Overweging Beloken Pasen: Ik en de ander

Het menselijk gelaat - kleinU bent niet het middelpunt van het universum en ik ben dat ook niet. Als kind lijkt dat anders te zijn. Alles draait om jouw welzijn, jouw geluk. Iedereen reageert op jou en is ervoor om jouw zorgen weg te nemen. Dat blijft een aantal jaren zo, maar bij het opgroeien merk je dat anderen niet alleen maar rekening met jou blijven houden, maar dat jij dat omgekeerd jij  steeds meer moet rekenen met anderen. Jouw wensen zijn meestal zelfs ondergeschikt en op zijn best nevengeschikt aan die van anderen.  Vervolgens zal er in het leven een ingewikkelde verhouding zijn met anderen. Je moet ze ter wille zijn want je hebt ze nodig. Geen mens kan zonder anderen. In je eentje red je het niet. Je hebt mensen nodig die voedsel  voor jou produceren, want zelfs al heb je een moestuintje en houd je wat kippen, dan is dat niet genoeg. Er zijn mensen nodig die je inleiden in de geheimen van het leven, die onderwijs geven, die met je samen willen werken om een bestaan op te bouwen. Voor je gezondheid kan je ook niet alleen zorgen. Je bent, of je dat wil of niet, op bepaalde momenten afhankelijk van artsen en zorgverleners. Voor je veiligheid is het goed dat je kunt vertrouwen op een betrouwbare overheid, op politie en het leger. Voor liefde, gezelligheid en geborgenheid is het goed dat we een partner, vrienden en kennissen hebben.

In het scheppingsverhaal klinkt al: Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik, God, zal een hulp voor hem maken, iemand die een tegenover is. De mens redt het niet alleen, heeft iemand nodig die steunt, die helpt en die niet alleen zegt en doet wat jij graag zou willen, maar die een tegenover is, die je ook corrigeert en aanvult. Iemand die liefde en leed deelt. Dat kan zijn met een geliefde, maar ook in de relatie van ouders en kinderen, van vrienden, van collega’s, of nog anders.

Het aangaan van verbinding met die medemens die we zo nodig hebben, is niet zonder complicaties. Die ander is niet in de wereld aanwezig ten behoeve van onszelf. Die heeft eigen behoeften, wensen.  Het mooiste is als je elkaar kunt vinden op het niveau van geven en nemen.  Ik lever iets van mijzelf in om jou iets te kunnen geven en jij zet soms jouw belangen en wensen op zij om mij te helpen. Een bekende uitdrukking in het Latijn is ‘Do ut des, Ik geef met de bedoeling dat jij geeft. Een uitruil, een wederkerigheid. Het was bekend als een principe in de Romeinse godsdienst, in ruil voor het offer verwachtten ze bescherming of een gunst van een god. Niet altijd is er een balans in geven en nemen. Als je ziek, oud of arm bent, dan zullen anderen je meer moeten geven dan jij dat aan hen kan doen. In onze samenleving gebeurt dat gelukkig ook. Uit liefde of uit berekening. Ik zorg voor een ander in de hoop, in de verwachting dat ik zelf aan de beurt kom als dat nodig is.

Er is ook geen balans als je veel meer aandacht, zorg, liefde geeft dan dat je ontvangt. Een moeder geeft aan haar kind alles, terwijl het kind nog niets voor haar kan doen. Maar het schenkt wel oneindig veel geluk. Er is echter ook iets als belangeloze liefde. Je helpt, je zet je in, zonder daar iets voor terug te krijgen, nu niet, in de toekomst niet. In het uiterste geval: je geeft je leven om anderen te redden. In de godsdienst denken we dan in deze paasperiode aan het offer van Christus, die leed en zijn leven opofferde om de mensheid te redden.  Er zijn cynici die menen dat een mens nooit iets doet zonder eigenbelang. Iemand die zogenaamd zich belangeloos inzet voor anderen, doet dat om er een goed gevoel over zichzelf aan over te houden.

Het meest problematisch is het als mensen alleen maar nemen en niets geven. Mensen die alle aandacht van hun omgeving naar zich toe zuigen en niet stil staan bij wat anderen nodig hebben. Dan ben je egocentrisch. Het ik in het middelpunt van alles. Of letterlijk mensen die de welvaart die voor allen bedoeld is in onevenwichtige mate naar zich toe trekken, door te stelen, te graaien. Zij zien anderen alleen maar als middelen om eigen wensen te bevredigen. Dan spreek je van misbruik. Bij machtsmisbruik maak je de belangen van anderen volledig ondergeschikt aan die van jou. Bij seksueel misbruik gaat het alleen om jouw behoeftes, die ten koste van het belang en geluk van een medemens bevredigd mogen worden.

De ander kan een bron van liefde en geluk zijn, een steun die het jou mogelijk maakt op een prettige en zinvolle manier te leven. De ander kan soms ook een bron van verdriet, angst en bedreiging zijn. In 1943, in de donkerste jaren van de wereldoorlog, schreef de Franse filosoof Jean-Paul Sartre een eenakter, waarin de uitspraak voorkwam “L’enfer, c’est les Autres” (De hel, dat zijn de Anderen). Hoewel deze woorden meestal anders worden opgevat dan de schrijver bedoelde, haakt het soms aan bij een besef dat anderen alleen maar last bezorgen, moeilijk doen, je rust en je veiligheid bedreigen en erger en dat je je maar het beste zo min mogelijk moet inlaten met anderen. Niet meer dan nodig is. Daar is een woord voor: misantropie, mensenhaat, een levenshouding waarbij je anderen wantrouwt en je een pessimistische visie op de samenleving hebt. O ja, een misantroop kan best een menselijk en een sociaal gedrag vertonen, maar hij of zij zal zich zoveel mogelijk afzonderen van de samenleving. Ongunstige ervaringen hebben voor desillusie gezorgd, een ongeloof in de mogelijkheid dat mensen op harmonieuze manier met elkaar om kunnen gaan. Een misantroop uit dat vaak door een cynische houding aan te nemen, onverschillig te zijn of arrogant te doen.

