Overweging 9 juli

In onze cultuur lijkt de ‘ik’, het individu, steeds meer centraal te staan. Dat het erom gaat dat ik mijzelf kan zijn, dat ik de vrijheid heb om mijn leven in te richten zoals ik dat wil. Dat ik zoveel mogelijk authentiek kan zijn in mijn kleding, mijn meningen, in mijn seksualiteit. Een ander, de maatschappij, laat staan de overheid, mag mij daarbij niet iets opleggen wat niet strookt met wie ik ben.

Het individualisme gaat zover dat we ontworteld raken. Mensen van nu lijken genoeg aan zichzelf te hebben. Het lijkt erop dat we nauwelijks meer vaste gemeenschappelijke grond onder de voeten hebben. Mensen binden zich in het algemeen niet meer zo gauw. Immers, als je ergens lid van wordt of als je een relatie aangaat, dan geeft dat verplichtingen, je moet je dan aanpassen en je kan niet altijd zo doen als echt bij je hoort. Het verenigingsleven merkt dat, politieke partijen, vakbonden, kerken ook. Lid worden, verplichtingen aangaan, daar houdt de moderne mens niet zo van. Hij wil de handen vrij houden en het liefst tijdelijke en vrijblijvende verbintenissen aangaan. Het is niet voor niets dat de remonstranten en ook De Kapel met succes de mogelijkheid heeft ingevoerd om in plaats van lid ook vriend te worden. Daarmee gaat iemand een lossere relatie aan. Je geeft aan dat je de groep sympathiek vindt, dat je graag met een aantal dingen meedoet, maar ook een zekere afstand wil houden. Het lijkt er een beetje op dat de moderne mens zweeft van politieke partij naar politieke partij, van relatie naar relatie, we zweven tussen kerk, coach, spirituele beweging en filosofie, zonder ergens in geworteld te zijn, b.v. een traditie, waar je bij hoort.

In onze relaties zit ook meer ontworteling en vrijblijvendheid dan een of twee generaties terug. Trouwen, een nadrukkelijk jawoord uitspreken tegenover elkaar, je familie en vrienden en tegenover God is geen voorwaarde meer om samen te leven. Behoorden echtscheidingen ooit tot de uitzonderingen, nu zijn we eraan gewend dat meer dan één op de drie huwelijken stranden. Er zijn nog maar weinig stellen die durven uit te spreken dat ze elkaar trouw zullen zijn ‘tot de dood ons scheidt’. Ook niet als ze nog in de kerk trouwen.

Dankzij Facebook krijgt ook het begrip vrienden een andere, vrijblijvender inhoud. je kan daar 613 vrienden hebben die ieder je iets grappigs of iets interessants kunnen bieden, maar na een poosje kan je ze ook weer met één druk op de knop ontvrienden omdat ze je gaan vervelen en die je ook zo weer kunt inruilen voor andere vrienden die je al surfend gemakkelijk vindt. De Amerikaanse auteur Andrew Keen beschreef dat in zijn boek @-cultuur uit 2008 als ‘een wereld van digitaal narcisme, waar alleen de eigen vierkante meter telt’.

Gaan we de wereld om ons heen steeds meer zien als consumptiewaar? Dus dat we bij elke afzonderlijke gelegenheid iets eruit pikken dat dan bij ons past, zonder ons eraan te binden. Dat heet ook niet voor niets tegenwoordig ‘shoppen’. In de kerk is dat begrip ook opgeld gaan doen. De moderne religieuze mens is aan het shoppen. Uit verschillende tradities pikt hij iets mee van wat bij hem past. Een christelijke kerstdienst bezoeken, meedoen aan een boeddhistische meditatie, een oecumenische gesprekskring, het gaan naar de Matthauspassion, het thuis lezen van een filosofisch of spiritueel boek.

Al met al lijkt – ik opende deze overdenking ermee –  in onze cultuur de ‘ik’ steeds meer centraal te staan. Dat het erom gaat dat ik mijzelf kan zijn, dat ik de vrijheid heb om mijn leven in te richten zoals ik dat wil. Dat ik zoveel mogelijk authentiek kan zijn in mijn kleding, mijn meningen, in mijn seksualiteit.  Dat ik-bewustzijn ging samen met een gevoel van maakbaarheid. En ook de vrijzinnige kerken gaan er nog altijd in mee. Het Apostolisch Genootschap roept ‘Vind het antwoord in jezelf’, dus niet in de traditie of een geschrift, nee in jezelf. De Remonstranten adverteren met ‘Mijn God gelooft in mij’. Gaat het in de kerk ook al alleen om dat eigen geweldige ik? Het leven is maakbaar, je moet je kansen pakken, hard werken en the sky is the limit. Het individu staat sterk in zijn schoenen, en komt er op zichzelf wel. Voor hem en vooral ook voor haar ligt de wereld open en ouders, kerk, organisaties zijn niet hard nodig. Het ik-tijdperk heeft ook zo zijn schaduwzijde. Niet voor iedereen is het leven maakbaar. Niet voor elke groep ook. En klassieke deugden als trouw, naastenliefde, gematigdheid en rechtvaardigheid zijn minder centraal geworden.

