Overweging: Bakens

Op zee heb je bakens. Dan dobbert er een voorwerp, een boei op het water, een boei die verankerd is, en dan weet de bemanning van een schip dat ze daar rechts van moeten blijven varen, want dan blijven ze in de vaargeul en lopen ze niet vast op de ondiepte die er kennelijk aan de andere zijde is.  Bovenop zo’n boei is een licht geplaatst. Als het donker is, kan het een echt lichtbaken zijn. Op een woelige en duistere zee geeft het veiligheid. Je weet dat je je erop kan verlaten, dat je niet vastloopt als je in een rechte lijn langs deze boeien blijft; zo kan je veilig de haven binnenlopen. Nog zo’n baken is de vuurtoren. Al vroeg in de zeevaart werden er op kliffen en heuveltoppen vuren gestookt om aan te geven dat de kust dichtbij was. Op minder hoge plekken werden constructies gebouwd met daar bovenop vuur. Daar zijn de vuurtorens uit voortgekomen. Deze bakens bieden oriëntatie, je weet waar je bent, veiligheid, je slaat niet te pletter, vertrouwen, je weet hoe je moet varen. Zelfs tijdens de meest angstaanjagende stormen, wanneer er donkere wolken aan de hemel staan en reusachtige golven de oceaan vullen, blijven deze torens recht overeind staan en stralen ze hun licht. In de bijbel wordt God wel voorgesteld als een vuurtoren. Als Israël uit Egypte is getrokken, op weg naar een beloofd land, veertig jaar in de woestijn, dan is de Eeuwige er steeds bij om hen te beschermen en te leiden: overdag leidt hij hen in een wolkkolom die voor hen uitgaat, en ’s nachts als een vuurzuil, zodat er licht is op de weg die ze moeten gaan (Neh. 9: 12).  In psalm 119, vers 40, zingen wij: Uw woord is als een lamp, een helder licht, een schijnsel op mijn pad, een eeuwig baken dat in de duisternis mijn schreden richt.

Bakens zijn prachtige symbolen voor onze behoefte aan oriëntatie in het leven. Welke kant moet ik op? Waar vind ik veiligheid? Waar kan ik mij op richten als er een donkere periode is in mijn leven? Om met het gedicht van Schulte Nordholt te spreken, er zijn momenten dat je niet als vanzelfsprekend je weg gaat, dat je ineens naar jezelf kijkt en ineens beseft ‘hier loopt het ik, het loopt zichzelf te vinden. Hier loopt het ik, vanwaar is het gekomen. Hier loopt het vreemde ik, het richt zijn voeten naar waar, naar waar, het kent de wegen niet.’  Je kijkt naar jezelf in de derde persoon, alsof je naar een ander, naar een vreemde kijkt. Die momenten kunnen er zomaar zijn, ook als je je leven op de rails hebt, ook als je vrienden hebt. Wie ben ik eigenlijk, wat wil ik eigenlijk, wat doet er echt toe? Er zijn momenten in een mensenleven dat die vragen zich acuut aan je opdringen. Als er zich contrastervaringen voordoen. Dat is een term die ik veel tegenkom in het laatste boek van Christa Anbeek, de hoogleraar van het remonstrants seminarium, die een theologie van de kwetsbaarheid ontwikkelt. Een contrastervaring is een gebeurtenis die je gewone, vertrouwde leventje ineens verstoort. Een ziekte die plotseling je leven gaat bepalen, het overlijden van iemand van wie je houdt, het verlies van je baan.  Een contrastervaring ontregelt ons, en doet de grond onder ons bestaan wankelen. Zijn er dan nog bakens, richtingaanwijzers, die voorkomen dat je vastloopt en een veilige vaarroute houdt? 

Misschien kan je terugvallen op een innerlijke kracht die in je karakter zit of die je hebt opgebouwd bijvoorbeeld door eerdere tegenslagen. Dat is dan je baken.

Misschien kan je terugvallen op een liefhebbende partner die je erdoor sleept, die bereid is met jou door de dieptes heen te gaan. Die is dan je baken. 

Misschien kan je terugvallen op een vriendengroep, op een vereniging, op een kerk, waar het vanzelfsprekend is dat je er voor elkaar bent als het moeilijk is. Je wordt dan gedragen als je even niet op eigen benen kunt staan.  Die zijn dan je baken.

Judith Herzberg dichtte: Wat zou het loodzwaar tillen zijn / wat een gezwoeg / Als iedereen niet iedereen / ter wille was / Als iedereen niet iedereen / op handen droeg. 

Misschien kan je uiteindelijk alleen terugvallen op een oervertrouwen, op je geloof, op de kracht die je God noemt. Die is dan je baken.

Ik neem u mee naar iemand voor wie dat laatste gold. 

In 1961 stortte er in Noord-Rhodesië (nu Zambia) vlakbij het vliegveld een klein vliegtuig neer. Dit was niet zomaar een vliegtuigje. Want vrijwel helemaal achterin, vlakbij de staartvin, zat Dag Hammarskjöld, de toenmalige secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Zijn dood was een schok voor de wereldgemeenschap. Hij werd door vriend en vijand bewonderd vanwege zijn daadkrachtig optreden als vredestichter in verschillende brandhaarden tijdens de Koude Oorlog. Nog helemaal niet van de schok bekomen, begonnen enkele van Hammarskjölds vrienden en medewerkers met het leegruimen van zijn appartement in Manhattan. Daarbij deden ze een verrassende ontdekking. In zijn nachtkastje vonden ze een mapje met allemaal losse, maar netjes geordende vellen. Het was alsof Hammarskjöld erop gerekend had dat de papieren door anderen aangetroffen zouden worden. Het bleek om een heel persoonlijk document te gaan, een soort dagboek. Maar niet een dagboek met aantekeningen over Hammarskjölds vele ontmoetingen met de groten der aarde. De vaak korte notities zijn vooral diepe filosofische en theologische beschouwingen die de lezer een inkijk bieden in Hammarskjölds ziel. Zelf noemde hij ze ‘mijn onderhandelingen met mezelf – en met God’.

