Overweging 8 maart

Hadden we vanmorgen een passender gedicht kunnen vinden dan de Green pastures van Ida Gerhardt? De grauwe, donkere, natte maanden, die achter ons liggen leken meer op één langgerekte herfst dan op een echte winter. En vandaag lijkt de lente door te breken. Zonlicht en omhoog vliegende temperaturen beloven dat gauw de bomen zullen uitlopen, er voorjaarsbloemen en planten tot bloei zullen komen en we op onze wandelingen en fietstochten jong vee en andere dieren zullen tegenkomen. In het gedicht green pastures lopen we door de groene weilanden, in het licht van de zon, bij een zachte temperatuur, de pracht van wat de natuur ons daar te zien geeft, fluitenkruid, madeliefje, pinksterbloem, ereprijs, boterbloem en margriet, insecten en vogels. De dichter is gaat daar niet alleen. Ze spreekt van een wij, we leiden elkaar , we zijn hand in hand. Samen wandelen in dat beloofde land waar je rust vindt. Het gedicht is onmiskenbaar geïnspireerd door psalm 23: Die psalm spreekt van God als een herder die zijn schapen naar hun bestemming voert, door de dood heen, naar de grazige weiden. De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Maar de ik daar is hier een wij. Die wij zijn gekomen langs koele stromen, langs angst en pijn, maar naderen nu, ‘aan het eind der tijden’ een voorgoed vervulde, volkomen liefde. Dat is bijzonder. Gaat het in gedichten en romans niet veel vaker over onvervulde liefdes en verlangens? Toen Ida Gerhardt dit gedicht publiceerde was zij 50 en zij zou een jaar later gaan samenwonen met haar vriendin Marie van der Zeyde. Een gelukkige verbintenis, die ons nog een prachtige vertaling van de psalmen zou brengen. Uit het Hebreeuws, nauwgezet en poëtisch, en sinds vele jaren in gebruik in de kloosters, waar monniken ze lezen en zingen bij het getijdegebed. In Green Pastures is alle eenzaamheid opgeheven. Haar leven is compleet gemaakt, er is evenwicht gekomen. Vrede, verwondering en dankbaarheid; van levensstrijd is geen sprake meer. De omstandigheden zijn volmaakt: haar pad voert in het volle licht en bij zacht weer, «door het lieflijk groene land». En er wordt getuigd: «niet zal Hij ons scheiden». De tweezaamheid is van hogerhand bezegeld. De tweede strofe spreekt een verwonderde vraag uit: ‘Wie heeft onze levensgang geleid?’ De retorische vraag veronderstelt een gelovige overtuiging dat Gods voorzienigheid dit heeft bewerkt. Hij heeft «ons van tranen en angst bevrijd». Waar ze haar hele leven nauwelijks op heeft durven hopen, is aarzelend werkelijkheid geworden. Een bemoedigend gedicht dat ons laat delen in de ervaring dat je pijn en je moeite eens overwonnen zullen zijn en je verlangen is vervuld, in een relatie met een ander en samen met die grote Ander. Er is sprake van «komend voor zijn aangezicht / aan het eind der tijden». Dat is ook het moment van eindelijk volkomen kennen en gekend zijn Toen ze dit schreef was zij echter niet aan het einde van haar leven. Ze had er iets meer dan de helft opzitten. Misschien zijn er nog vele andere ervaringen gevolgd die haar hebben weggeleid van de green pastures. Maar deze authentieke ervaring dragen het leven ook als het vertrouwen wordt aangevochten.

Waar we met psalm 23 en Green pastures van Gerhardt troostvol en bemoedigend de lente binnenstappen, daar komen we in het evangelie Jezus tegen die ook onderweg is, ook aan het begin van de lente, op weg om het paasfeest te gaan vieren in Jeruzalem.

