Overweging: De tien geboden in groen licht

Vorige week maakte iemand de opmerking: volgens mijn dochter hebben drie boeken haar in grote mate beïnvloed: de Bijbel, het kookboek van haar moeder en haar vaders chequeboek.

Dat vond ik een mooi metafoor voor drie belangrijke levensterreinen: dat van onze levensbeschouwing, dat van het praktische leven en dat van onze materiële mogelijkheden.

Een echt boek kan je gedachten verruimen. Hé, zo kun je het ook zien, zo had ik het nog nooit bekeken, dit wist ik nog niet. Je kan ook boeken zoeken die bevestigen wat jij al vond. Die mogen dan woorden geven aan je eigen gelijk en je sterken in je eigen opvattingen.

De bijbel als boek van levensbeschouwing kan je leren hoe je je openen kunt voor het geheim van het leven. Neem psalm 139: “Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.” Je kan aangemoedigd worden met meer compassie voor anderen te leven, neem het verhaal van de Barmhartige Samaritaan, waar je voorgehouden wordt om een naaste te zijn van iemand die in nood verkeert of het verhaal van de Verloren Zoon, dat je een ander die in de fout is gegaan weer in de armen mag sluiten, zonder te oordelen of verwijten te maken. Als je zo hebt leren bijbel lezen kent je leven meer vreugde en ben je een aangenamer mens voor je omgeving.

Je kan in de bijbel ook op zoek gaan naar absolute zekerheden waarmee je houvast vindt bij alle vragen en problemen die je tegenkomt en waarmee je een lat hebt waarmee je de anderen de maat kunt nemen. Je zegt dan tegen jezelf en anderen: Gij zult niet… en: het is Gods wil dat. Dat is een omgang met de bijbel die je verkrampt laat leven en waarmee je de keuzevrijheid van anderen probeert in te perken met jouw normen. Voor de vreugde is minder plaats in je leven en voor anderen kan je dwingend en onaangenaam zijn.

Je kan, zeg maar, in de bijbel geboden vinden, dat wat niet mag en dat wat moet, naast verhalen. En verhalen bieden vaak ruimte, nuances, overwegingen. Zo’n verhaal van de barmhartige zoon is er om de hoorder een nieuw inzicht te geven en dat met behulp van bekende beelden uit het dagelijkse leven.

We weten inmiddels dat de bijbel niet één boek is van één schrijver in één periode geschreven, in één bepaalde stijl, met één visie geschreven, maar een grote verzameling geschriften in heel uiteenlopende tijden, door heel uiteenlopende auteurs geschreven, in heel uiteenlopende stijl met heel uiteenlopende visie. In alweer heel uiteenlopende omstandigheden hebben mensen hun wanhoop en hun hoop, hun angst en vertrouwen, hun geloof en ongeloof, hun verwondering en idealen uitgesproken. De schrijvers brengen daarin tot uiting wat naar hun ervaring, naar hun oordeel, in de lijn van het ultieme, het hoogste, het eeuwige, van God ligt. Ze laten naar eer en geweten door henzelf God spreken. Maar de ene meent dat God dit wil en een ander dat God dat wil. In de ene tijd, bij de ene auteur vind je dat het Gods wil is dat een overspelige vrouw gestenigd wordt. In een andere lezen we dat Jezus geen oordeel wil uitspreken en dat ook van anderen vraagt: Wie van jullie heeft nooit iets verkeerds gedaan? Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen.[i]  We vinden allerlei voorschriften die goed zullen zijn geweest voor nomaden, boeren en kooplieden van 25 en voor 30 eeuwen geleden, maar die geheel buiten onze wereld staan. Tegelijk komt een aantal van de grote problemen van deze tijd in het geheel niet aan de orde. De ethische vragen rond leven en dood, van abortus en euthanasie, de kernbewapening, de industrialisering en digitalisering en hoe wij daar mee moeten omgaan: de bijbel kan er uiteraard niets over zeggen. En dat geldt in ultimo voor het grootste probleem dat zich steeds meer en meer zich aan ons opdringt: de opwarming van de aarde, de klimaatsverandering, de uitputting van de aarde. In de bijbelse tijd is de natuur de baas over de mens, en wilde dieren vormen een gevaar. Nu is het omgekeerd. De aarde kreunt en steunt onder het overmatige gebruik, het misbruik, dat wij van haar maken. Wij zijn een bedreiging voor al het andere leven, zowel de wilde dieren als de insecten. Wie hebben wij nog boven ons, naar wie moeten wij luisteren, van wie zijn wij afhankelijk? Wetenschap en techniek lijken ons almachtig te maken. Langzaam aan weten we beter. De natuur kunnen we niet helemaal naar onze hand zetten. We zijn afhankelijk van de aarde. We zijn maar een klein onderdeeltje van het totale leven, we heersen niet over bomen, water, vogels, insecten, we vormen met hen één groot, onderling afhankelijk systeem.

U begrijpt: voor het vinden van directe antwoorden op je levensvragen is het boek der boeken niet geschikt. Je blijft zelf verantwoordelijk voor de keuzes die je maakt. Je vindt er wel veel ter overdenking. Sommige gedachtes zal je verwerpen, andere zullen je inspireren. Tot die laatste categorie behoren meestal de poëtische teksten, de gedichten, zoals het gedicht dat het scheppingsverhaal is, of enkele psalmen: De Heer is mijn herder, God zorgt voor mij. Tot die categorie behoren verhalen, gelijkenissen, die je met vriendelijke hand leiden naar verruimende inzichten van compassie.

