Home » Overweging Carel ter Linden 1 mei 2016

Overweging Carel ter Linden 1 mei 2016

Lezen: Genesis 3: 1-10; Lucas 19: 1-10 

ZacheusJa gemeente, wat bezielde die man, Zacheüs, oppertollenaar van Jericho, om zijn huis uit te gaan en zich te mengen onder de mensen die waren uitgelopen om Jezus te zien, die Galilese rabbi, van wie men zei dat hij op weg was naar Jericho? ‘Wat doe jíj hier?’, zullen ze gezegd hebben, waardoor hij zich nog kleiner zal hebben gevoeld dan hij van nature al was. Maar daar moet hij aan gewend zijn geraakt, dat hij er niet meer bij hoorde, bij zijn eigen volk. Dat kwam door zijn beroep van belastingsambtenaar. De tollenaar hief de wegenbelasting bij bruggen en stadspoorten, bij kruispunten en openbare markten. En daarnaast berekende hij invoerrechten, bestemd voor in- of doorvoer van de ene stad naar de andere. De tolheffers waren verplicht jaarlijks een bepaalde som aan de Romeinen af te dragen. Zij moesten maar zien hoe zij daar aan kwamen. Dat maakte alleen al dat een tollenaar geneigd was meer te vragen dan hij mocht vragen, uit angst niet aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Afgezien nog van de verleiding om er zelf ook iets extra’s aan te verdienen.

En Zacheüs deed het al jaren, en het had hem geen windeieren gelegd. Hij had er dik aan verdiend. En hij had het kennelijk in de ogen van de Romeinen goed gedaan, want hij had nu de supervisie over alle douaniers van Jericho gekregen. Maar hoe rijker hij werd, des te armer werd hij aan vriendschappen, want hij hoorde nu nergens meer bij: bij zijn volk niet, dat hem wantrouwde en vol afgunst bekeek. Voor het volk stond hij aan de kant van de Romeinen. En voor de Romeinen bleef hij een jóód, op wie zij nooit helemaal konden rekenen. En zo leefde hij al jaren in een isolement. Misschien zelfs daarvóór al, want hoe word je tollenaar? Dan moet je veel eelt op je ziel hebben, en misschien past het wel bij je karakter om weinig behoefte te hebben aan vrinden. Misschien zat het in zijn genen, en zat zijn vader ook al bij de douane, wie zal het zeggen?

Ja, wat bezielde deze man om zijn kassiershuis op slot te doen en de straat op te gaan en zich tussen al die mensen te mengen, die een plaatsje zochten langs de weg, stadsgenoten die natuurlijk geen stap voor hem opzij gingen? En Zacheüs liep achter al die hoge ruggen langs en zocht een plekje waar hij wat kon zien, maar er was geen doorkomen aan. En dan ontdekt hij een vijgenboom en daar klimt hij in. Hier, onder dit dichte bladerdak, zag niemand hem bovendien.  Maar híj kon alles zien.

Gemeente, wat zocht hij? Was er toch iets in hem blijven smeulen van een verlangen naar een ander leven? Had hij al eerder van deze Nazarener gehoord, had hij flarden van woorden van hem opgevangen? ‘Verzamelt u geen schatten op aarde… Niemand kan twee heren dienen, je kunt niet God dienen én de geldgod, de Mammon… Gelukkig zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zíj zullen verzadigd worden…’

Zijn het zulke woorden geweest die in Zacheüs het verlangen hebben gewekt deze onbekende rabbi te ontmoeten? Want er moet toch het nodige aan vooraf zijn gegaan, een mens raakt niet van de ene dag op de andere bekeerd, daar moet zoiets als een proces van jaren zijn geweest, dat Zacheüs met meesterschap heeft verdrongen en voor de buitenwereld verborgen gehouden. Maar ineens komt het naar buiten als een ondergrondse ader van water die bedolven onder metershoog zand en puin al tijden wacht om ontdekt te worden. En de stroom is niet meer tegen te houden.

‘En zie’, zo begint het verhaal, er was een man, Zacheüs geheten…’ Eigenlijk staat er: ‘er was een man met de naam Zacheüs geroepen. En ‘Zacheüs’, gemeente, betekent de reine, de zuivere. Alsof Lucas zeggen wil: een man, nota bene met de naam de zuivere geroepen…’

Ja, een naam kan in een mensenleven zoek raken. Ooit, gemeente, is er een naam over u en mij uitgesproken. In Israël gebeurde dat op de achtste dag na de geboorte van een zoon. Dan werd het jongetje besneden en daarmee met huid en haar met God verbonden. En dan riep de vader de naam van het kind. Zoals wij dat nog altijd doen bij de doop, dan ontvangt het kind zijn of haar naam. Een naam – al zijn wij ons dat niet altijd bewust – die iets betékent, die een opdracht is, die een mens zijn bestemming aanwijst. Waar allerlei verwachtingen mee zijn verbonden.

