Overweging Klaas Douwes

1e lezing:
Er zijn plekken
waar ik zonder glimlach
niet meer langs kan.
Ooit is daar een grap
verteld, een kus geroofd,
iets voor het eerst gedacht.
Ter hoogte van mijn oor,
bijvoorbeeld,
heb jij me op een nacht
beloofd dat eeuwigheid
een leugen is, maar dat het
daarom tussen ons niet
minder lang gaat duren.
Meer woorden waren er
niet nodig – een mond
spreekt van zichzelf al mooi
en huid heeft een geheugen.
Jij blijft mijn hals, mijn navel,
mijn holte van mijn knie
voor altijd bij.
Zonder glimlach kan ik
aan geen plek voorbij.

Bart Moeyaert, uit: Verzamel de liefde

2e lezing: Genesis 32: 23-32

OVERWEGING:

Gemeente van de Eeuwige, geliefde broeders en zusters,

‘Er zijn plekken waar ik zonder glimlach niet meer langs kan.’

Herkent u zich in die dichtregel? Over zulke plekken die zich in je herinnering hebben vastgezet? Plekken waar je niet meer achteloos aan voorbij kunt gaan, maar even stil moet staan. Je glimlacht en ziet het weer voor je. Waar je de eerste kus kreeg, een bijzondere ontmoeting had, genoot van een prachtige zonsopkomst. Plekken die je bijblijven. Omdat ze je gevormd hebben tot wie je hier en nu bent. Waar je even een pas op de plaats kunt maken, bijtankt en weer verder kunt.

‘Stilstaan en voorbijgaan’, deze beide werkwoorden, dit woordpaar staat vanochtend in het middelpunt van onze viering. Het koppel ‘stilstaan en voorbijgaan’ heeft alles te maken met het verhaal dat wij vanochtend hebben gelezen. Over Jakob die, letterlijk, stilstaat aan de oever van de rivier de Jabbok. Of beter: tot stilstaan gedwongen wordt. Heilig is hij ervan overtuigd dat hij oog in oog heeft gestaan met de Eeuwige. En meer nog: zelfs met de Eeuwige heeft gevochten en stand heeft gehouden. Een wonderlijk verhaal, dat ook wel wat opgeblazen klinkt. De plek daar aan de oever van de Jabbok noemt Jakob Peniël. Want, zo zegt hij: ik heb oog in oog gestaan met God. Wellicht heeft u meer op met de plekken die Bart Moeyaert beschrijft. En de nuchtere constatering dat eeuwigheid een leugen is, maar ‘dat het daarom tussen ons niet minder lang gaat duren.’

Toch heeft het verhaal van Jakob zijn menselijke, al te menselijke kanten. Van bedrog, familievetes, angst, hoop en wanhoop.

In het gedeelte dat we hebben gelezen wordt het niet nadrukkelijk genoemd, maar Jacob is onderweg naar zijn geboorteland. Lang geleden is hij gevlucht voor zijn broer Esau en het duurt niet lang meer of Jacob moet hem weer onder ogen komen. Met wie weet wat voor gevolgen. Want Jacob en Esau zijn niet vreedzaam uit elkaar gegaan. Integendeel. Maar hoe zat het ook alweer tussen die twee? Laten we teruggaan naar hoe het allemaal begon, terug naar Isaak en Rebekka.

Al tijdens de zwangerschap van Rebekka was het hommeles tussen de tweeling, was er gedonder in haar schoot. Ze botsten in haar lichaam hard tegen elkaar en na de bevalling bleek al snel dat ook de karakters van de broers hard botsten. Het waren twee erg verschillende personen, wat zich bovendien toonde in hun verschil in uiterlijk. Esau, de jongen die als eerste ter wereld kwam, was rossig en helemaal behaard. Hij groeide uit tot een frank en vrij man. Esau was een man van het veld en een verdienstelijke jager. Hij was daarom ook het lieverdje van Isaak, want vader Isaak at – zoals Genesis smakelijk vertelt – graag wildbraad. De liefde van een man gaat door de maag, luidt het gezegde, ook toen al. Jakob daarentegen was een echt moederskindje. Tijdens zijn geboorte had hij Esau bij de hiel beet, alsof hij niet in staat was geheel op eigen benen te staan. Jakob bleef in tegenstelling tot de rondzwervende Esau het liefst bij de tenten. Jakob was een rustig man.

