Overweging: Een vaste burcht is onze God

Voor de vrijzinnigen is deze Kapel een vertrouwde omgeving, een veilige plek. Maar een vaste burcht, van waaruit we ons teweer stellen tegen een slechte buitenwereld? Nee. We stellen ons juist open naar de samenleving en dit gebouw doet in niets denken aan een verdedigingswerk, het is van oorsprong ook maar een koetshuis. De Lutheranen hebben hun vertrouwde gebouw aan de Bergweg. Dat is wel robuuster dan deze Kapel, in uiterlijk veel meer een kerk. Maar geen burcht.

Toen Maarten Luther bijna vijf eeuwen geleden (1523) zijn lied Een vaste burcht schreef, was de kerk wel degelijk een burcht. Niet zozeer de gebouwen, als wel het machtige instituut van de katholieke kerk. De gewone gelovige werd voorgehouden dat hij er een schuilplaats vond tegen de duivel en zijn listen, tegen het kwaad dat overal op de loer lag, maar misschien was het instituut met zijn pracht en praal, zijn ambten, zijn waarheden, zijn gewoontes, zijn bezittingen vooral een burcht voor de machthebbers van die tijd, de geestelijkheid, paus, bisschoppen, priesters die een stevige greep hielden op het leven van gewone mensen. Zij alleen immers konden de bijbel lezen en uitleggen en de genademiddelen, de sacramenten, toedienen, de communie uitreiken, het lichaam van Christus en ze konden je zonden kwijtschenken na een biecht. Zij konden je tot het eeuwig leven brengen en je weghouden van het eeuwig vuur, de hel. Maar niet alle gelovigen konden de kerk als een voor hen veilige burcht ervaren. Ze zagen alle misstanden die er waren. Geestelijken die zichzelf verrijkten, die vooral machtspolitici waren en allerminst vrome christenen.  Die arme gelovigen hun laatste centen afnamen in ruil voor aflaatbrieven, als een soort toegangsticket tot de hemel, die gelovigen met kritische opvattingen vervolgden met een eigen rechtbank, de inquisitie. De kerk was een vaste burcht, ja, voor de machtigen. Maar in de 16e eeuw werd die burcht ineens belaagd. Niet door de ongelovigen of de duivel, maar door een monnik. Maarten Luther klaagde de wantoestanden in de katholieke kerk aan met een document met 95 stellingen. Hij zou ze tegen de deur van de kerk in Wittenberg hebben gespijkerd. Het zou het begin van het protestantisme worden.  De vaste burcht die het instituut van de katholieke kerk steeds was geweest begon te kraken en scheurtjes te vertonen. En toen schreef deze monnik in 1520 een opstel, een traktaat met de titel ‘Over de vrijheid van een christen’. Hij stuurde het naar de paus, Leo X, en hij liet het drukken. De drukpers was uitgevonden, ideeën konden zich razendsnel verspreiden. Wat hij schreef was een bedreiging voor de macht van de katholieke burcht. Ten eerste stelde hij dat niemand (ook de kerk niet) over de gelovige mag heersen. Luther legde de nadruk op het belang van persoonlijk geloof. Elk mens is persoonlijk verantwoording schuldig tegenover God en moet een persoonlijk geloof hebben om deel te hebben aan het heil. Daar hoeft niet een priester tussen te komen. Een mens is geboden naar zijn geweten te luisteren en daar meer gehoorzaam aan te zijn dan aan kerk en staat. Iedereen is voor God gelijk. De boodschap dat iedereen gelijk is, was revolutionair in de standenmaatschappij van toen, waar mensen keurig ingedeeld waren van hoog naar laag, de adel en geestelijkheid, vrijen en lijfeigenen. Ook de gedachte dat er momenten konden zijn dat je niet de kerk en niet de keizer, maar je geweten moest volgen, was bedreigend voor de macht van kerk en staat. En Luther stond voor zijn zaak. Hij daagde daarmee het gezag uit. Die kon deze zich snel verspreidende gedachten niet negeren. De opvattingen van Luther mochten niet uitgedragen worden, ze mochten niet bestaan. Al enkele maanden later worden de boeken van Luther in Leuven op de brandstapel gegooid, hijzelf nog net niet.

Voor Luther was de wereld bedreigend. Omwille van de waarheid, omwille van de vrijheid van een christen, bleef hij spreken. Het had hem gemakkelijk zijn leven kunnen kosten. Luther is niet alleen een geloofsheld voor de Lutheranen. Dat is hij voor alle protestanten, dat is hij voor vrijzinnigen. Voor de hier verzamelde vrijzinnigen noem ik nog eens waar deze reformator òns in voorging: Niemand mag heersen over het geloof van een ander. Het gaat om persoonlijk geloof. Je moet je het persoonlijk eigen hebben gemaakt en niet zomaar op gezag van anderen iets nazeggen. Je moet je geweten meer gehoorzaam zijn dan de kerk of de overheid. En wat vrijzinnigen en Lutheranen ook delen is de oriëntatie op Erasmus. Die was kritisch op wat de kerk ervan maakte, hij ging terug naar de bron, zélf lezen, zelf studeren op wat er eigenlijk staat in de bijbel. Hij maakte een kritische bronnenuitgave van het Griekse nieuwe testament. Dat gebruikte Luther voor zijn vertaling in gewoon Duits. De geest van studie, denkend geloven en gelovig denkend, de geest van vrijheid en verdraagzaamheid van Erasmus is het startpunt geweest van de vrijzinnige traditie in het christendom.

