Overweging en doop Madeleine

Bij de doop van Madeleine – zondag 12 mei 2019

De Italiaanse schrijver Dante Aligheiri zei in de veertiende eeuw: drie dingen uit het paradijs zijn voor ons behouden gebleven: de sterren van de nacht, de bloemen die we overdag mogen zien en de ogen van kinderen.

Drei Dinge sind uns aus dem Paradies geblieben:
die Sterne der Nacht,
die Blumen des Tages
und die Augen der Kinder.

Dat zijn de dingen die ons elke dag blij kunnen maken en ons verbinden met het goede, met dat wat hoort bij de nog ongerepte, nog niet bedorven wereld, met het paradijs. Het paradijs is volgens de joodse, christelijke en islamitische overlevering een oord waar het leven heerlijk is, waar overvloed heerst en geen ziekte, rampspoed of dood bestaat. Het is het lustoord waar Adam en Eva leefden vóór de zondeval, voordat het helemaal fout ging.

Kinderen horen voor de meesten van ons bij het paradijs, bij die gelukkige oerstaat. Bij het ongerepte begin, als het kwaad nog geen vat op je heeft gekregen, als je nog onbezorgd blij kan zijn. Als we zo’n klein mensje in de ogen zien, als we het in de armen houden of om ons heen zien dribbelen, dan worden we herinnerd aan kostbare dingen, zoals de onbekommerde blijheid, vreugde om het leven zelf, puurheid, zuiverheid. De ontvankelijkheid, een kind staat open voor wat op hem of haar afkomt. Dat doet ons volwassenen goed, omdat wij inmiddels die houding verloren hebben als gevolg van onze ervaringen met de harde kanten van het leven. Wij hebben teleurstellingen moeten verwerken, wij weten dat je niet altijd op anderen kunt vertrouwen, we weten van pijn en van eindigheid. Maar een kind verbindt ons met wat blij maakt en met wat toekomst geeft. De Indiase dichter en mysticus Rabindranath Tagore sprak dan ook zo’n honderd jaar geleden: ieder pasgeboren kind brengt ons een boodschap dat God zijn vertrouwen in de mensheid nog niet verloren heeft. Jedes neugeborene Kind bringt die Botschaft,
dass Gott sein Vertrauen in die Menschheit noch nicht verloren hat.

Maar is ieder kind ook geen uiting van het vertrouwen dat gewone mensen ondanks alles hebben en houden in de toekomst? Wie zou een kind op deze wereld willen zetten als hij of zij de overtuiging was toegedaan dat dit kind weinig uitzicht op geluk en voorspoed zou hebben? Als we zo’n klein mensje in de ogen zien en om ons heen meemaken, dan worden we herinnerd aan kostbare dingen, zoals de pure blijheid om het leven zelf, puurheid, zuiverheid, ontvankelijkheid, onschuld, tederheid die wij inmiddels grotendeels verloren hebben als gevolg van onze ervaringen met de harde kanten van het leven. Die hebben ons noodgedwongen rationeler, voorzichtiger en argwanender gemaakt. Een kind willen we daarom koesteren. Het is een stukje van onszelf, het laat het kind in onszelf weer opbloeien. Met elke geboorte begint het leven weer opnieuw, met nieuwe kansen.

Voor onze kinderen willen we het beste. We geven ze graag onze zegen mee. Dan spreken we goede woorden tegen ze: dat het je goed mag gaan mijn kind, dat je leven vervuld mag zijn van liefde, dat je je dromen mag waarmaken. Dan omhelzen we ze.  En tegelijk weten we dat onze zegen alleen niet voldoende zal zijn. Dat we ze graag onder de bescherming van een hogere macht zouden kunnen stellen.

En daarom brachten toen, zoveel eeuwen geleden, ouders hun kinderen al tot Jezus, ‘opdat hij ze zou aanraken’. Geraakt worden door goddelijke kracht. Maar de leerlingen bestraften hen.

Waarom? Waarom zo hardvochtig tegen die vaders en moeders die zo graag willen dat de man Gods hun kinderen aanraakt en zegent? Is het geloof dan alleen voor volwassenen? Jezus ziet dat zijn leerlingen met hun beste bedoelingen weer de plank misslaan en wijst ze terecht: Laat de kinderen tot mij komen, houd ze niet tegen, want juist voor zulke kinderen is het koninkrijk van God. Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.  Lasset die Kinder zu mir kommen und wehret ihnen nicht, denn solchen gehört das Reich Gottes.  Und er herzte sie und legte die Hände auf sie und segnete sie.

