Home » Overweging 8 november

Overweging 8 november

Als je de cultuur van de tijd waarin wij leven zou willen karakteriseren dan komen er steevast drie begrippen naar boven: individualisme, secularisering en materialisme. Of, als ik het wat direct onder woorden mag brengen: God en kerk doen er niet langer meer toe, het draait om het ik en om de zichtbare, maakbare wereld.  Onze cultuur is geneigd mensen te zien als individuen, zelfstandige wezens, die misschien soms heel even iemand anders nodig hebben. We verenigen ons niet meer zo vlug. We kunnen voor onszelf opkomen en hebben daarvoor geen vakbond of een politieke partij of een kerk nodig. Sommigen zeggen heel trots: O nee, ik word nergens lid van, en zien dat als de hoogste vorm van hun onafhankelijkheid. De welvaart is de laatste halve eeuw verviervoudigd. De mogelijkheden om je te ontplooien zijn enorm gegroeid, ongeacht je afkomst. De gezondheidszorg heeft het leven en het welbevinden vergroot. Voor veel mensen is het denken gericht op groei, op meer, op toekomst. Natuurlijk, er kan een keer een kink in de kabel komen. Een ontslag, een ziekte. Dat is dan een tijdelijke onderbreking van de weg die vooruit wijst.

Maar wat als er een echte streep getrokken wordt door je verwachtingen? Als je hardhandig stil gezet wordt en je hoort: deze weg is voor jou afgesloten. Je hebt ingezet op een studie, maar je wordt niet toegelaten. Je hebt gesolliciteerd op een ideale baan die precies dat biedt wat bij je past, maar je krijgt een afwijzing. Je hebt een relatie met je partner die liefdevol en vol toekomst is, maar de ander breekt die af. Wat als je gezondheid er de brui aan geeft en je lichaam niet wilt doen wat jij van hem vraagt? Je krijgt niet je zin, je wordt gedwongen je neer te leggen bij harde feiten. Het lijkt erop dat vorige generaties zich gemakkelijker konden neerleggen bij feiten als deze zich voordeden. Zij waren ermee vertrouwd dat het leven maar tot op zekere hoogte maakbaar was en dat tegenslag en onheil jou, net als ieder ander, kon treffen. En jij? Is het acceptabel voor je dat iets niet lukt, niet doorgaat, dat je afstand moet doen van een droom, een hartstochtelijk gekoesterde wens? De weg terug moet worden ingezet. Weg van wat je eigenlijk zou willen en terug naar een situatie die niet ideaal is. Hoe ga je die weg? Laten we kijken naar de afbeelding van Werkman. We wandelen daar als het ware mee met een gebogen man, steunend op een stok. Hij loopt terug naar daar van waar hij kwam. Het is de Baalschem, de vrome leraar, die Jeruzalem had willen bereiken, zijn hoogste goed, maar hij heeft onderweg schipbreuk geleden en er rest hem niets anders dan terug te keren.

De weg terug WerkmanHendrik Werkman (1882-1945) is nog steeds niet heel erg bekend bij een breed publiek. De afgelopen maanden was er aan hem een expositie in het Groninger Museum  gewijd. Hij werd bekend als de drukker van De Ploeg, de kunstenaarsvereniging die aan het begin van de 20e eeuw het culturele leven in Groningen ” opschudde”. Tijdens de oorlog verzorgde hij samen met verschillende uitgaven die in bedekte termen kritiek leverden op het nazi-bewind. De teksten werden door Werkman voorzien van prachtige kleurrijke “druksels”. Uit die tijd stamt ook een van zijn bekendste werken, een dubbele serie van tien druksels getiteld: Chassidische legenden, verhalen uit de Joodse vroomheid, waarvan u hier er één ziet afgebeeld.

In 1941 krijgt hij een bundel verhalen van Martin Buber te leen, over de grote achttiende-eeuwse Poolse chassidische leraar Israël ben Eliëzer, bijgenaamd de Ba’al Shem Tov. Een aantal verhalen verbeeldt hij in druksels. U ziet hier een druksel dat gemaakt is naar aanleiding van het verhaal ‘Jerusalem’. In dat verhaal gaat de BaaI Shem met zijn leerling rabbi Zwi tegen de wil van God op reis naar Jeruzalem. Dat is zijn innigste verlangen, zijn hoogste ambitie. Welke Jood wil niet thuis komen in de gouden stad, Jeruzalem, waar de berg Zion is, waar de tempel van God heeft gestaan, waar eens Gods nieuwe wereld zal neerdalen. Het mag dan het hoogste verlangen van de BaalShem zijn, maar het is niet zijn bestemming, niet wat God met zijn leven op dat moment wil. In een nachtelijke storm lijden de twee mannen schipbreuk en kunnen niet anders dan terugkeren. Op het hier afgebeelde werk zien we de Ba’al Shem die naar huis, naar Polen, terugkeert.

We wandelen als het ware met hem mee, met deze enigszins gebogen figuur, leunend op zijn stok. De BaaI Shem was vol geweest van het idee Jeruzalem te bereiken. Het zachte rood en geel verbeeldt nog die vreugdevolle verwachting, maar zijn thuis is in het land dat hij wilde verlaten voor Jeruzalem. Reeds begint het land al weer groen te worden, niet ver meer zijn de vlakten van Wolhynië, terzijde beginnen de eerste bossen al te donkeren en het huisje in het ghetto is nabij. Dan is hij weer thuis. Een grotere winst dan Jerusalem is gewonnen: te wandelen met het Woord is wandelen in Jerusalem, overal op de wereld, desnoods op een stokje, en desnoods onder de lach of de hoon der volkeren rondom’.  De reis naar Jeruzalem is een loutering geworden, een ontmoeting met zichzelf en een ontmoeting van God. Het doel is gehaald, Jeruzalem zelf niet. Wat hij zocht heeft hij gevonden, in zichzelf en zal aanwezig zowel in zijn hart, als in het Poolse dorp waar hij naar terugkeert als in zijn eigen hart.