‘En zie, een man met de naam Zacheüs geroepen…’

En nu zit hij daar zo’n beetje op zijn veertigste verscholen in het bladerdak, bang en nieuwsgierig tegelijk, als een kind dat zich verstopt heeft en niet gezien wil worden. In ieder geval niet door de mensen – maar misschien wel door God, door iemand die door onze buitenkant héén kan zien, die ons aanziet niet op wat wij geworden zijn – door onze schuld, of soms ook buiten onze schuld – maar die mij aanziet op wie ik heimelijk zou willen zijn… Want ooit wilde ik ‘zuiver’ zijn, schoon van handel en wandel. Maar mijn handen zijn niet schoon meer. En ik zou mijn leven wel over willen doen, maar dat kan niet meer. Ik zou u misschien wel tegemoet willen treden, o God, maar dat durf ik niet meer, en ergens wil ik het ook niet, ik kan en wil mijn zelfingerichte leven niet echt opgeven. En ik houd mij voor dat het ook niet eerlijk is, om nu ineens principieel te gaan doen, en bij God om hulp aan te kloppen, die ik immers al die jaren genegeerd heb.

‘Nee, wij trouwen niet in de kerk, al zou ik dat misschien best willen, maar ik ga immers nooit en is het dan niet een beetje hypocriet om dat bij je huwelijk ineens wél te gaan doen?’ Vreemd is dat: wij zoeken God en wij mijden hem tegelijk. Ik wil het wél en ik wil het niét, en daardoor kan ik het ook niet, het is om gek te worden.

Zoiets moet er met Zacheüs aan de hand zijn geweest. Het was nooit zover gekomen, als hij die morgen maar gewoon thuis was gebleven. Maar dat was het ’m kennelijk, dat kon hij niet meer… En daar zat hij nu, onzichtbaar voor de mensen, verborgen achter de bladeren, als eens Adam in het struikgewas, verschanst in zichzelf, verborgen voor God.  Zacheüs wilde dat hij nooit van huis was gegaan, en hij hoopt vurig dat niemand hem in deze belachelijke situatie, in deze vreemde uitkijktoren ziet. Maar hij kan nu ook niet meer terug.

En toen was het allemaal in een oogwenk gebeurd. Een golving door de rijen, geroep, applaus, een groepje dat tussen de mensen door liep en naderbij kwam. En o God, daar heb je hem. Dat moet hem zijn. Als hij mij nu maar niet ziet. Hij loopt gelukkig door. Nee, hij loopt niet door…Hij kijkt, hij kijkt omhoog. Alsof hij mij zoekt. O God, nee!

‘Zacheüs!… kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis zijn…’

‘Zacheüs!…’ Ja, dat is mijn naam. Althans, dat wás eens mijn naam. Dat had mijn naam kunnen zíjn. Hoe kent die man mijn náám?

Grote verbazing bij de omstanders. Maar geen spoor van verbazing kennelijk bij die vreemdeling. Alsof deze er helemaal op gerekend had hem daar in die boom aan te treffen. Alsof die twee voor elkaar bestemd waren. Alsof het Jezus in heel Jericho enkel en alleen om Zacheüs te doen was. En alsof Zacheüs zijn leven lang hierop heeft zitten wachten. Alsof er nog een ander leven in hem schuilging, als een ongeboren mogelijkheid. Een heimwee dat nooit helemaal gedoofd was. Een heimelijk verlangen, dat hij nog eens één keer opnieuw zou kunnen beginnen. Dat zijn leven niet helemaal verloren was.

En Zacheüs kan niet anders doen dan tevoorschijn komen. En eenmaal beneden gaat hij die ander – ja kon hij anders? –  voor naar zijn huis. ‘Met blijdschap’ staat er…alsof hij hier járen op had gewacht. En zo ging Jezus met hem, tussen al die verbaasde mensen door, het beruchte huis binnen.

De verontwaardiging, het onbegrip was niet gering. ‘Hij is bij een slecht mens naar binnen gegaan!’

Maar wat weten zij daarbuiten veel van wat daarbinnen gebeurt?

Vreemd, gemeente, die twee zijn binnen nauwelijks gezeten, of Zacheüs neemt het woord, nog voor Jezus iets heeft gezegd… Hij staat óp – staat er veelzeggend – en zegt: ‘Zie, de helft van mijn bezit, Heer, zal ik aan de armen geven, en als ik iemand iets heb afgeperst, dan vergoed ik het hem viervoudig…’

Ja, dat is een andere Zacheüs, die daar ‘opstaat’. Buiten mort het volk, daar verklaren ze hem dood – en daarbinnen vindt een opstanding plaats… Vreemd, Jezus hoeft niets te zeggen…

Dat had gekund, dat Jezus gezegd had: ‘Zacheüs, wat ziet het er hier allemaal rijk en deftig uit! Jammer jongen, dat het grotendeels gestolen is. Of ik wil gaan zitten? Eerlijk gezegd, liever niet. Zie je, ik zit liever niet op een gestolen stoel…’

Nee, Jezus zegt niets. Alsof hij zeggen wil: Zacheüs, zeg jij nu maar wat er moet gebeuren. Jij bent toch niet voor niets in die boom gaan zitten? Jij keek naar mij uit. Ja toch? Je kijkt al jaren naar mij uit, is het niet? Nee, Jezus hoeft niets te zeggen. Het is Zacheüs die het woord neemt.

