Overweging: God, mens en dier

Dr. Albert Schweitzer was vrijzinnig theoloog en werd door velen bewonderd omdat hij een carrière als predikant, wetenschapper en organist opgaf om arts te worden in het toen straatarme en ongezonde Afrika van de Gabon. Daar kwam hij tot zijn basisprincipe van ‘eerbied voor het leven’. Dat was niet lang na afloop van de verschrikkelijke Wereldoorlog, die later de toevoeging Eerste moest krijgen omdat er al gauw nog een tweede volgde. Hij schreef hoe hij op zoek was naar een nieuwe ethiek voor zijn tijd. In deze toestand moest ik een lange tocht op de rivier maken, op weg naar patiënten. Langzaam kropen wij de stroom op, met moeite onze weg tussen de zandbanken door zoekend, want het was het droge jaargetijde. Teruggetrokken  zat ik op het dek van de sleepaak, peinzend over het elementaire en algemene begrip van het ethische, dat ik in geen enkele filosofie had gevonden. Blad voor blad beschreef ik met onsamenhangende zinnen, slechts om me op het probleem te blijven concentreren. Aan de avond van de derde dag, toen we bij zonsondergang juist door een kudde nijlpaarden voeren, stond als met een bliksemslag het woord ‘eerbied voor het leven’ voor mij, zonder dat ik het te voren beseft of er naar gezocht had. In een flits drong tot hem door dat ‘ik leven ben dat leven wil, te midden van leven dat leven wil’. Hij voelde op dat moment een vitale oerverbondenheid met alles wat leeft, niet alleen zijn medemensen, maar juist ook met de dieren. Deze eerbied voor het leven werd de kern van zijn filosofie, ja van zijn geloof. Met ‘leven’ bedoelde hij elk levend mens, dier en ding in de gehele kosmos. Hij bepleitte een soort spirituele verhouding tot het grote geheel, zag dat als een vorm van overgave aan het leven en aan de liefde tot al wat leeft.

Op dat moment was dat een heel bijzondere overtuiging. Wij, die een eeuw later leven, beseffen dat de eerbied voor het leven van dieren en van de schepping niet een uiting is van goedbedoelende ethiek, maar een bittere noodzaak. De mens is afhankelijk van dieren en de natuur. Zonder diversiteit aan dieren, zonder gezonde bossen, oceanen en schone lucht is er ook geen toekomst voor de mens. De bedreiging van het leven zag Schweitzer nog niet als ecologisch. Hij maakte zich grote zorgen over de kernbewapening. Met het grote morele gezag dat hij zich inmiddels wereldwijd had opgebouwd vanwege zijn inzet voor de zieke en lijdende mens in Afrika, kreeg zijn verzet tegen de kernwapenloop grote invloed. In 1951 kreeg hij daarvoor de Nobelprijs voor de Vrede.

Sloten zijn ideeën en zijn handelen naadloos aan bij het christelijk geloof? Ja en nee. Ja, een carrière opgeven om in Afrika je medemensen te gaan helpen, dat werd natuurlijk gezien als de navolging van Christus. Het is alles achterlaten ter wille van Christus en goed te doen aan de minste mijner broeders. Nee, je verzetten tegen de ontwikkeling van nieuwe kernwapens was hetzelfde als het in de kaart spelen van wat als het echte gevaar werd gezien, de goddeloze communisten. Maar ook theologisch. Eerbied voor al wat leeft, de dieren net zo goed als de mensen? Eerbied voor de levende natuur? Liet de bijbel, liet het scheppingsverhaal niet zien dat de mens de kroon op de schepping is, dat God de mens naar zijn beeld heeft geschapen en hem laat heersen over de dieren? Is de aarde niet slechts het decor waartegen de mens  zijn gang kan gaan? Is de aarde er niet voor bedoeld om door de mens gebruikt te worden, net als de dieren?

In onze tijd weten we beter. Het gebruiken, het uitputten van de aarde is een bedreiging voor de toekomst van de mens. Het gebruiken van dieren voor onze consumptie, massaal, met een van weinig eerbied getuigende bio-industrie, maar ook het rap uitsterven van allerlei soorten, is een gevaar voor het voortbestaan van het leven op aarde. Het is onvermijdelijk dat we met andere ogen naar de betekenis van de natuur en de dieren gaan kijken. Om de ideeën van Albert Schweitzer te actualiseren.

Vanmorgen kijk ik met u naar onze relatie tot de dieren. Hoe is die? Kort door de bocht: we eten ze op, we gebruiken ze als last-, trek- en rijdier of we houden ze voor de gezelligheid, als huisdier. En we doen dit massaal.

Mensen hebben dieren nodig om zich heen. Is dit onderscheid overigens vanzelfsprekend: mensen en dieren? Zijn mensen niet gewoon ook een diersoort, wellicht een heel bijzondere? Is het verschil niet kleiner dan we steeds geneigd zijn te denken? Op het moment krijgt veel aandacht de vraag of dieren niet net als wij emoties hebben, liefde geven, haten, blij of verdrietig zijn, compassie tonen. De Nederlandse primatoloog Frans de Waal vertelt in zijn nieuwe boek[i] over de rijke emotionele wereld van dieren. Door zijn vele onderzoeken en observaties concludeert hij : zo anders en speciaal zijn mensen helemaal niet.  “We komen, zo schrijft hij, uit een periode waarin emoties en intelligentie bij dieren koste wat kost werden ontkend. We zagen dieren lang simpele machines die alleen maar hun instincten kunnen  volgen, heel anders dan de complexe, intelligente mens. Tegenwoordig is er veel kennis die die scheiding tegenspreekt.

