Overweging advent 2013

warmteGebed

God van ons leven,
Om licht zijn we gekomen
Licht in donkere dagen
Licht op onze levensweg.

Om warmte zijn wij gekomen
Warmte voor koude handen
Warmte die de kou verjaagt.

Om blijheid zijn wij gekomen
Blijheid om het feest dat komt
Blijheid met mensen om ons heen.

Om troost zijn wij gekomen
Troost als het feest niet komt
Troost om gemis.
Om licht zijn wij gekomen

God van ons leven,
Met het licht van uw ogen
Zegen ons.
Amen.

Jesaja 2
1 Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem.

2 Eens zal de dag komen dat de berg
met de tempel van de HEER rotsvast zal staan,
verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen.
Alle volken zullen daar samenstromen,
3 machtige naties zullen zeggen:
‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,
naar de tempel van Jakobs God.
Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,
en wij zullen zijn paden bewandelen.’
Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.
4 Hij zal rechtspreken tussen de volken,
over machtige naties een oordeel vellen.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
geen mens zal meer weten wat oorlog is.
5 Nakomelingen van Jakob, kom mee,
laten wij leven in het licht van de HEER.

Lucas 1

6 In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, 27 naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette Maria. 28 Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ 29 Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. 30 Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. 31 Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. 32 Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. 33 Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’

34 Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’35 De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. 36 Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, 37 want voor God is niets onmogelijk.’ 38 Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.

39 Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, 40 waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. 41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest 42 en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! 43 Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44 Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. 45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’

46 Maria zei:
‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,
47 mijn hart juicht om God, mijn redder:
48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn naam.
50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht,
voor al wie hem vereert.
51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm
en drijft uiteen wie zich verheven wanen,
52 heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.
53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij weg met lege handen.
54-55 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,
zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd:
hij herinnert zich zijn barmhartigheid
jegens Abraham en zijn nageslacht,
tot in eeuwigheid.’
56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.

PREEK

Ieder jaar valt het begin van de advent ongeveer samen met het Sinterklaasfeest. Vandaag is de eerste zondag van Advent vier dagen voor het heerlijk avondje, drie jaar geleden viel de tweede zondag van de advent precies op 5 december. Verwachting is het woord dat beide verbindt. Vol verwachting klopt echter het kinderhart, wie de koek krijgt, wie de gard. Advent betekent komst, de  komst van de Christus en de kinderen zingen Hij komt, hij komt, die lieve goede Sint. Een bekend adventslied is gezang 434, ‘Daar komt een schip geladen tot aan het hoogste boord, draagt Gods Zoon vol genade’  en de gedachten gaan direct naar Zie ginds komt de stoomboot. En ook lied 435 speelde even door mijn hoofd voor vandaag: ‘Hef op uw hoofden, poorten wijd! Wie is het, die hier binnenrijdt?’  Maar kinderen maken zich meer bang dat er één is die te snel weer wegrijdt: ‘Misschien heeft u nog even tijd voordat u weer naar Spanje rijdt.’

Nu zijn er raakvlakken tussen beide feesten.  Zelfs religieus. Er is in beide gevallen een heilige die speciaal naar ons toe komt om ons goed te doen. De één schenkt ons gezelligheid en luxe goederen, de ander schenkt ons vrede en genade. Sinterklaas bestaat bij de gratie van onze inzet. Uit zichzelf bestaat de goedheiligman niet en geeft hij niets. Wij brengen hem tot leven, hij wordt geboren in ons, zodat ieder van ons een incarnatie kan zijn die bisschop die vijftien eeuwen geleden leefde. Als we na donderdag met verwachting vooruitzien naar dat andere feest, Kerstmis, zien wij dan wezenlijk naar iets geheel anders uit? Christus bestaat bij de gratie van onze inzet. Wij moeten hem tot leven brengen. Hij heeft geen andere handen dan onze handen. Wij moeten hem aanwezig doen zijn. Met Kerst wordt Christus in ons geboren, wij kunnen een incarnatie van hem zijn. Christus in ons, zoals Hij een incarnatie is van God, God in Hem.

Beide feesten gaan over onbaatzuchtigheid, gevoel van eigen kleinheid, een besef van iets dat ons verheft boven onze zelfzuchtigheid en kleinheid en we stijgen boven onszelf uit.  Daarom is het goed dat mensen die niet meer in Sinterklaas geloven, dat misschien wel doen in God. Daarom is het goed dat mensen die niet meer in God geloven, dat misschien wel doen in Sinterklaas. Wee de mens, die het geloof in beiden verloren is!

