Home » Overweging: Diversiteit en godsbeelden

Overweging: Diversiteit en godsbeelden

Als u of ik moeten uitleggen wat De Kapel nu eigenlijk is dan kunnen we in de eerste plaats teruggrijpen op onze officiële naam: we zijn een Vrijzinnige Geloofsgemeenschap. Wat is dat dan? Wat dat vrijzinnige is kunnen we nog het beste uitleggen. Het gaat om vrijheid en verdraagzaamheid, het niet hebben van dogma’s. Maar geloofsgemeenschap? We vormen een gemeenschap, een open gemeenschap, iedereen mag meedoen, je kan lid zijn, maar ook vrijblijvender meedoen, als vriend, als belangstellende, als incidenteel bezoeker van een viering of een cursus. Maar een geloofsgemeenschap? Wat geloven we dan? Daar komen heel uiteenlopende antwoorden op: ik geloof in de zin van het leven, ik geloof in de liefde, ik geloof in God. Voor de een is het noemen van de naam van God het centrum van zijn of haar leven, de ander noemt die naam bij voorkeur niet. Geloofsgemeenschap? Misschien dat velen van ons zichzelf eerder zien als zoekers dan als gelovigen. Geloof klinkt zo alsof het allemaal vastligt? En verschuift je visie op de grote vragen van het leven ook niet voortdurend een beetje?

We zijn een kleine geloofsgemeenschap. En wat is er een diversiteit, een verscheidenheid aan ervaringen en opvattingen. Met elkaar zijn we op zoek naar God in ons leven. Of als je moeite hebt om dat woord te gebruiken: met elkaar zijn we op zoek naar een zinvol leven, naar het mysterie van het bestaan, naar goedheid en liefde. Die diversiteit treffen we ook aan bij de organisaties, de kerken, die in De Kapel samenwerken. Vrijzinnigen Nederland, zeg maar de NPB, die omschrijft zichzelf op de website in wat ze geformuleerd hebben in een missie: Vrijzinnigen Nederland verbindt mensen die inspiratie en zingeving willen delen. Religie, wetenschap, cultuur en natuur inspireren ons. U hoort al: het woord God wordt niet expliciet genoemd. Bij de Remonstranten draait het als we letten op haar beginselverklaring om twee uitgangspunten die bijna even belangrijk lijken te zijn: vrijheid en verdraagzaamheid en het eren en dienen van God. Misschien dat de doopsgezinden zich nog het meest concreet uitspreken. Op de website van de doopsgezinde gemeente Bussum-Naarden lees ik: wij willen een geloofsgemeenschap zijn waar we met elkaar God zoeken en kunnen ontmoeten. God, die tot ons komt in de verhalen van de bijbel. Het leven van Jezus geeft ons richting en inspiratie om, zoals hij, een mens naar Gods beeld te zijn.

In deze diversiteit in de beleving van het mysterie, in de beleving van God, inspireren we elkaar. Ook bij uw eigen voorgangers vindt u die diversiteit terug. Net iets andere accenten, niet iets andere bewoordingen. Ze staan naast elkaar en verbinden zich met elkaar. Zoals in de afbeeldingen op de omslag, zoals in de gedichten en de gedachten die we vanmorgen delen.

Overweging 

Mensen ontmoeten God soms in een ander mens, of in de natuur, of in de bijbel. Maar ook in poëzie en schilderkunst. Dichtregels van de katholieke dichter Gabriël Smit, bekend uit de jaren 40,50 en 60:

Ik ken u niet, ik weet niet wie gij zijt.
Al jarenlang is mij het samenzijn met u vertrouwd;
een vaste troost, geluk en kracht
en vrijgeleide, – zo wonderlijk nabij,
dat uw aanwezigheid mij nauwelijks
onzichtbaar is en ik uw stem
ken als de slagen van mijn eigen hart.
Doch steeds wanneer ik bijna dacht
Uw naam te kunnen noemen,
waart gij veranderd van gestalte en gebaar…

Ik ken u niet, ik weet niet wie gij zijt / Al jarenlang is mij het samenzijn met u vertrouwd.  Het zijn wonderlijke regels, vol innerlijke tegenspraak, maar ze troffen mij, omdat ik ze direct herkende. Als predikant vraag je je wel eens af: waar hebben we het eigenlijk over? God, je ziet het of hem of haar niet, je hoort het niet, is het geen verbeelding, een door mensen bedachte voorstelling, waarvoor geen enkel bewijs te leveren is? En dan geven we er ook nog de hoogste status aan… Ik verdien er mijn brood mee en er zijn mensen die