Hoe ironisch is het dat juist hij uit zijn veilige omgeving werd weggerukt. Niks geen rust meer, niks geen stilstaan. Maar dat had hij allemaal over zichzelf afgeroepen  doordat hij zich inliet met een list die zijn moeder Rebekka had bekokstoofd. Rebekka had namelijk gehoord dat Isaak aan Esau vroeg om hem een stuk wild klaar te maken. Dan zou Isaak op zijn beurt Esau zegenen. Rebekka bedenkt vervolgens een plan en Jakob voert het gedwee uit. Hij doet zich voor als Esau. Zijn blinde vader is even sceptisch, maar tuint er in en geeft Jakob de zegen die eigenlijk voor zijn oudere broer Esau was bestemd. Pas wanneer Esau zelf binnenkomt met een smakelijk gerecht, krijgt Isaak door dat Jakob hem heeft bedrogen. Esau wordt daarop zo woedend dat hij zijn jongere broer wilde vermoorden. Dat had Rebekka al snel door en ze fluisterde Jakob een nieuw plan toe: “Jakob, vlucht onmiddellijk naar mijn broer Laban in Charan. Ik zal je laten terughalen als zijn woede bekoeld is.” En Jakob smeerde hem. Zijn vredige tijd bij de tenten was voorbij gegaan.

Het vervolg van het verhaal is dat Jakob bij zijn oom Laban komt en er met open armen wordt ontvangen. Al komt Jakob erachter dat hij niet de enige zwendelaar in zijn familie is. Ook Laban kan er iets van. Jakob kan meepraten met die dichtregel ‘ooit is daar een kus geroofd’. Want nadat Jakob zeven jaar heeft gewerkt om te kunnen trouwen met Labans jongste dochter Rachel is het zijn oudste dochter Lea met wie Jakob in het huwelijksbed belandt. ‘Ja,’ zegt Laban, ‘dat is hier nu eenmaal de gewoonte. De jongste dochter trouwt niet eerder dan de oudste.’ Maar Jakob is een volhouder en werkt nog eens zeven jaar  om ook de hand van Rachel te kunnen vragen. Gelukkig zijn sinds die tijd de gewoonten “iets” zijn veranderd. Althans, hier in Nederland, anno nu.

Maar terug naar Jakob. Er is voor hem dus, ondanks alles, opnieuw een vredige en bovendien vruchtbare tijd aangebroken. Hij trouwt, krijgt kinderen en bouwt een grote kudde en een rijkdom aan bezittingen op. Geen succesverhaal blijft echter zonder keerzijde: de welvaart van Jakob roept op den duur zoveel afgunst op bij Laban en zijn zonen dat de tijd voor Jakob rijp is om terug te gaan naar zijn geboortegrond. Voor de tweede keer in zijn leven kan Jakob het zich niet permitteren om stil te blijven staan. Ditmaal is het niet zijn moeder Rebekka, maar een engel van God die hem toespreekt – althans, zo gaat het verhaal: “Kom, ga weg uit dit land en keer terug naar je geboorteland.” En Jakob gaat.

Al beseft hij maar al te goed dat een terugkeer naar zijn geboorteland ook een terugkeer naar zijn broer Esau betekent. En met dat besef komen als vanzelf de twijfels en de vragen. Kunt u het zich voorstellen? Zou Esau nog kwaad op me zijn? Of is hij het misschien vergeten? Wat als hij me nog steeds wil doden? Is dit het allemaal waard geweest? Had ik toen achteraf niet anders moeten handelen? Het angstzweet breekt hem uit wanneer hij verneemt dat Esau hem met vierhonderd man tegemoet komt. Maar Jakob kan niet meer terug om zijn bedrog ongedaan te maken. Hij zal Esau onder ogen moeten komen. Al doet hij in ieder geval zijn uiterste best om Esau mild te stemmen voor hun ontmoeting, door knechten vooruit te sturen met geschenken voor Esau, terwijl Jakob zich voorlopig nog niet laat zien. En hier zijn we weer bij het begin aanbeland van onze lezing.