Op de liturgie treft u een icoon aan. Dat is een schilderijtje op hout dat Christus of een heilige voorstelt. Hier is het de moeder Gods die Christus in zich draagt. Een icoon wordt gezien als het zichtbare teken van een bovennatuurlijke, hemelse werkelijkheid, van een geloofspunt: men ziet wat men gelooft. De icoon maakt het onzichtbare zichtbaar, het is “een venster waardoor wij de hemelse werkelijkheid aanschouwen”. Met andere woorden: iconen brengen geen fantasie, maar realiteit: Christus, Maria en de heiligen hebben niet alleen werkelijk bestaan in het verleden, zij behoren ook reëel tot de geestelijke wereld van nu.

Zo wordt in iconen een onzichtbare werkelijkheid ineens zichtbaar. Zo trekken we met iconen het heilige binnen ons gezichtsveld. Het wordt ervaarbaar. Met verhalen gebeurt iets vergelijkbaars: het onuitsprekelijke wordt ineens bespreekbaar. Met de komst van Jezus krijgt alles wat wij in ons dragen aan idealen, aan normen, aan besef van het hogere, een gezicht. Jezus als een icoon. Hij geeft een doorkijk op de wereld van God. Het evangelie van Johannes zegt het meteen in het eerste hoofdstuk zo: “Ja, het woord is vlees geworden! Hij is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid.” Het ‘Woord’ is vlees geworden, d.w.z. is mens geworden (NBV). Wil het absolute, God, enige betekenis voor ons krijgen als mensen dan moet het een menselijk gezicht krijgen, zodat het herkenbaar wordt voor ons. De Remonstrantse belijdenis uit 2006 zegt zo over Jezus: hij is het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust. Er zijn meerdere mensen geweest die tegen me zeiden: Ja, dat is mooie, poëtische taal, dat wie Jezus aanziet als het ware God in het gelaat ziet. Door dat te doen verwacht ik vrede te krijgen, geborgenheid te voelen, want dat is toch wat er gebeurt als ik God ontmoet? Maar moet het zien van God mij ook verontrusten? Mensen die ooit vrijzinnig geworden zijn, maar een streng godsdienstige opvoeding hebben gehad, weten nog waarom God hen kon verontrusten, zo niet bang maken. Zijn oordeel over mijn leven…  Maar de Remonstrantse belijdenis zegt iets anders… Wie in aanraking komt met Jezus, met God, vindt niet alleen innerlijke vrede, maar wordt ook geconfronteerd met een opdracht: deze wereld is niet zoals hij bedoeld is. Ga en zet je in voor vrede en gerechtigheid. Wat doet godsdienst er toe als het niets doet, als de wereld er niet beter van wordt? Sinterklaas en Kerstmis zijn van die iconen waarmee goedheid, menselijkheid, vrijgevigheid, het brengen van vrede ineens zichtbaar en uitvoerbaar voor ons worden.

Vandaag lazen we twee gedeeltes uit de bijbel waar mensen in aanraking komen met de wereld van God . Een man en een vrouw, Jesaja en Maria. Deze aanraking verbindt hen direct ook met de wereld om hen heen. Jesaja ziet in een visioen een prachtig vergezicht: mensen zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.

Jesaja trad tussen 750 en 700 v. Chr. op als profeet aan het hof van de koningen van het Koninkrijk Juda. Het Assyrische Rijk was in die tijd de overheersende macht in het oude Nabije Oosten, en vormde door zijn agressieve veroveringstochten een voortdurende bedreiging.

Het is niet vreemd dat voor hem God direct verbonden is met het verdwijnen van oorlog. Dat was wat hem en het volk Israël het meest bezig hield. Hij was getrouwd en had twee zonen die allebei een symbolische naam droegen: Maher-Salal Chas-Baz  (haastige roof, spoedige buit, Jes 8:1-4) en Sear-Jasub  (een rest keert weer, Jes 7:3). Deze twee namen vormen als het ware een samenvatting van wat Jesaja te zeggen had: hij voorspelde de verovering en verwoesting van Jeruzalem, maar zag ook hoop voor de tijd daarna.

