Overweging: Beeldenstorm

In de 16e eeuw trok er door Europa een storm, een Beeldenstorm. In 1522 te Wittenberg, in 1523 te Zürich, in 1530 te Kopenhagen, in 1534 te Münster, in 1535 te Genève, in 1537 te Augsburg, in 1559 in Schotland en ten slotte in 1566 in Frankrijk en de Nederlanden.

Volgens sommigen had de Beeldenstorm een religieuze oorzaak: in de 16e eeuw kwam het calvinisme op in de Nederlanden en de aanhangers hiervan waren erg gekant tegen het vereren van heiligen en baseerden zich daarbij op de Bijbel.

Hebben wij ons, als Vrijzinnigen, niet nog steeds verder van een Godsbeeld losgemaakt? Of misschien ook niet. Misschien hebben wij, bewust of onbewust, toch ook een Godsbeeld.

Wie wil, in het kort, iets over zijn of haar Godsbeeld – of veranderde Godsbeeld – willen vertellen?

Godsbeelden zijn er vanaf het begin der tijden al geweest. Wanneer we boeken lezen van godsdiensthistorici zoals bijvoorbeeld Karen Armstrong, Frédéric Lenoir of Huston Smith en ongetwijfeld nog vele anderen, zien wij dat zij door de tijd heen eenzelfde patroon beschrijven.

De mens wil zijn of haar emoties kanaliseren; angst, ontzag, dankbaarheid, liefde, boosheid, verdriet, respect… en spiegelt dit naar buiten zichzelf. 

Naar de elementen; vuur, water, wind, aarde of steen. 

Naar de natuur; bomen, planten en dieren. 

Naar het licht; de zon, maan en sterren. 

Naar mensen die groter zijn dan zichzelf; men maakt zich koningen, keizers en andere hoog geplaatsten, of deze maken zichzelf. 

Het is een patroon wat we ook in de Bijbel terug kunnen zien; de ontstaansgeschiedenis van de mens en de ontstaansgeschiedenis van God.

God schept de elementen; aarde en het water, het licht en het duister, en de hemellichamen.

Mineralen worden gevormd, dan het plantenrijk, vervolgens het dierenrijk en uiteindelijk de mens die aan al deze uitdrukkingen, aan deze scheppingen naam mag geven en hierover is aangesteld. 

We herkennen in de Bijbel het tijdperk van jagers en verzamelaars. Denk hierbij aan Kaïn en Abel, de één jager, de ander verzamelaar, landbouwer.

Hun dankbaarheid wordt getoond in offervaardigheid. 

Aan God worden de rechtschapen emoties van kieskeurigheid toegekend door het ene offer wel en het andere niet te accepteren op gegronde, menselijke argumenten.

Wanneer we het hebben over rechtschapenheid, denk dan eens aan het verhaal van Jozef met zijn dromen over de zon, maan en sterren. Waarin er voor Jozef gebogen wordt door de zon, maan en sterren. Hij moet het bekopen met de put en na vele omwegen wordt hij uiteindelijk aan het hof van de Farao aanbeden door zijn broers die voor hem buigen.

En als we spreken over de koningen, of over de Farao; herinner je dan ook het verhaal van Saul, de eerste koning van Israël. Want zij wilden, net als andere volken, een koning hebben die hen kon aanvoeren en die zij hoogachten. Dat was tenminste iemand die werkelijke menselijke kenmerken had. Zoals ook God menselijke kenmerken werden en worden toegekend.

Door het Oude Testament heen speelt de strijd om goden. Er worden vele goden genoemd die zich uiteindelijk toespitsen op die ene God.

In Genesis 6 lezen wij dat er steeds meer mensen op aarde kwamen en dat die dochters kregen die de zonen van de goden zo mooi vonden dat ze zich met deze dochters vermengden.

Precies als de verhalen uit de Griekse en de Romeinse oudheid met hun pantheon aan goden. Goden die soms ook met mensen huwden. Goden met zeer herkenbare menselijke kenmerken.

In de Bijbel wordt regelmatig Ishtar, ook wel Astarte of Inanna genoemd. In Soemirië bekend als tempelgodin en in Babylon als godin van de liefde. Zij wordt uit de tempel gebannen omdat deze cultus teveel met seksualiteit wordt verbonden.

