Home » Overweging: Gekend zijn

Overweging: Gekend zijn

Het is niet gemakkelijk om over God te spreken. Ook niet in de kerk. De grote godsdienstige tradities van Jodendom, Christendom en Islam hebben de verhalen in hun heilige boeken waarin God sprekend en handelend optreedt. God sprak, God schiep, het berouwde God, God zegende, God strafte…  God lijkt zo wel erg op een mens. In de meeste bijbel edities is dan ook nog de onvertaalbare Hebreeuwse aanduiding voor de godsnaam JHWH weergegeven als de Heer of in het Engels the Lord en voordat je het weet stel je God voor als een hij, een man, een heerser en omdat deze eeuwig is met een baard en omdat hij hemels is verblijft hij op een wolk. Voor veel mensen is daarmee het mystieke, dat wat ver boven ons voorstellingsvermogen verheven is, weg. Toen er rond de eeuwwisseling gewerkt werd aan een nieuwe bijbelvertaling konden de vertalers het niet met elkaar eens worden hoe de aanduiding JHWH vertaald zou gaan worden. Vanwege de traditie werd het toch weer Heer en Hij, maar om alle terechte bezwaren van bijv. feministische theologen tegemoet te komen, werd er voorin de nieuwe bijbelvertaling een ‘leeswijzer’ opgenomen. Daarin stond: ‘Overal waar de aanduiding JHWH voorkomt, kan men bijvoorbeeld ook voorlezen: Aanwezige, Eeuwige, Enige, God, Levende, de Naam, Onnoembare. Ook voor ons rationeel denken kunnen we beter uit de voeten met een niet te persoonlijk voorgesteld godsbegrip. God als een kracht, geest, heilige geest. In het christendom is God ook geest, maar heeft in Jezus Christus een menselijk gezicht gekregen. Je mag je God op drie manieren voorstellen: als schepper, een vader, als een mens, in Jezus en als Geest. Drie beelden van die Ene God. En ook dat moet je niet al te letterlijk nemen, want voor je het weet kom je vast te zitten in het dogma van de Drie-eenheid.

Het liefst spreek ik over de Eeuwige en ik vermijd het om over de Heer te spreken. Te mannelijk, te mensvormig.  Is daarmee het probleem opgelost? Nee. Want geloven doen de meeste mensen niet in iets wat alleen abstract, afstandelijk te benaderen is. Geloven is ook of vooral het besef dat je je kunt toevertrouwen aan iets of iemand. Het Engels kent het woord believe maar ook Faith. Je geloof is je vertrouwen. Je wil bij alle wisselvalligheden van het leven je bij tijd en wijle je in vertrouwen kunnen wenden tot iets of iemand die boven jou uitgaat en die je omvat. Dat is bidden. In gesprek, in dialoog gaan. En dat is lastig als het iets onbepaalds eeuwigs is. Dan is het persoonlijke gesprek met God een hulpmiddel.

In weinig bijbelgedeeltes, in weinig psalmen komt God zo dichtbij als in Psalm 139. Op de aankondiging in Kapel Nieuws dat het vandaag in de viering over psalm 139 zou gaan, mailde een lid mij: ‘Psalm 139 is voor mij de psalm waar mijn geloof en Godsvertrouwen op gebaseerd is.’ En iemand anders: houd bij mijn gedachtenisbijeenkomst geen toespraken, maar zeg voortdurend deze psalm, opdat ik geborgen zal zijn bij God. Maar ach, dat ben ik nu ook al evengoed…. Wat is het dat deze psalm zoveel mensen ontroert, aangrijpt?

Als een lieve moeder die mij van het prilste begin af aan met zorg omringt, me bij de hand neemt op onbekende wegen en zo vertrouwd met me is dat ik voor haar een open boek ben. ‘Geen woord ligt op mijn tong, of u kent het ten volle’. Voordat ik mijn mond opendoe, weet u al wat ik wil zeggen. U weet wat ik denk. God kent mij. Niemand kent mij beter dan God. Ik ken mijzelf nauwelijks, een levenspartner partner kent mij vaak al beter dan ik mijzelf ken.

Waarom is het kennelijk zo belangrijk dat er iemand is die je goed kent? Aan de ene kant zijn we daar bang voor. Je bent kwetsbaar als een ander veel van je weet. Die kan misbruik maken van het feit dat hij je zwaktes kent. Nogal wat mensen hebben om die reden niet veel op met Facebook, Instagram, Twitter en andere social media, waar mensen veel uit hun persoonlijk leven kwijt kunnen. Of met Google waar je laat merken wat je weten wil, wat je interesseert. Google verzamelt persoonlijke gegevens en maakt daarmee profielen van gebruikers. Zo kunnen advertenties beter op de gebruikers worden afgestemd, want die leveren zo meer op.  Dat benauwt ons. Want wie gebruikt deze gegevens over mij en waarvoor? Het is angst voor Big brother is watching you. Dat je in de gaten wordt gehouden door die grote broer, de overheid of door nog anderen.

Op andere momenten zijn we blij als er iemand is die ons door en door kent. Iemand die mag weten als ik iets stoms heb gedaan. Iemand die het kan hebben als ik boos en onredelijk ben. Iemand die bij wie ik mijn tranen de vrije loop kan laten. Omdat die ander me er niet op afrekent, me er niet om uitlacht, maar die het begrijpt en me verder wil helpen. Omdat die ander van me houdt.