Het koninkrijk, Gods nieuwe wereld, is niet óók voor kinderen, het is bij uitstek iets voor kinderen. En voor volwassenen die als een kind worden. Een kind is nog geheel  en al op ontvangen aangewezen. Vol verwachting klopt zijn, haar, hart. Een kind bekommert zich niet om macht en rijkdom en heeft nog niets om zich op te beroepen. Onbezorgd is een kind, want vader en moeder zorgen en zullen dat ook morgen doen. Je houdt van een kind, eenvoudig omdat het er is.

Voorwaar ik zeg U, wie Gods nieuwe wereld niet ontvangt als een kind, komt er beslist niet in. Een mens moet dus ingrijpend veranderen, wil hij kind van God worden. Je moet afzien van grotemensenverlangens naar rijkdom en macht. Je moet de kinderlijke eenvoud zien te hervinden. Je moet je grootheidsfantasieën opgeven voor een ander gevoel, namelijk dat je met al je zwakheid en al aanvaard bent, dat er van je gehouden wordt, eenvoudig omdat je er bent. Het is Jezus’ geloof dat ‘de kinderen van deze aarde’, de ‘kleinen’, de armen, de zieken, de kwetsbaren, de echte lievelingen van God zijn.

Madeleine, die straks de doop ontvangt, draagt een naam die afgeleid is van Magdalena, de Maria die afkomstig was uit Magdala, aan het meer van Galilea. Die Evangelisten erwähnen sie als Begleiterin Jesu und Zeugin der Auferstehung. Jesus trieb ihr sieben Dämonen aus.  Een vrouw die leed onder demonen, boze geesten en daarvan bevrijd werd door Jezus. Jezus was er voor haar in haar diepste ellende. En zij was er voor hém in zijn diepste nood. Zij stond onder het kruis. En zij was de eerste getuige van zijn opstanding, zoals hij haar eerder deed opstaan uit haar gekwelde bestaan.

Madeleine’s tweede naam is Amalia, van Amal, de naam van haar moeder. Die naam betekent inspanning, dapper maar ook teder. Ihr zweiter Vorname ist Amalia.  Dieser Name bedeutet  Anstrengung, mutig aber auch zärtlich.

We willen Madeleine en alle kinderen graag beschermen tegen alles wat hen kwaad doet. We zien niet graag dat zij lijden of verdriet hebben. We hopen zo dat zij in vrede en geluk met anderen zullen leven en dat zij een bijdrage leveren aan een betere wereld. En we weten ook dat wij zelf daar maar in beperkte mate voor kunnen zorgen. Ja, wij omringen hen met liefde en geven hen daarmee vaste bodem onder de voeten, basic trust, basisvertrouwen. Maar het zal niet voldoende zijn. Want wij kunnen er niet voor altijd voor ze zijn. En niet overal en in alle situaties. En er zullen problemen komen die onze macht te boven gaat. Dan is het goed je geborgen te weten in een hogere macht, het besef deel uit te maken van iets dat veel groter is dan onze werkelijkheid. Dat er iets is als een goddelijke liefde die met jou gaat, zowel in goede als in kwade dagen. Daarom mogen kinderen de doop ontvangen. Ze kiezen daarmee nog niet voor iets, dat doen hun ouders. Die geven ze in de doop een belofte en een teken mee: jij bent ons kind, wij zijn er voor jou, je kan op ons rekenen. Jij bent een kind van God, Hij is er steeds voor jou, op Hem kan je vertrouwen, je leven lang. Een leven in dat vertrouwen, met God, maakt alsof je opnieuw geboren wordt, je schoon gewassen opstaat en kan leven in de geest van God. Straks krijgen jullie, Fred en Ameli, een doopkaars aangeboden. Die is voor Madeleine. Die wordt aangestoken aan de grote paaskaars. Die mag ze later in haar leven, op de bijzondere momenten van grote vreugde of van diep verdriet aansteken en haar herinneren aan het verbond dat God met haar heeft. Op de kaars staat geschreven: Herboren uit water en heilige geest. Zoals Jezus eens sprak:  Wahrlich, wahrlich, ich sage dir: Wenn jemand nicht geboren wird aus Wasser und Geist, so kann er nicht in das Reich Gottes kommen. Voorwaar ik zeg jullie: als je geboren bent uit water en Geest dan kan je het paradijs, Gods nieuwe wereld, binnengaan[i].

Ds. Peter Korver