Tegelijkertijd zijn er ook bronnen die haar koppelen aan Esther uit het gelijknamige Bijbelboek.

Zo zien we dat verhalen op elkaar lijken en elkaar, met soms andere namen, overlappen.

Ik vind het enorm boeiend hierover te lezen. Om te zien dat in de geschiedenis van de mens en de geschiedenis van de Bijbel de mens zich een God vormt. Een nabije God die steeds verder buiten de mens wordt geplaatst tot die God bijna onbereikbaar geworden is.

Zoals er geschreven staat; God schiep de mens naar Zijn beeld, zo schiep de mens zich een god naar zijn of haar eigen beeld. 

Schept de mens zich nog steeds een god naar zijn of haar eigen beeld.

Jodendom, Christendom en Islam zijn monotheïstische godsdiensten, ze worden ook wel de abramitische religies genoemd. Omdat deze drie religies allen geworteld zijn in Abraham.

Abraham, of Ibrahim zoals we in de Koranlezing hoorden, verzette zich tegen de vele godsbeelden die door zijn vader en stadsgenoten werden vereerd. Dit verhaal uit de Koran komen we overigens in de Bijbel niet tegen. Maar hier begint, zo zou je kunnen zeggen, het monotheïsme.

En na het lezen van dit verhaal in de Koran, snap ik dat juist bij Abraham die monotheïstische traditie zijn oorsprong vindt.

Het verhaal speelt zich af in een tijd dat het volk Israël werd omringd door volken die er elk hun eigen god of goden op na hielden.

En zoals toen het volk Israël, worden wij nu ook omringd – wereldwijd -, door volken, door religies, die elk hun eigen god hebben.

En toch…en toch…toch vraag ik mij al van kleins af aan af of dat inderdaad zo is, dat het verschillende goden zijn.

Wij zeggen God, de Duitsers zeggen Gott, de Perzen zeggen Khodda, de Engelsen zeggen God, de Fransen zeggen Dieu, de Spanjaarden zeggen Dios, de moslims zeggen Allah en in de voor-bijbelse tijd werd gesproken over El.

Ik denk persoonlijk dat we eigenlijk allemaal hetzelfde of dezelfde bedoelen. Dat wat ons ontstijgt en waar wij eigenlijk geen woorden aan kunnen geven. De energie die alles en iedereen doordrenkt. Dat waaruit wij allen zijn opgebouwd.

En net zo goed als dat we allemaal hetzelfde, of dezelfde God bedoelen, bedoelen wij ook allemaal – echt ieder van ons – een andere God.

Zoals we zojuist van elkaar ook hoorden dat we God allemaal net even anders zien, horen en ervaren.

Niet in het vuur, niet in de storm, maar in het zachte fluisteren van de wind, als het bijna stil is, kan God tot en met ons spreken.

En ieder van ons hoort, al gelang naar zijn of haar eigen persoonlijkheid, God in zijn of haar eigen taal. Taal die alleen jij maar kunt verstaan. Taal die je kunt proberen over te brengen aan een ander. Maar woorden schieten al gauw te kort.

En zoals wij hier allemaal al verschillend zijn en verschillende godsbeelden hebben bestaan er over de wereld en door de tijd heen verschillende goden. Omdat God zich in iedere tijd, in iedere cultuur, in iedere taal, in iedere persoon zich heel persoonlijk laat zien, laat verstaan.

God laat zich verstaan wanneer wij stil worden.

U ziet hier voor u verschillende godenbeelden. Godsbeelden vanuit het boeddhisme, het hindoeïsme, het christendom en de islam.

Goden? Of afgoden? Wanneer we het verhaal van Abraham, wat we zojuist in de Koran lazen, er nog eens even bij halen zou je zeggen dat dit allemaal afgoden zijn.

Goden die, net als bij Abraham en net als in de Middeleeuwen vanuit het protestantisme, omver geworpen moeten worden.

Ik leerde er, vanuit mijn achtergrond, met afschuw naar kijken. Er werd en wordt – niet alleen door christenen, ook door joden en moslims – enigszins spottend en laatdunkend over gedaan. De beelden in de Rooms Katholieke kerk, in iets mindere mate de ikonen, de drie-eenheid en de beelden in het boeddhisme en hindoeïsme.