Voor ons, Lutheranen en vrijzinnigen nu, is de wereld niet bedreigend zoals die was voor Luther. Er is vandaag de dag helemaal geen moed nodig om te zeggen dat je Lutherse of vrijzinnige opvattingen hebt. Hooguit kijkt men je wat meewarig aan als je zegt dat je nog naar de kerk gaat.

We zijn dan ook geen bedreiging voor de hedendaagse machten. Wij laten mensen met andere overtuigingen met rust en worden zelf met rust gelaten. Wie moeten zich in onze tijd ontworstelen aan de greep van de kerk? Onze kinderen hoeven zich niet meer af te zetten, de samenleving ook niet. Die is door en door geseculariseerd. De tijd dat de kerk de moraal voorschreef als het ging om seks, huwelijk, het krijgen van kinderen en het levenseinde, die is voorbij. De tijd dat christelijke politieke partijen, vakbonden en omroepen bepaalden hoe het land bestuurd werd, die is voorbij.

Toch is de wereld ook voor ons dreigend, maar dan in ander opzicht. Net als voor zovele niet gelovige mensen. Het houvast van een zeker geloof heeft ons verlaten. Wij komen nu naar de kerk met onze kwetsbare binnenkant . Hier ben ik, een mensje dat het ook allemaal niet meer zo zeker weet, hier ben ik, met alle butsen die ik aan het leven heb opgelopen. Hier zijn wij, we zoeken elkaar op en steunen elkaar in de kwetsbaarheid die we van elkaar herkennen. Je dochter heeft een burn out? Mijn zoon ook? Jij maakt je nerveus, omdat je je niet goed voelt en een operatie moet ondergaan? Dat maak ik ook mee, en in mijn familie en vriendenkring. (…) Hier zijn wij, en wij maken ons zorgen over waar het met de aarde heen moet en of er toekomst is voor onze kinderen.

Het is niet vreemd dat de remonstranten onder de bezielende leiding van prof. Christa Anbeek de laatste jaren een theologie van de kwetsbaarheid aan het ontwikkelen zijn.  Voor mensen die zich afvragen waar ze nog steun vinden, vertrouwen om het leven aan te kunnen. Want we zitten met elkaar in een open samenleving, onder die open hemel en ontlenen onze waarheid en zekerheid aan wat we vinden op internet, onze smartphones, IPads en PC’s, waarvan we weten dat ze ons geen echte bescherming en troost zullen bieden.

Niet zo lang geleden deelden mensen de kwetsbaarheid van het leven intensiever met elkaar. De mensen met wie je in hetzelfde buurtje woonde en op wie je altijd een beroep kon doen, de kerk waar je bij hoorde, de collega’s met wie je soms wel dertig jaar samenwerkte, je huwelijk dat ondanks ups-and-downs een basis onder je leven was, de kinderen en kleinkinderen die op nabije afstand bleven wonen… Veel van die warme nabijheid heeft plaats gemaakt voor een veel individualistischer leven en voor contact via beeldschermen en tekstberichtjes.

In onze gemeentes kunnen we gelukkig nog wel praten over wat ons bezig houdt. Daar sterken we elkaar wel in vertrouwen en geloof. Misschien is het wat overdreven om te zeggen dat de gemeente een vaste burcht voor ons is, maar toch wel een gastvrije herberg. Misschien is ons innerlijk vertrouwen, ons persoonlijk geloof, niet rotsvast, geen vaste burcht waar we ons bij alle wisselvalligheden in verschuilen kunnen, maar toch kunnen we een troostrijke en bemoedigende omgang opbouwen met het wonder, het mysterie dat onder ons leven ligt. Die Ene, de Eeuwige. Onze verborgen omgang met Hem, Haar, met het Mysterie. Dat oefenen we in, met elkaar, op een gewone plek als deze zaal van De Kapel of de kerk aan de Bergweg.

Het Luther-lied en de psalm zeggen nog heel stoer: Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende, zegt tegen de Eeuwige: Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u vertrouw ik.  (Ps. 91 : 2).

God zelf dan een burcht, een vesting? Het is ook maar een metafoor, een vergelijking. God is op het ene moment voor ons dat fort dat we nodig hebben om het leven aan te kunnen, waar je heen kan vluchten en waar je bescherming krijgt. Op andere momenten zijn er andere metaforen die ons beter helpen om ons veilig en geborgen te voelen. Bijvoorbeeld dat van een Vader in de hemel of een herder. Of van een moeder, Maria, de moeder Gods. Al die beelden kunnen op een bepaald moment helpen, aan al die beelden zit een tekort, omdat God nu eenmaal nooit te vangen is in welk beeld dan ook. Het blijft stamelen over een geheim. En misschien hebben we in deze tijd meer steun aan een God die een ‘jij’ voor ons is en die we niet zomaar in onze zak hebben en alleen maar voorzichtig bevragen kunnen. Misschien helpt dan wel dat prachtige lied van Claudia de Breij, van enkele jaren geleden, misschien mogen we dat wel religieus lezen en bidden:

Mag ik dan bij jou schuilen,
Als het nergens anders kan?
En als ik moet huilen,
Droog jij m’n tranen dan?
Want als ik bij jou mag,
Mag jij altijd bij mij.
Kom wanneer je wilt,
Ik hou een kamer voor je vrij.

Amen.

 

ds Peter Korver