Maria was niet getrouwd en had geen kinderen. Zij is een meisje dat is uitgehuwelijkt aan een man, maar ze hebben nog geen gemeenschap gehad. Zij zal dus nog erg jong zijn, misschien een jaar of veertien. Op de aankondiging van de engel dat zij zwanger zal worden en geboorte zal geven aan een koning aan wiens heerschappij nooit een einde zal komen, reageert zij met: God wil ik dienen. Mij geschiede naar uw woord, ofwel: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.  Dat is heel vroom. Vol overgave geeft zij zich over aan dat wat God van haar vraagt. Zij schikt zich en vertrouwt.  Maar het roept ook een bepaalde extase op. Als zij kort daarna bij Elisabeth komt, springt haar kindje waarvan zij in verwachting is, Johannes de Doper, op in haar schoot en Elisabeth raakt in geestvervoering en verwelkomt Maria met woorden, die later een plek hebben gekregen in het Wees Gegroet gebed: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot!  En Maria roept al even bevlogen uit waar het God en het kind dat zij in zich draagt om gaat: gerechtigheid voor de geringen en de armen.

Mijn ziel prijst en looft de Eeuwige en jubelend legt zij een relatie tussen God en de geringen en armen van deze wereld.

51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm
en drijft uiteen wie zich verheven wanen,
52 heersers stoot hij van hun troon
en wie gering is geeft hij aanzien.
53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij weg met lege handen

Wij kennen deze woorden als het Magnificat, de lofzang van Maria. We zullen straks een toonzetting ervan zingen.  Net als bij Jesaja wordt ons duidelijk gemaakt: waar God bij mensen binnenkomt, daar treedt hij er even later als beslissende factor van vrede en gerechtigheid naar buiten.

Voor de nieuwe paus Franciscus, sinds 13 maart aan het hoofd van de grootste christelijke kerk, lijkt door eenzelfde geest gegrepen te zijn. Aan zijn vroomheid hoeven wij niet te twijfelen, maar nog minder aan de relatie die er voor hem is tussen het geraakt zijn door God en de inzet voor de hongerigen en de armen. ‘Paus Franciscus kiest radicaal voor de armen’ kopten de kranten afgelopen woensdag. Een christen kan niet anders dan radicaal voor de armen kiezen, zegt hij. Franciscus noemt daarbij ook de nieuwe armen zoals werkers in illegale ateliers, verslaafden, prostituees, slachtoffers van mensenhandel, immigranten en illegalen. Zijn ideeën daarover heeft hij vastgelegd in een brief voor de gehele christenheid. Daarin zegt hij voorts: “Ik geef de voorkeur aan een kerk die gekneusd, gewond en vuil is omdat ze op straat is geweest, boven een gezonde kerk die niet buiten haar grenzen gaat en zich vastklampt aan haar eigen veiligheid’.   Hier verbindt de hemel zich met de goot. Ze zijn geen uiterste tegenstellingen, maar beïnvloeden elkaar direct. Grote rijkdom en bezit staan onze relatie met het goddelijke in de weg, bemoeilijken het op zijn minst.

Het afzien van uiterlijke rijkdom, de materiële overdaad kan ons brengen tot een innerlijke rijkdom. Daarvan kan het Vaticaan met zijn paleizen, zijn groteske basiliek, de overweldigende kunstschatten, nog heel wat leren. De paus der armen woont daar als een kat in een vreemd pakhuis.

En wij kunnen daar als Sinterklaas vierders van leren. Het is het uitdelen van je bezit om anderen blij te maken en niet om je hoop dat anderen je materiële bezittingen zullen aanvullen met nog meer dingen. Want het is zaliger te geven dan te ontvangen. Zoals het  meer in de lijn van het evangelie is recht te doen in de ons omringende wereld dan ons terug te trekken in de rustgevende wereld van de spiritualiteit.

Amen.

Voorbede

Donker in onze dagen, donker in onze nachten.
De weg van ons leven,
gehuld in duister van niet weten en niet kunnen.
Waarheen? Waarvoor? Waarom?

Het vragen houdt niet op,
de wereld lijkt verdwaald
en onze dromen lijken kwijt,
de dromen van die mens,
de dromen van dat licht
waar wij zo naar uitzien.

Maar nog steeds blijven mensen bij elkaar
om elkaar aan te sporen
niet in het donker te blijven.

Goede God,
die ons de ogen opent
voor wat er in de wereld gebeurt,
U die ons hart sneller doet kloppen
als mensen om hulp vragen
of zich gekleineerd voelen,
wees in ons:
Kracht en Hoop,
Uithoudingsvermogen en Liefde
om aan te pakken wat U ons te doen geeft
voor iedere mens op onze weg.
Zo bidden wij in naam van Jezus,
die wij verwachten
en naar wie wij uitkijken.
Amen.

Peter Korver