Maar waar wij en veel mensen van onze tijd en onze vrijgevochten en geïndividualiseerde tijd tegenaan hikken, zijn de geboden. Dat anderen ons vertellen wat mag en wat niet mag, wat goed is en wat slecht. De weerstand die je voelt als ergens een bordje staat: verboden toegang, verboden te roken, verboden te fotograferen. De eerste opwelling van veel mensen: dat maak ik zelf wel uit. In de joodse traditie zijn er uit de heilige geschriften 613 mitswot, op een rijtje gezet. Wat moet en wat niet mag op alle terreinen van het leven: in relaties, met seksualiteit, met eten, de spijswetten, de omgang met vreemdelingen, de behandeling van arme mensen, zakelijke praktijken. Je gaat Gods weg als je deze regels nauwgezet in de praktijk brengt. In het Nieuwe Testament heet het dan ook dat mensen eerst gebukt gingen onder de wet, maar dat Christus ons daarvan bevrijd heeft. Maar ook het christendom heeft een traditie van regels en geboden ontwikkeld. God wil niet dat je op zondag fietst, God wil niet dat je ongehuwd samenwoont, Hij verafschuwt het homo-huwelijk, je mag op vrijdag geen vlees eten, je moet op zondag naar de kerk. Allemaal regels soms bedacht door bijbelschrijvers, soms door functionarissen van de kerk en steeds voorzien van het etiketje: dit is wat God wil.

En centraal daarbij staan natuurlijk de Tien Geboden. Volgens het tweede bijbelboek, Exodus, was het Mozes, die zijn volk uit de slavernij van Egypte had geleid en nu met hen in de woestijn verkeerde, op weg naar beloofd land, die op de berg in de Sinaïwoestijn, op twee platte stenen, op stenen tafelen, tien geboden kreeg. Wij lezen ze als geboden en verboden, maar met elkaar zijn ze woorden die ons een goed leven mogen geven, een levenswijzer.

De KRO heeft, alweer veertien jaar geleden, een poging gedaan om zijn rooms-katholieke identiteit in een hedendaags jasje uit te dragen. In tv- en radiospots, op billboards en op internet liet de omroep de bijbelse leefregels zien en klinken als positief geformuleerde beloften in plaats van dwingende geboden. De Tien Geboden of Tien Woorden werden in de campagne vertaald in hedendaagse begrippen of, zoals de KRO ze noemt, ‘beloften’. Met die campagne wilde de KRO mensen aan het denken zetten, laten zien dat het oude gedachtegoed nog niets aan actualiteit heeft verloren, (…) Geen bevel van bovenaf, maar een appèl op iedereen, om ‘beloften’ te doen, beloften ten opzichte van jezelf, je medemens, je schepper.

Wat gebeurt er als we de tien geboden op een groene manier gaan beschouwen, als we ze als positieve beloftes bekijken in het licht van de zorg om onze aarde? Kan de bijbel ons zo inspireren bij een probleem dat er toen niet was en nu heel dringend aanwezig? Belofte 1: God is er. Niet ik ben de hoogste norm, niet de mensheid met zijn ambities, maar we zijn afhankelijk van iets of iemand die boven ons uit gaat, die de eigenaar de schepper is. Dat vervult mij zo vol ontzag dat – belofte 2 – ik eerbied heb voor dat wat mij zo enorm overstijgt. De tijd is niet van mij, die is mij gegeven en – belofte 3 – ik mag deze dag beleven en er iets goeds mee doen. Ik ben een gast op deze aarde, die niet van mij is. Ik mag er even zijn, ik sta in de lijn van geslachten, en met mijn komaf, mijn ouders, mijn voorgeslacht, blijf ik – belofte 4 – verbonden en dat ben ik ook met wie na mij komen en van wie dit gasthuis, deze aarde ook is en die ik daarom zo goed mogelijk, zo duurzaam mogelijk, moet doorgeven. Want, om met Albert Schweitzer te spreken, ik ben leven dat leven wil, te midden van ander leven dat leven wil – belofte 5 – en daar heb ik eerbied voor het leven. Ik ben verbonden met deze aarde, met deze mensen, zij zijn afhankelijk van mij en ik van hen en daarom is het goed – belofte 6 – dat zij op mij kunnen rekenen zoals ik graag op hun reken. Ik ben tevreden, want de aarde geeft mij alles wat ik nodig heb en daarom – belofte 7 – neem ik niet meer dan nodig is en ontneem dus niets dat aan een ander toekomt. Ik wil ieder tot zijn recht doen komen, aarde, dieren en medemensen en daarom – belofte 8 – ben ik eerlijk. Ik houd van de aarde, van andere mensen en daarom – belofte 9 – zal ik geen misbruik van ze maken, ze niet bezoedelen, maar ze zuiver en goed behandelen. Er is alle reden om niet rancuneus, niet verongelijkt in het leven te staan, want alles wat ik nodig heb biedt deze aarde mij. Daarom beloof ik dankbaar te zijn…

ds. Peter Korver