Als titel koos Hammarskjöld voor ‘Merkstenen’. Dat zijn steenmannetjes die reizigers in onherbergzame streken bouwen om het pad dat ze hebben afgelegd terug te kunnen vinden. Voor Hammarskjöld zijn de dagboekaantekeningen zulke markeringen van het vaak onherbergzame innerlijke pad dat hij tijdens zijn leven aflegde. Het waren zijn bakens. 

De associatie met een bergtocht als beeld voor Hammarskjölds geestelijk zoeken ligt voor de hand. Ook de teksten zelf bevatten verwijzingen in deze trant.

Verder word ik gedreven,
een onbekend land binnen.
De grond wordt harder,
de lucht meer prikkelend koud.

Aangeraakt door de wind
vanuit mijn onbekende doel
trillen de snaren
in verwachting.

Ik verlang het absurde: dat het leven zin heeft
Ik vecht voor het onmogelijke: dat mijn leven zin krijgt
Ik durf niet, weet niet hoe ik zal kunnen geloven: dat ik niet alleen ben”

Hij ging op weg. Hij maakte de weg naar binnen en schreef: De langste weg is de weg naar binnen. Hammerskjold vond bakens in de stilte. De eerste was de Bron van het Leven. Als idee, als iets abstracts, maar toch. De ‘idee’ werd steeds meer ‘persoon’. Iets werd gaandeweg iemand.” God.  

Voor iedereen kan het anders zijn. Misschien vindt u als het erop aan komt uw bakens in gedichten, in bepaalde stukken muziek, in de liefde voor uw partner en kinderen.  Zeg maar als ultieme steun op de momenten dat u het echt moeilijk heeft, het even niet meer weet.

Voor velen was ooit de kerk een baken. Daar kon je je op richten als de zeeën je te hoog werden. Een groot deel van de vragen over zingeving werd vroeger behandeld in de kerk. Bij levensvragen kon je terecht bij een pastoor of dominee. En dikwijls kwam daar een antwoord uit waar men mee vooruit kon. Nu velen het in de kerk niet meer vinden, wordt de toeloop naar psychologen en psychiaters groot. Te groot. Hoogleraar en psychiater Damiaan Denys klaagde daarover afgelopen maand in een interview in de NRC. Hij komt onvoldoende toe aan de behandeling van échte patiënten met ziektes als schizofrenie. Er komen zoveel mensen die zijns inziens op een normale manier lijden aan het leven. ‘Omdat we altijd maar gelukkig willen zijn. We verwachten te veel van psychologen, en van het leven. Het gewone lijden is compleet gemedicaliseerd, klaagt hij. En daardoor slibt de ggz dicht. 

Veel van het werk van predikanten en pastoraal werkers bestaat uit gesprekken met mensen die zitten met de gewone vragen van het leven. Wat is de zin van mijn bestaan? Hoe ga ik ermee om dat mij niet alles lukt, terwijl in onze huidige wereld succes als een keuze wordt gepresenteerd. Mijn leven is eindig, hoe ‘deal’ ik daarmee? Ze zoeken naar vaste bakens. Wie zijn je gesprekspartners als de psychologen geen tijd hebben en het ook niet hun ding is?

Mag ik eens naar ons, predikanten en pastoraal werkers wijzen? Wij nemen er de tijd voor. Wij zijn nog zo ouderwets dat wij anderhalfuur lang bij de mensen thuis komen en alle tijd hebben om de vragen echt te bespreken. We zijn niet gebonden aan protocollen en regels. Wij kunnen luisteren, nuancerend spreken en wij mogen putten uit de bron van een rijke traditie. De kerk als baken. De mensen die met elkaar de kerk vormen als baken. De kerk als plek waar je ervaart:

Wat zou het loodzwaar tillen zijn / wat een gezwoeg / Als iedereen niet iedereen / ter wille was / Als iedereen niet iedereen / op handen droeg.

De tijden zijn veranderd. Veel mensen zijn op zoek naar nieuwe bakens. De bakens worden verzet. Vuurtorens vervullen niet meer hun oorspronkelijke bestemming. De stuurman die voor de navigatie aan boord van een schip zorg draagt en verantwoordelijk is voor de veiligheid tuurt niet meer in de verte of hij of zij een vuurtoren ziet of een boei, maar hij tuurt naar een scherm van een computer. Er is een elektronische navigatie. Maar voor uw en mijn oriëntatie kunnen we niet zonder een relatie van mens tot mens. En ook niet zonder echte stilte. 

Hammerskjold kwam tot de antwoorden op zijn levensvragen niet door te googelen en ook niet door chatten met vrienden op Facebook. Hij schrijft: „Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ‘ja’, tegen iemand – of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven in onderwerping een doel heeft” En daarom kon hij ook schrijven: 

Tegen het verleden: dank, / tegen de toekomst: ja!

De bakens waren voor hem verzet!

Amen

ds. Peter Korver