Je kan je uit teleurstelling afkeren van anderen, misschien om jezelf te beschermen tegen de bemoeienissen van hen of tegen het gevaar dat ze jou kwaad doen, het kan ook omdat je meent dat iedereen het beste af is als hij zo min mogelijk afhankelijk is en zoveel mogelijk voor zichzelf zorgt.

Leven wij in een tijd waarin het ik, het individuele teveel centraal staat? Ik neem u vandaag mee naar de Franse filosoof Emmanuel Levinas. Hij overleed 20 jaar geleden. Hij geeft fundamentele kritiek op de filosofie van de naoorlogse tijd. Hij spreekt over egologie.  Egologie is dus een vorm van denken die het ego, het autonome ‘ik’ als centrale instantie beschouwt. Het ‘ik’ is het centrum, de medemens is enkel een belemmering voor de persoonlijke ontplooiing.

In de VS is een filosofe populair die Ayn Rand heet. Ze is dertig jaar geleden overleden, maar desondanks heeft ze grote invloed op het conservatieve en populistische deel van de Republikeinse partij, bij de z.g. Teaparty. Zij predikte een compromisloos egoïsme, iedereen moet handelen op basis van rationeel eigenbelang. Egoïsme geldt in haar filosofie als een deugd. In haar romans zijn de helden steevast krachtige individuen vol scheppingsdrang die nieuwe technologieën bedenken, veel geld willen verdienen en voortdurend heel deugdzaam enkel aan zichzelf denken. Daar komt de samenleving verder mee. Je helpt daar dus anderen, wellicht onbedoeld, dus ook mee. Bovendien zegt ze: “Om ‘ik hou van je’ te zeggen, moet men eerst ‘ik’ kunnen uitspreken.” 

Het is opmerkelijk dat een Nederlandse uitgever na, een half eeuw na verschijnen, meent dat de tijd rijp is voor een uitgave in onze taal.

Er zal moeilijk een denker te vinden zijn wiens overtuigingen zo haaks staan op die van Rand als de Litouws-Franse filosoof Emmanuel Levinas. Al aan het eind van de jaren zestig werd hij in Nederland vertaald. De rest van de wereld, inclusief Frankrijk, zou hem pas veel later ontdekken als een van de belangrijkste denkers van de afgelopen eeuw.

Het ‘ik’ is in de ogen van Levinas helemaal alleen, zelfgenoegzaam en zelfvoldaan. In deze situatie komt verandering zodra in zijn hecht samenhangende wereld een medemens weet binnen te dringen. Nog voordat ik helemaal ‘ik’ kan zijn, doet de ander al een appèl op mij. Hij of zij vraagt: ‘Kijk mij aan, dood mij niet.’ Zijn gelaat doet mij beseffen wat mij te doen staat. Nog voordat ik ben, is er mijn plicht jegens hem.

We moeten volgens Levinas dus niet bij onze individualiteit beginnen, maar aan de kant van de anderen. Zij zijn geen voorwerpen, maar wezens die mij aankijken en die direct een appèl op mij doen. Voordat de wereld er werkelijk toe kan doen, ben jij er al en jij ziet mij aan. Jean-Paul Sartre schreef daar al over in de jaren veertig. Maar terwijl de blik van de ander mij volgens Sartre van mijn eigen ‘ik’ vervreemdt, maakt die blik waarmee de ander mij aankijkt bij Levinas pas duidelijk wat het betekent een ‘ik’ te zijn. Ik wordt pas een ik op het moment dat een ander mij aanziet en een beroep op mij doet. Hij of zij heeft mijn erkenning, mijn compassie nodig. Ik word geroepen om mens, medemens te zijn.  Dat heeft consequenties voor de hele werkelijkheid. Ook die krijgt geen betekenis vanuit mijn grenzeloze vrijheid, zoals Sartre wilde, maar vanuit het gebod dat mij in het gelaat van de ander wordt aangezegd.

In een tijd van economische crisis moet er vaak bezuinigd worden. Ambtenaren en deskundigen maken berekeningen, op kantoren, achter computers en komen met rationale ideeën en mogelijkheden. Besparingen op de zorg kunnen bewerken dat er over een aantal jaren nog geld voor zorg is. Maar bij het opstellen van de plannen zien zij niet de mensen die het gaat raken. Ze kijken niet in de ogen van de bijstandmoeders, de arbeidsongeschikten, de ouderen die getroffen gaan worden. Het is het gelaat van de ander die mij aanziet, die mij mens maakt en menselijke maatregelen laat nemen.

Voor Levinas is dit alles sterk religieus bepaald. De relatie tot God is niet los te zien van de relatie tot de Ander. De Oneindige openbaart zich uitsluitend in het gelaat van de Ander. Wie is God?  De Ongrijpbare die voorbijgegaan is en die mij met de Ander heeft achtergelaten. Wanneer ik antwoord geef op een appel van een ander, ‘zie’ ik God in het gelaat van die weerloze Andere. Mag ik u uitnodigen de komende week de mensen die u tegenkomt ook werkelijk te zien en te ontmoeten?

Amen.

ds. Peter Korver