van mij verwachten dat ze ik ze bemoedig en inspireer vanuit dit begrip. Is dat eerlijk en terecht? Geloof ik er zelf oprecht in? Tegelijk ben ik mijn leven lang, als jong kind al, geraakt door kerk en geloof, onverbeterlijk religieus. Ondanks allerlei rationele overwegingen die mij zeggen dat er geen als persoon voorgestelde god kan bestaan, is er steeds de behoefte om dat iets, dat absolute iets, aan te spreken als een jij, als een u, waartoe ik mij kan verhouden, met wie ik in een dialoog kan treden. ‘Ik ken u niet’. Maar ik gebruik wel het woord u, tot het onbekende spreek ik als tot een iemand, een persoon. En ook al weet ik niet of ik dat rationeel kan verantwoorden, ervaar ik dat ik al een leven lang leef met u.

Een academische studie in de godgeleerdheid heeft mij geleerd steeds kritisch te zijn, de juiste filosofische vragen te stellen en vraagtekens te zetten bij allerlei theologieën. Het rationele denken bracht mij geen stap dichter bij God, maar het was ook nooit aanleiding om mij van God af te keren. Ik ken u niet, weet niet wie Gij zijt en toch, als het erop aan komt, als ik het stuur van mijn leven kwijt ben, maar ook als ik op de toppen van mijn geluk loop, dan roep ik om u, roep ik naar u, u bent een vaste troost, een geluk en een kracht. Niet dat ik u dan zie, maar uw aanwezigheid kan op zekere momenten nauwelijks onzichtbaar zijn, ik zie en ervaar u. Ik hoor u niet, maar ik ken uw stem als de slagen van mijn eigen hart. In de ervaring dat er een Gij is, kan ik ook bidden.

In 1937 schilderde de kunstenaar Tinus van Doorn zijn zelfportret met ekster. Hij was toen 32 jaar. Op de tekenacademie had hij steeds moeite gehad met de academische structuur. Hij zocht naar een manier om niet zozeer de wereld buiten hem goed weer te geven, maar de wereld binnen hem, die wilde hij uitdrukken. Hij was een expressionist, hij zei: ‘Ik streef in mijn werk naar de weergave van de vervreemding en de wonderlijkheid die deze wereld voor mij heeft.’ Zijn schilderijen zijn fantasierijk en kenmerken zich door een zekere intimiteit en kwetsbaarheid, maar ook door een bepaalde dreiging. Hij is in en met de natuur, dieren spelen steeds een rol van nabijheid, hier de ekster en de eekhoorn. Het groen van het bos, het kosmische van de maan. Hij beweegt zich in die wondere geheimzinnige wereld. Hij draagt een schilderspalet, gereed om uit te drukken wat hij innerlijk ervaart. Hij brengt God van binnen naar buiten. Het doet denken aan het dagboek van Etty Hillesum. Binnenin me zit een hele diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden. Of eruit geschilderd worden. Opvallend zijn er op zijn palet alleen lichte en warme kleuren, wit en geel. God openbaart zich soms, onverwacht, soms moeten wij de verborgen God tevoorschijn roepen of tevoorschijn schilderen.

ds. Peter Korver

 


Je kijkt ernaar, niets te zien
noem het: Onzichtbaar
je luistert ernaar, niets te horen
noem het: Onhoorbaar
je grijpt ernaar, niet te pakken
noem het: Onvatbaar.

Deze drie in hun onkenbaarheid
vloeien samen tot het Ene
– vanboven niet licht, vanonder niet donker –
dat zich permanent ontvouwt
om naamloos terug te keren
tot het onstoffelijke zijn:

de vorm zonder gestalte
het beeld zonder beeld, vaag en onvatbaar.
Ga het tegemoet en je ziet zijn gelaat niet
volg het en je ziet zijn rug niet.

Wie zich houdt aan de aloude Weg
kan richting geven aan de dingen van nu.

Het besef van het begin van de dingen
is de leidraad van de Weg.

Daodejing (Tao te king) 14

***

Net als de meesten van u hier aanwezig, is mijn eerste – of mijn oude – godsbeeld vrij traditioneel. De man op de wolk is misschien wat overdreven, maar mijn eerste herinneringen aan een godsbeeld is toch een vaderlijk beeld, wat natuurlijk niet zo gek is gezien het patriarchale taalgebruik in de Bijbel.
Denk maar aan de Vader en de Zoon en het spreken in de ‘hij-vorm’, het mannelijke is belangrijk en prominent.
Toch wanneer we zoeken is in de Bijbel ook de vrouwelijke kant van het godsbeeld te vinden, bijvoorbeeld wanneer er in Jesaja de vergelijking wordt gemaakt met de vertroostende moederborst en het op de heup gedragen worden en gewiegd worden in de schoot. Daarnaast is natuurlijk  Maria in het Christendom, met name bij de Rooms Katholieken, heel belangrijk.
Het godsbeeld uit de Bijbel is een antropomorfisch godsbeeld. Een godsbeeld met menselijke kenmerken, meestal mannelijke kenmerken.
Ik weet nog goed dat bij ons in de toenmalige Gereformeerde kerk de evolutietheorie aan bod kwam, en toch betrekkelijk wat stof deed opwaaien. Ik vond het zo’n mooie en logische uitleg van het scheppingsproces.
Misschien begon daar wel mijn eigen-zinnige, vrij-zinnige weg.

