelf er nog meer goed mee dan degene die ik vergeving schenk.  Dan komt er ruimte om te gaan werken aan je zorgen en problemen.

Godsdienst kan een kracht tot genezing zijn, een bron van liefde, inspiratie tot het goede. Zeker. Maar het kan ook krachtig motiveren tot het tegendeel. We weten het. Daarom is het goed om bij het lezen van de bijbel, dus ook bij die onmogelijke teksten, voor ogen te houden wat de apostel Paulus in zijn hooglied van de liefde, 1 Cor. 13, schreef: Dit is dus waar het om gaat: geloof, hoop en liefde. Dat moet steeds het belangrijkste in ons leven zijn. Maar het allerbelangrijkste is de liefde.

Amen

ds Peter Korver