En, dit realiseren we ons vaak niet, onze moderne afgoden; geld, positie, onze auto, onze telefoontjes die steeds duurder moeten en steeds geavanceerder moeten werken, ons huis, noem maar op. Ook nu hebben we onze afgoden.

Tijdens het bestuderen van het hindoeïsme en door de ervaringen tijdens mijn reizen naar verschillende culturen ben ik anders gaan kijken. Anders gaan kijken naar de religies, naar de goden en naar mensen en hun godsbeelden.

Zoals we bij Kaïn en Abel zagen met hun offers, zoals er bij de animistische godsdiensten werd onderhandeld met de goden, zoals bij de Grieken en de Romeinen er goden waren voor de natuurelementen waarmee onderhandeld werd, zo kennen wij – als overblijfsel daarvan – het gebed en de collecte, de offergaven. We noemen het misschien niet meer altijd zo, maar het zijn wel degelijk overblijfselen vanuit een ver verleden waar wij vaak de neus voor ophalen.

Ik heb veel geleerd van het leren kijken naar ikonen en het leren kijken naar de hindoegoden.

Bij het kijken naar ikonen kijk je voorbij de heiligen die erop afgebeeld staan naar de wereld die erachter ligt. De wereld erachter wordt in goud afgebeeld. Het is de verwijzing naar het stralende licht van God.

Ikonen verwijzen dus simpel gezegd naar God.

Bij het kijken naar een hindoegod – net als ikonen worden de goden gewijd – hoopt met darshan te bereiken. Darshan is de eenwording met god. Door het kijken naar een godsbeeld kan men die eenwording bereiken.

Eenwording met God is het beleven van extase. Eenwording met God is ook daar waar jouw handelen en Gods handelen samenvallen.

In de Islam worden de 99 schone namen van Allah aangeroepen. Elke naam belicht een aspect van God en wanneer je die naam aanroept probeer je die kwaliteit, dat aspect van God in jou zelf te ontwikkelen.

Zij beginnen te zeggen Bismilla i Rahman i Rahiem. Geprezen zij de genadevolle en barmhartige. En vanuit Rahman i Rahiem, de genade en barmhartigheid van God vloeien alle andere namen voort. Dat is het beginpunt van alles.

De 99 schone namen van Allah, de goden in hindoeïsme en boeddhisme, de vroege goden en Jezus zijn allen middelaars om ons in contact te brengen met God en dat werkt voor ieder van ons anders. 

Ik wil u tot slot een verhaaltje vertellen over Mozes;

Mozes liep door de velden en hoorde een herdersjongen praten. Hij stond stil en luisterde naar de jongen. Deze zei Lieve God, als het regende zou ik u onderdak geven om te schuilen en als het koud was zou ik u mijn kleed geven en als u moe was mocht u uw hoofd in mijn schoot leggen om uit te rusten, ik wil voor u dansen en muziek maken om u te plezieren.

En hoe verder de jongen sprak, hoe meer Mozes zich begon op te winden. Hij kon zich niet langer inhouden, liep naar de jongen toe en zei Jongen, wie denk je wel dat je bent dat je zo tegen God praat? Denk je nou werkelijk dat God schoenen heeft en dat jij dan zijn veters kan strikken? Doe toch niet zo dom en heb wat meer respect voor God!

De jongen zweeg verward en schaamde zich diep, hij nam zich voor om voortaan respect voor God te hebben en niet meer over de gewone dingen met God te praten.

Die nacht, toen Mozes met God in gesprek was vroeg God hem Mozes, waarom heb je één van mijn meest toegewijde mensen verdrietig gemaakt en van mij afgescheiden?

Mozes snapte niet wat God bedoelde en vroeg verder. En God zei Die herdersjongen die was mij zo toegewijd en diende mij zoals geen ander dit kon; trouw en met zoveel liefde was hij mij de hele dag nabij.

Een indiaas mysticus zei over de wijze van aanbidding Het doet er niet toe hoe een mens zijn god eert of aanbidt. Het doet er alleen toe hoe oprecht hij hierin is.

Amen

Monika Rietveld