Bij mijn schoonfamilie thuis waren er heel andere gesprekken dan bij mijn eigen familie, waar alles traditioneler was. De Bijbel meer als waarheidsgetrouw in de geschiedenis werd gezien en haar verhalen als letterlijk gelezen.
Het vrijzinnig aspect kwam erin geslopen door de wetenschappelijke inslag waarmee gesprekken werden gevoed en benaderd.
Daarnaast waren mijn man en ik gefascineerd geraakt toen wij een tentoonstelling bezochten over bijna-doodervaringen, reïncarnatie en leven na dit leven. Langzaam begon er in mijn godsbeeld te kantelen.

Door mijn reizen door verschillende culturen heb ik vele godsbeelden gezien en beschreven zien worden. In China en India, binnen het Boeddhisme, Hindoeïsme en Jaïnisme de vele beelden in de tempels.
Door volgers van de drie Abrahamitische godsdiensten; Jodendom, Christendom en Islam vaak als afgodsbeelden beschreven.
Mijn spreektijd hier en nu is te beperkt om hier diep op in te gaan maar, misschien wat kort door de bocht gezegd, zou je je kunnen indenken dat de fysieke beelden van het Boeddhisme en Hindoeïsme, ofwel de meer oosterse religies vergelijkbaar zijn met de 99 schone namen van Allah bij de moslims, de heiligen binnen de Rooms Katholieke kerk of, bij de meesten meer bekend; de in de Bijbel genoemde verschillende beschrijvingen of kenmerken van God.

De beelden uit de oosterse- en de kenmerken uit de abrahamitische godsdiensten proberen vorm en/of woorden te geven aan iets wat te groot is voor woorden, iets wat niet te bevatten is, iets wat we bevroeden maar waar woorden, beschrijvingen en beelden altijd tekort zullen schieten.
Die woorden, het ritme, de beelden – wat mij betreft ook kunst en muziek -, weten iets in ons te raken, iets bij ons in trilling te zetten.
Bij woorden is het misschien vaak zelfs nog meer dat wat tussen de woorden door klinkt, evenals in ritme en muziek of in beeld en kunst. Het is juist datgene wat niet gezegd of verbeeld kan worden wat ons weet te raken. De woorden en de tonen zijn belangrijk, maar het is de stilte die hen omringt die hen kracht geeft.

De stilte waarin alles is ingebed.
De geschreven tekst uit de Daodejing, of de Tao te King, komt uit China en wordt tegenwoordig geplaatst rond 200 voor Christus, maar is ingebed in een veel oudere cultuur en een veel oudere denk- en belevingswereld. Een orale traditie waarin de verhalen mondeling werden doorgegeven.
Deze tekst geeft wat mij betreft heel precies de stilte en de leegte weer – het niets – die zo vol – het alles – aanwezig is.

Je kijkt ernaar, niets te zien
noem het: Onzichtbaar
je luistert ernaar, niets te horen
noem het: Onhoorbaar
je grijpt ernaar, niet te pakken
noem het: Onvatbaar.

Deze drie in hun onkenbaarheid
vloeien samen tot het Ene.

Dit wordt uitgebeeld in het u vast bekende symbool van het Taoïsme, het Yin-Yang teken. Het mannelijke, het wit en het gevende aspect, en het vrouwelijke, het donker en het ontvangende aspect, gevat in de Ene cirkel waarin alles omsloten ligt.

Het geeft wat mij betreft heel goed mijn godsbeeld weer. God is niet te zien, te horen of te vatten en toch is de Ene in alles aanwezig en alles is daarvan doordrongen.

God is voor mij de schilder die niet voor het doek, of tegenover de Schepping staat, maar in het doek. En het doek – de Schepping – al schilderend tot stand brengt. Door u heen, door mij heen, door alles en iedereen.
Wanneer we dat beseffen brengt dit een enorme verantwoordelijkheid met zich mee en laat het zien dat alles en iedereen met elkaar verbonden is.

De schilder, het geschilderde en het schilderen is één.
De Schepper, de Schepping en het scheppen is één.

Monika Rietveld