Nadat Jakob zijn vrouwen en kinderen midden in de nacht over de rivier de Jabbok heeft geholpen, blijft hij achter. Helemaal alleen. Wat bezielde hem, om daar aan de oever stil te blijven staan? Of werd hij ertoe gedwongen? Gedwongen om een pas op de plaats te maken? Overmand door de huivering om zijn broer te ontmoeten, vastgegrepen door spijt en wroeging, angstig voor wat er komen gaat maar tegelijk ervan doordrongen dat hij verder moet gaan. Het is markant hoe deze strijd met zichzelf naadloos lijkt over te gaan in de worsteling met die schemerige ‘iemand’ die ineens opduikt. Een man die hem naar de keel grijpt en niet meer loslaat totdat de nacht voorbij is. Maar wonderwel komt Jakob als winnaar uit de strijd. Jakob laat zien dat hij al die jaren niet stil is blijven staan. Want waar hij zich tijdens zijn geboorte nog vastklampte aan de hiel van zijn oudere broer, waar hij eerst zijn oren al te gemakkelijk liet hangen naar zijn moeder, toont hij hier dat hij de kracht heeft gevonden om op eigen benen verder te kunnen gaan.

Deze worsteling is als het ware de samenvatting van zijn leven: een strijd van vallen en opstaan, van stilstaan en voorbijgaan. Het is een gevecht, niet alleen van Jakob, maar een gevecht dat volgens mij iedereen in zijn of haar eigen leven kan herkennen. Soms is het nodig een pas op de plaats te maken, om stil te staan en te bezinnen. Ons eigen leven te overdenken en af te vragen: waar sta ik, waar wil ik naar toe. Wat is de zin van mijn leven? Maar op andere momenten worden we ertoe gedwongen stil te staan. Bijvoorbeeld door ziekte of verlies, door ontslag of tegenslag. Er zijn van die momenten waarop het leven met een harde klap tot stilstand wordt gebracht. Maar tegelijk kunnen we niet stil blijven staan. Uiteindelijk zal een mens hoe dan ook, op de een of andere manier verder moeten gaan, voorbijgaan aan wat geweest is. En dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want waar ligt die balans tussen stilstaan en voorbijgaan? Hoe makkelijk kun je verdergaan wanneer een dierbare is weggevallen, wanneer het leven je tussen de vingers doorglipt, je echt niet meer weet hoe je nu verder kunt gaan. Waar hervind je dan je kracht?

Dan is het leven een worsteling, een zoeken naar nieuwe mogelijkheden, naar veerkracht, naar een richting die je kunt gaan, naar perspectief. Een perspectief dat soms uitblijft, wanneer alleen de broosheid lijkt stand te houden. De open eindjes. Het is een worsteling die, precies omdat het een strijd is, geen pasklare antwoorden kent. We kunnen en moeten elkaar daarbij helpen, maar ten diepste heeft ieder voor zich een eigen weg te gaan, met vallen en opstaan, steunen en gesteund worden, tastend, worstelend, hopend. En daarin ligt een mens soms niet alleen met zichzelf overhoop, maar ook met God – alsof God een persoon is. De gedachte: geloof maar, vertrouw maar op God, dan komt alles goed, is nu eenmaal een leugen. Want net zoals het leven wordt ook het geloofsleven door worsteling gevormd. Een worsteling met de wereld, die niet is zoals we die graag zouden willen zien: liefdevol, schoon, gerechtig, vredig. Een worsteling met onszelf en onze eigen tekortkomingen. Gevoelens van onmacht, van angst, van berouw, van woede, waarmee we kunnen worstelen. En soms ook, zoals we bij Jakob zien, een worsteling met God. Daar aan de oever van de Jabbok. Peniël noemt hij de plek: voor het aangezicht van God. En is die naam eigenlijk zoveel anders dan de titel die Bart Moeyaert boven zijn gedicht schreef? ‘Eeuwigheid’?

Juist in en door dit gevecht heeft het geloof van Jakob zich gevormd. Het heeft zijn leven een eigen kleur gegeven. Juist in de intieme worsteling van geven en nemen. En tijdens deze nacht aan de oever van de Jabbok is Jakob niet alleen getekend, maar ook gezegend. Voortaan loopt hij mank. En weet hij dat een gezegend bestaan  meer kost dan een leugen. Het is een herinnering die letterlijk blijft. Een herinnering aan de gedachte dat het leven soms moeizaam is. Een broze worsteling van stilstaan en voorbijgaan. De gedachte waar hij desondanks niet meer langs kan gaan, zonder een stille glimlach.

Amen.