Leven wij ons leven niet steeds tussen twee belangrijke emoties, die van angst en vertrouwen? De ene pool is de angst voor de dood, voor de leegte, het niets, voor het in de steek gelaten worden, voor pijn en verdriet, voor dat wat een ander je aan wil doen. De andere pool is die van vertrouwen. Het komt wel goed, ik kan op jou rekenen als me wat gebeurt, er is steeds een nieuw begin, de meeste mensen bedoelen het goed, ik kan gerust gaan slapen. De angst begint met de twijfel. Is er wel een God, heeft het leven wel een zin. Is niet alles lucht en leegte? Afgelopen vrijdag schreef de bekende arts en filosoof Bert Keizer daarover in dagblad Trouw. Hij is specialist ouderengeneeskunde en recent maakte hij de overstap naar de Levenseindekliniek. Hij beschreef wat het een mens kan doen als hij voor het eerst door een echte telescoop de diepte van de nachthemel binnen mag gaan. Is het een schitterende verwondering die vat op je krijgt, of is het een huivering vanwege de eeuwige stilte van die oneindige ruimte die angst kan aanjagen. , het gevoel dat je verloren bent in een eindeloze doodse leegte. als een piepklein muisje dat middenin een gigantisch lege hangar geplaatst is en zich onbeschermd voelt en onmiddellijk op zoek gaat naar een holletje.  De angst kan ook beginnen met een andere twijfel. Is er iemand die van mij houdt, die er is voor mij? Wie kent mij en bij wie ben ik geborgen? Wie is die andere mens die mij helpt om mijzelf te leren kennen? Je boft als je iemand treft die je bemint en die je laat zien wie je ten diepste bent. Maar de liefde van een ander mens, de liefde voor een ander mens is kwetsbaar. Je kan iemand verliezen aan het leven, je kan iemand verliezen aan de dood.

En wie kent je nog als mensen wegvallen? Trijntje Oosterhuis zong : Ken je mij, wie ken je dan? Weet jij mij beter dan ik? Ken je mij, wie ben ik dan? Die woorden heeft zij niet zelf bedacht. Ze zijn van haar vader, Huub Oosterhuis, en hij schreef ze bij haar geboorte. Hij noteerde dit lied in 1973 in zijn bijbel de kantlijn van Psalm 139. Een lied over gekend en bemind willen zijn. Vijfendertig jaar later, in 2008, schreef een componist er een melodie bij.

Wie spreekt de dan vader geworden Huub aan? Hij vraagt in zijn lied ‘Ben jij beeldspraak voor iemand, die aardig is, of onmetelijk ver, die niet staat en niet valt en niet voelt als ik, niet koud en hooghartig.’  Hij heeft hij het hier over de Onnoembare, over God. Hier klinkt psalm 139 in taal van nu. De  psalmist wist het nog zeker. Hij is gekend en geborgen bij God. Oosterhuis durft dat, geheel in de geest van deze tijd, slechts vragend te veronderstellen. ‘Ben jij de enige voor wiens ogen niets is verborgen van mijn naaktheid?’  Ben jij het die om me geeft zoals ik ben, die mij aanvaardt met al mijn tekorten? ‘Kan jij het hebben dat ik geen licht geef, niet warm ben, dat ik niet mooi ben?’ ‘Ben ik door jou gezien?’ Het is een dringende, kwetsbare vraag. Alsjeblieft, zie mij, ken mij, aanvaard mij. Pas dan kan ik leven.

Kijk eens naar het schilderij op de omslag van de liturgie. Een werk van de Israëlische kunstenaar Lika Tov. Zij maakte het bij psalm 139. Hier heeft het duister een mens aangegrepen, het kreeg hem in z’n greep en slokte hem op. Je ziet het in het zwarte silhouet van de figuur rechts op het schilderij. Het is de ik-figuur uit de psalm, die overvallen is door de duisternis van moeite en gemis: een slopende ziekte, een groot verdriet dat je leven verduistert maar ook alle kleur en fleur uit jezelf haalt. Je ziet hoe de psalmist een zwarte schim van zichzelf is geworden, zijn armen hulpeloos ten hemel geheven, tastend als een blinde. Terwijl tegelijk hij ook zelf het donker in lijkt te vluchten. Want dat is het verraderlijke van verdriet en pijn: het stuurt je gedachten en gevoelens de donkere kant op, waardoor je steeds verder het donker inloopt en verdwaalt. Maar dan is er die lichte vriendelijke hand op je schouder van die doorschijnende figuur achter je, die het licht van boven doorlaat: ‘Hier, kijk om, je kijkt de verkeerde kant op, hier is het licht van God dat in het donker schijnt, tot in de diepste nacht!’

En dan blijft de psalm. God ziet jou, waar je ook mee worstelt. Hij is erbij! Dat is geen dogmatische uitspraak van een theoloog, dat zijn woorden van iemand die het zelf heeft ervaren. Dat laat zich niet afdwingen. Dat vindt een mens soms in gebed. Of in een reddende engel, een ander mens. Het is een genade. Je kan je er alleen verlangend en biddend voor open stellen. Door deze psalm regelmatig te lezen en tot je te laten komen en je vertrouwen verder op te bouwen.

Amen

ds Peter Korver