In de moderne cultuur kom ik het begrip trouw best vaak tegen, maar dan als oproep om Trouw te zijn aan jezelf. Het is zo’n typische kreet die je veel tegen komt in coach-land, maar wat betekent het nu werkelijk? Dat ik mezelf in de spiegel kan aankijken en kan zeggen; “je doet het goed! Je leeft vanuit je hart, voelt de vrijheid om je passie te volgen. Je durft de nodige stappen te zetten om je doelen te bereiken”.  Op een van de vele websites die dit trouw-zijn-aan- jezelf promoten, vertelde iemand over zijn eigen ervaring hiermee:

Als ik naar mezelf kijk dan is het voor mij een moeilijke stap geweest om mezelf op de eerste plaats te zetten. Het heeft me in eerste instantie veel energie gekost om mezelf te leren kennen, écht te leren kennen en dat te accepteren. Ik heb me altijd aangepast conform wat anderen van me Totdat mijn intuïtie sterker en sterker werd waardoor ik niets anders kon en niets anders wilde dan mijn eigen pad te volgen. Je bent namelijk niet verantwoordelijk voor een ander.

Deze vrouw is er blij mee dat ze eindelijk zichzelf op de eerste plaats heeft kunnen zetten en ze weet nu ook dat ze niet verantwoordelijk is voor een ander. Ze heeft de trouw aan anderen ingeruild voor een absolute trouw aan zichzelf. Ik heb voor deze overdenking met een bril van het thema trouw de bijbel zitten lezen. Hoe goed ik mijn best ook deed, er stond verdraaid weinig in over trouw zijn aan jezelf. In het evangelie van vandaag gebiedt Jezus om onszelf te verloochenen, ons kruis op te nemen en Jezus te volgen. Steeds verwijzen de verhalen van Jezus naar de ander, de naaste aan wie je trouw moet zijn. En het gaat steeds over de trouw van God aan ons en de oproep trouw aan God te zijn.

Als Mozes zijn volk veertig jaar onder zijn hoede heeft gehad, samen op weg naar een beloofd land, en dan het stokje over moet geven aan Jozua, zijn rechterhand, die opziet tegen deze enorme taak, dan fluistert God in hem: “Jozua, zoals ik Mozes heb bijgestaan, zo zal ik ook jou bijstaan. Ik zal niet van je zijde wijken en je niet verlaten. Ik blijf trouw, wat er ook gebeurt. En jij, Jozua, wees op jouw beurt ook trouw. Houd je vastberaden aan mijn thora, mijn regels ten leven. Wees daaraan trouw. Doe alles wat daarin staat en alles wat je onderneemt zal voorspoedig verlopen. En waar je ook gaat, je God staat je bij.”  Het zijn warme woorden, intieme woorden. Ook als menselijke helpers mij ontvallen, dan zijt Gij mij nabij.

Menselijke helpers kunnen je ontvallen, maar er is iets eeuwigs, de Eeuwige, die er altijd is en zal zijn. Die dus trouw is. Dat is een troostrijke gedachte. Misschien is het heel wat belangrijker te weten dat dat grote dat mij verre overstijgt, die ik God noemt, dat die trouw aan mij is en dan dat ik mijzelf trouw ben. Want ik weet niet goed genoeg wie ik ben en wat echt bij mij hoort. Maar Gij Eeuwige gij kent mij, gij doorgrondt mij, wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven.

Trouw zijn in de bijbel komt van God en het beschermt ons. Aan ons wordt gevraagd zo ook trouw te zijn naar andere mensen die het moeten hebben van onze trouw. Bij alle te maken keuzes mogen we ons de vraag stellen; hoe doe ik recht aan de ander, medeschepsel op deze prachtige planeet. Kan een ander op mij rekenen? Mijn echtgenoot of partner, mijn kinderen, mijn vrienden, mijn buren, de mensen die op mijn weg komen? Voelen zij dat ook?  De samenleving? Geven wij elkaar ook een vertrouwenwekkend vertrouwen? Benaderen wij onze bestuurders, onze politici, onze huisarts, de politie, onze collega’s in de eerste plaats vanuit trouw en vertrouwen of vanuit argwaan en wantrouwen? Hollen we onze instituties niet uit door elke keer ons te ontdoen van zittende bestuurders, door steeds te veranderen van arts, van zorgverzekering, van provider, van partij?

In de Joodse traditie is het niet eens voldoende als je trouw blijft aan iemand die je al langer kent, met wie je op een of andere manier verbonden bent of was. Nee, je moet ook trouw zijn aan mensen en schepselen die je niet of nauwelijks kent.

Het volgende chassidische verhaaltje zegt dit: Eens werd er om middernacht, terwijl rabbi Moshi Leib in het geheim van de leer was verdiept,  aan het raam geklopt. Buiten stond een dronken boer en hij verlangde ernaar binnengelaten te worden voor nachtopvang. Een ogenblik was het hart van de tsaddik vertoornd en hij dacht: Hoe haalt die dronkenlap het in zijn hoofd hier aan te kloppen en wat moet hij hier in huis? Dan antwoordde zijn hart: En wat moet hij in Gods wereld? Als God het met hem uithoudt, dan kan ik hem toch niet weigeren? En meteen opende hij de deur en maakte voor hem een bed gereed.

Zou deze rabbi zich de vraag wel eens stellen of hij trouw aan zichzelf is? Als ik het verhaaltje goed begrijp is hij trouw aan zijn opdracht, aan zijn levensvervulling, zolang God en zijn medeschepselen onvoorwaardelijk op hem kunnen rekenen. Misschien is dat waar het hele geloof om draait: om trouw. Dat er op ons onvoorwaardelijk gerekend kan worden. Zo mogen onze gemeentes in de wereld staan. Zo mogen wij in de wereld aanwezig zijn.

Amen

ds. Peter Korver