Emmaus_JanetBrooks-GerloffMaar ook op dat andere schilderij van  Janet Brooks Gerloff is de weg terug ingezet. Zij maakte het voor een nieuwe vleugel van  een Benediktijner abdij in Aken, in 1992.

Emmaüsgangers zijn er en Jeruzalemgangers. Wie naar Jeruzalem reisde, ging op naar de H. stad waar de tempel was, zong verheugd pelgrimsliederen. Wie Jeruzalem verliet, daalde af en kwam in de stad Emmaus waar een groot garnizoen van de vijand was gelegen – een Romeins legerkamp, – een sterk Romeins bolwerk. Zie de tegenstelling. Jeruzalem, haar naam jeroeshaloom betekent stad van de vrede. De gang van de leerlingen naar Emmaus, van Jeruzalem weg, naar beneden – dat weten bijbelgeleerden haarfijn uit te leggen – is de weg van de volledige capitulatie. “Naar Emmaus gaan” betekent het einde van alle dromen rond vrede en vrijheid. Stel je voor: de leerlingen van Jezus capituleren voor de dood!

Heeft de dood dan toch het laatste woord? Twee leerlingen van Jezus nemen de weg terug, terug naar het leven dat ze leidden voordat ze Jezus leerden kennen. Ze trekken weg van Jeruzalem – stad van vrede – naar Emmaus – stad van capitulatie. Hun idealen lagen aan scherven. Diep teleurgesteld keerden ze de stad van vrede, Jeruzalem, de rug toe en gingen weer terug naar de slavernij van de dood, terug naar Emmaus. Maar onderweg voegt zich iemand bij hen, het is Jezus zelf, maar hun ogen waren niet in staat hem te herkennen. Ze zien het niet meer, ze zien hem niet meer. Ze krijgen uitleg van hem van al die bijbelse geschriften die op hem betrekking hebben, maar het zegt ze niet veel. De schilder van ons olieschilderij toont ons de beide Emmausgangers en hun begeleider Jezus. Wij zien niet hun gezichten, alleen hun rug. De drie lopen a.h.w. voor ons uit en nodigen ons om met hen mee te gaan en te gaan horen wat ze met elkaar aan het bespreken zijn en om ook zelf het gesprek met de onbekende reiziger aan te gaan.

De lange mantels van de beide leerlingen zijn zwart. Het lichtspel aan de horizon – beeld van de nieuwe dag en de opstanding – heeft weinig vat op de donkerte van hun kleding. Ze zijn in de greep van hun sombere gedachten. Hun mantels verwijzen naar de zorgen, de pijn en het lijden van mensen van alle tijden. Naast hun loopt de Onbekende. Hij is maar een omtrek, getekend met een potlood. Een doorzichtige en lichte gestalte die nog niet is aan te raken. Maar aanwezig als een lokroep om oude wegen te verlaten en nieuwe te ontdekken en daarbij het doel niet los te laten. Zo gaat Hij met ons mee.     De twee leerlingen lopen op de linkerhelft van het doek, hun begeleider is in het midden afgebeeld. Om hem draait het hele beeld. Met zijn drieën lopen zij door een landschap zonder weg op een wijdse horizon af. De kleuren die de schilder gebruikt zijn aarde-kleuren en suggereren een woestijn. Aan de horizon rechts spelen licht en het donker van de regen met elkaar. Het blijft open wat hen aan het einde van hun weg wacht. Hun blik is daar ook niet op gericht. Belangrijk is het onderweg zijn met de Onbekende. De avond nadert. Blijf bij ons, Heer, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde. Vasalis dicht: de avond kwam. Er is ontdooien van vast verdriet. De onbekende laat hun harten weer branden. Straks bij het nemen, breken en delen van het brood zullen hun de schellen van de ogen vallen.

Op hun weg terug heeft teleurstelling, verbijstering, somberte hen in de greep. Ze zien niet op of om. Alles wat ze wonnen in het leven met Jezus is verloren gegaan. Terug naar af. Maar er is er één die met hen meeloopt. Bijna niet zichtbaar. Maar die bij hen is en die het brood met hen deelt en daarmee de ogen opent. Wat een zegen als er iemand is die op jouw terugtocht stil aanwezig is en met je meeloopt.

Voor velen van ons geldt dat we ouder aan het worden zijn en de weg terug is ingeslagen. Wat we hadden, wat we konden, wie we waren, het wordt minder, we leveren in. Kent u die plaatsjes van de levenstrap? Links onderaan de baby, die bij tien jaar op de eerste trede staat, nog hand in hand met zijn ouders. Op de tweede is hij 20, een krachtig wordende jongeling, op de volgende is hij resp. 30, 40 en 50. Dat is de hoogste trede, dan is hij op de top van zijn maatschappelijke macht en kracht. Daarna loopt de trap naar beneden. 60, 70, 80 jaar, tot aan 100 en dan is het op. Is dat een weg terug? Het is maar hoe je er tegenaan kijkt. Ja, de lichamelijke kracht neemt af, nee, er is veel wat ons vergezelt, aan bekenden en onbekenden, geliefden, vrienden, kinderen, wijsheid, herinneringen. Daarmee maken we de weg terug naar waar we vandaan kwamen, bij onszelf, bij het licht waar we uit voortkwamen en waarnaar we mogen terugverlangen.

Amen.

ds. Peter Korver