Ja, dat is een andere Zacheüs die daar opstaat. Maar dat kwam allemaal door die ene. ‘Wie een mens veracht’- zei ooit Bonhoeffer – ‘zal nooit iets met hem kunnen beginnen.’ En Bonhoeffer voegde daaraan toe: ‘Wij moeten leren de mensen aan te zien, niet zozeer op hun doen en laten, als wel op hun lijden.’ Zo moet Jezus die man hebben aangezien. Niet op zijn doen en laten, maar op zijn eigenlijke zelf, dat daarachter schuilging. Dat zélf, dat zo graag anders wou, maar niet anders meer kon.

‘Als ik iemand iets heb afgeperst…’ Onthullend zinnetje. Want daar heeft die ander niets van gezegd! Nee, dat is Zacheüs die dat zegt. Hijzelf gebruikt dat woord, dat hij al jaren niet in zichzelf heeft toegelaten, maar dat hij in de nabijheid van deze man Gods, die hem bij name schijnt te kennen, niet meer kan verzwijgen… ‘Als ik iemand iets heb afgeperst… Zie de helft van mijn bezit zal ik aan de armen geven…’  ‘Heer’, zegt hij tegen de vreemdeling. Alsof hij wist dat hij stond als tegenover God zélf…

Zacheüs staat tegenover God en begint een nieuw leven. Hij kan als het moet ook met de helft van zijn bezit toe. Hij wil zelfs méér doen dan een rechter volgens de joodse wet bij afpersing de dader zou voorschrijven. Dan moest men het afgeperste bedrag éénmaal vergoeden, met een boete van twintig procent erboven op. Zacheüs verbindt zich hier om te doen wat men moest doen als men van iemand een diér, een stuk kleinvee, had geroofd, en geslacht. Dan moest men dat viervoudig vergoeden. Met andere woorden: Zacheüs bestempelt zijn eigen doen en laten niet zomaar als afpersing, maar als róóf. ‘Zie de helft van mijn bezit, Heer, zal ik aan de armen geven. En als ik van iemand teveel heb gevraagd, zal ik het… viérvoudig vergoeden.’

En als Jezus afscheid heeft genomen en met hem naar buiten loopt, zegt hij tegen Zacheüs voor het oog van de samengestroomde menigte: ‘Vandaag is aan dit huis redding geschonken… Want ook hij is een zoon van Abraham…’ Alsof Jezus  daarmee tegen de omstanders wilde zeggen:  Hij is voor ons volk niet verloren gegaan. Heeft God niet tegen Abraham gezegd: ik zal jou zegenen en jij zult tot een zegen zijn…? Welnu, dat alles heeft Zacheüs verstaan…

Er staat niet dat Zacheüs na zijn ontmoeting met Jezus naar de Romeinen is gegaan om zijn functie ter beschikking te stellen. Hij is tolheffer gebleven. Hij heeft zijn moeilijke post niet verruild voor een veiliger bestaan dat hem minder in conflict zou brengen met anderen en zichzelf. Maar Jezus heeft ook niets in die richting gezegd. Integendeel, Jezus zegt: ‘Vandaag is aan dit huis redding geschonken!’

In de Oude Statenvertaling staat: ‘zaligheid’. Een tollenaarshuis een zalig huis. Dat kan dus: deze wereld – en daar en nergens anders is het Jezus om te doen – deze wereld kan omgezet worden. Wij kunnen anders leven. En als de Oppertollenaar het in Jericho voortaan anders gaat doen, dan gaan ze het allemáál anders doen. In de trant van wat Johannes de Doper tegen de tollenaren had gezegd. ‘Meester, wat moeten we doén?”, hadden ze hem gevraagd. En hij had gezegd: ‘Vorder niet meer dan u voorgeschreven is.’ En toen hadden ze zich door hem laten dópen. Ze gingen mét hem het water in, om hun oude leven daarin achter te laten en een nieuw te ontvangen.

Dat kan dus, een mens die een nieuw leven, nee, die zijn eigenlijke leven begint.

‘Zacheüs!’

U weet misschien dat iemand die doof geboren is of in de loop van het leven doof is geworden, tegenwoordig door middel van een ingenieus implantaat in veel gevallen enigermate kan hóren. Iemand beschreef in een boekje wat een aangrijpende ervaring dat was, te midden van al die nieuwe geluiden die zij eerst nog moest leren plaatsen: dat iemand haar bij haar náám riep! Dat zij haar eigen naam hoorde roepen!

‘Het verdrietige’, zei iemand mij laatst – ‘het verdrietige van zo oud geworden te zijn, dat bijna niemand je meer bij je voornaam noemt. Bijna iedereen zegt ‘Mijnheer’ tegen me.’

Maar dit huis, deze gemeenschap rond die man Jezus, is de plek waarop wij zondag aan zondag met onze kindernaam worden aangesproken. En waar ons nieuw leven wordt geschonken.

Amen

ds. Carel ter Linden