Nu vragen gelovige mensen zich dan ook af of er in de Bijbel ook uitspraken te vinden zijn over (de omgang met) dieren. Over huisdieren, nee. In de Bijbel kom je eigenlijk geen huisdieren tegen. Er is vee en er zijn dieren in het wild. In het deuterocanonieke boek Tobit komt nog wel een hondje voor dat met zijn baas op reis gaat. Het noemen van een dergelijk huisdier is wel een echte uitzondering.

Over onze relatie als mensen met de dieren schrijft de bijbel vanaf het begin. In het paradijs zijn mens en dieren beiden schepselen van God en zij leven in harmonie met elkaar. Ze eten elkaar niet op. Ze voeden zich met vruchten en zijn wat we nu zouden zeggen vegetariër. En na de verdrijving uit het paradijs wordt dat anders, er is jacht en het wordt eten of gegeten worden.

De bijbel wijst op de liefde die God heeft voor al zijn schepselen, dieren en mensen. Ze zijn ieder, soort na soort, geschapen met een eigen betekenis. Ze leven beiden in samenhang met de natuur en maken daar onderdeel van uit. Over een bedreiging die de mens kan worden voor de schepping, voor mens en dier, is het verhaal van de zondvloed geschreven, waarin God het berouwt dat hij hem geschapen heeft en het leven ten onder dreigt te gaan. Daarover hoop ik nog een andere keer met u van gedachten te wisselen.

Vandaag lazen we uit de profeet Jesaja. Daarin horen we over die toekomstige wereld van vrede en recht, waar harmonie is. De wereld waar we nog zo ver van verwijderd zijn, maar waar eens mens en dier, dier en dier in harmonie met elkaar leven, waar het allemaal anders is dan strijd en eten of gegeten worden. Een wolf speelt met een lammetje, een leeuw eet gras en een kind speelt zonder vrees bij het nest van een slang. Maar voor het moment biedt hij niet meer dan een sprankje hoop. ‘Maar uit de stronk van Isai schiet een telg op, een scheut van zijn wortels komt tot bloei. Isaï is de vader van koning David. Die was een herdersjongen en werd door de profeet Samuel aangewezen en gezalfd als de nieuwe koning van Israël. Hij wordt beschreven als de ideale en rechtvaardige koning, hoewel hij niet foutloos was. Hij zou de psalmen hebben geschreven. Hij heeft Israël tot een land van aanzien en macht gemaakt. Zijn vader Isaï, hij wordt in de katholieke traditie Jesse genoemd, is zeg maar de wortel waaruit de boom David is voortgekomen. De woudreus, want zowel in de Joodse als de christelijke traditie staat hij zeer hoog aangeschreven. Maar in de lezing van Jesaja is koning David inmiddels geschiedenis.  En de grandeur van zijn koninkrijk ook. Het is uiteengevallen en het machtige Assyrische wereldrijk verdrukt het. Van de machtige boom is zeg maar niet veel meer dan een stronk over, de stomp van een afgezaagde boomstam. Dat biedt een desolate, jammerlijke, verdrietige aanblik. De profeet Jesaja nu is een visionair. Hij voorziet voorbij de rampspoed een toekomst, een wereld waarin het heel anders zal zijn. Er zal een nieuwe koning David opstaan, iemand uit het geslacht van David. Eens kwam uit de wortel Isaï David voort, nu zal uit wat niet meer dan een stronk is een scheut, een twijgje voortkomen en op deze koninklijke figuur zal de geest van de Eeuwige zijn. Dat zal de Messias zijn, zeggen de Joden, Gods rechtvaardige wereld en zij wachten nog op hem, want dat de wereld nog niet is zoals hij bedoeld is, mag duidelijk zijn. Dat is Jezus van Nazareth, zeggen de Christenen, die zoveel eeuwen later teruglezend meteen meenden dat deze profetie over hem ging. Zij menen dat met hem een begin is gemaakt met die ideale wereld, het koninkrijk van God. Hoe ook, het valt op dat die komende wereld er niet alleen voor Israël, of de mensheid is, de dieren delen daarin, zij horen er bij.

Dat mens en dier onderling verbonden zijn is een besef dat sterk bevorderd is door Albert Schweitzer, maar ook door een initiatief dat in zijn tijd genomen werd, de instelling van Werelddierendag in 1929. Op 4 oktober, de sterfdag van Franciscus van Assisi, de patroonheilige van de dieren. Niet toevallig heeft de huidige paus zich naar hem genoemd. Het gaat ook hem om vriendelijkheid en compassie met alle levende wezens, zoals ook Jezus uitdroeg. Mededogen met àlle levende wezens, dus ook de dieren. Want onze dieren tellen mee.

Amen.