Hij komt bij de tempel en treft er handelaren aan in runderen, schapen en duiven. En de geldwisselaars die daar zitten. Die aanblik is hem teveel. Hij maakt van stukken touw een zweep en drijft ze de tempel uit. Allemaal. Met hun beesten. Het geld van de wisselaars smijt hij over de grond. Hun tafeltjes werpt hij omver en tegen de duivenverkopers zegt hij: “Weg met dit alles! Maak van het huis van mijn vader geen bedrijf”. We worden ruw weggehaald uit de droom van de grazige weiden, het verkeren bij wateren der rust. Maar ook raken vele vertrouwde beelden die we hebben van Jezus verstoord. Deze Jezus, die ontsteekt in woede, die geweld niet schuwt, die kunnen we moeilijk verbinden  met het beeld van de goede herder. Ook kunnen we hem moeilijk een plekje geven tussen de afbeeldingen op onze liturgie. Salvador Dali schilderde in 1951 Jezus Christus hangend aan een kruis van bovenaf gezien in een donkere lucht zwevend boven het water compleet met boot en vissers. Hij is de lijdende, de voor deze wereld lijdende mens. Rembrandt maakte het ‘Portret van Jezus’ rond 1650. Het toont ons een zeer menselijke Christus. Uit de rooms-katholieke traditie een wat zoetsappig Heilig Hart beeld van Jezus. En dan een icoon, waar Jezus ontstegen aan zijn tijd en werkelijkheid, in alle eeuwigheid ons aankijkt of misschien beter gezegd, over ons heen schouwt naar een werkelijkheid voorbij de onze. Maar hoe anders is de Jezus die Johannes ons schildert in zijn verhaal van wat we de tempelreiniging noemen! Dit is geen goede herder, niet de vredesvorst, niet de zachtmoedige. Hier lijkt er een fanaticus aan het werk die eigenmachtig en met geweld de gang van zaken in de tempel naar zijn hand wil zetten. In verband met het paasfeest was er op het tempelplein volop activiteit en krioelde het van de mensen en handelaren. Allerlei dieren werden er verkocht die waren bestemd voor het brengen van de voorgeschreven offers. Geldwisselaars wisselden tegen provisie de gangbare Romeinse munten met heidense afbeeldingen erop tegen zilverstukken die door de inners van de tempelbelasting wel werden geaccepteerd. Dat al deze activiteiten zich uitgerekend op het tempelplein afspeelden, was Jezus een doorn in het oog. Zou deze tempelreiniging zich ook op deze manier hebben afgespeeld? Of moeten we het verhaal als een gelijkenis lezen, als een symbolisch verhaal? De middeleeuwse mysticus Meister Eckhardt zei in een preek over dit verhaal eens, dat de tempel van Jeruzalem, die door Jezus gereinigd werd, ons hart is. Ons hart waarin alles leeft: onze angst en onze reactie daarop, onze machtswellust, onze hebzucht, onze mentaliteit van onderdanigheid en van afhankelijkheid. Maar ook ons verlangen naar vrijheid, de moed om te leven, het geluk van de menselijkheid en de kracht van de liefde. Kortom: hier is de vraag in het geding door welke machten en krachten we ons laten binden. En waarvan moeten wij ons reinigen, innerlijk?
Op het tempelplein in Jeruzalem rekende Jezus af met een geloofsvoorstelling die van God zoiets als handelswaar maakte door hem apart te zetten van onszelf en ons dagelijkse leven. In een aparte ruimte. Buiten onszelf.
Jezus heeft zich met heel zijn persoon ervoor ingezet om de godsdienst weer te verplaatsen naar waar hij vindt dat ze thuishoort: in de heilige ruimte van ons dagelijkse bestaan, met ons hart als de eigenlijke tempel van God. Het werd hem niet in dank afgenomen.

Zou de tempelreiniging dus niet echt gebeurd zijn, maar slechts een symbolisch verhaal zijn dat ons iets vertellen wil over ons eigen zielenleven? Meer een mythe, in de betekenis die de psychologie en sociologie er aan is gaan geven, een verhaal met een louterende werking dat een diepe waarheid over het menselijk bestaan uitdrukt, maar niet verwijst naar werkelijke historische gebeurtenissen? We komen daarbij in een discussie die de afgelopen maand is opgelaaid in de PKN toen een dwarse dominee uit Nijkerk beweerde dat Jezus nooit had bestaan, maar dat hij een mythe die afkomstig is uit Egypte en die overgenomen is door Egyptische Joden. Een paar jaar geleden had je dominee Klaas Hendrikse al die zei dat God niet bestond en nu heb je ds Edward van der Kaaij die zegt dat Jezus niet bestaat. Wat blijft er zo over van het geloof, zo vragen mensen zich daar af.

Als vrijzinnigen bezien we enigszins vermoeid of wellicht vermaakt naar deze commotie. Het lijkt om discussies te gaan waar wij allang aan voorbij zijn. Het letterlijk lezen van het scheppingsverhaal, van wonderen, van opstaan uit de dood hebben wij niet nodig om toch grote betekenis te ontlenen aan deze verhalen voor ons leven. Zoals wij ook betekenis toekennen aan de mythen van andere godsdiensten of aan sprookjes. De diepte, de betekenis zit niet in een feitelijk gebeuren.  Dat neemt niet weg dat er historisch gesproken voldoende feiten zijn om ervan uit te gaan dat de mens Jezus van Nazareth reëel heeft geleefd. Daarvoor wordt hij te aards beschreven in de evangeliën. Paulus, die al twintig jaar na Jezus dood over hem schreef, heeft vele discussies met tegenstanders, maar nergens wordt hem verweten dat die Jezus van hem nooit geleefd zou hebben.  Ongetwijfeld zijn de verhalen over Jezus aangevuld, ook met mythische elementen. Dat er maar weinig buitenbijbelse bronnen zijn die hem noemen, is niet vreemd. De Amerikaanse nieuwtestamenticus John P. Meier schreef twee kloeken delen over Jezus onder de titel ‘Jesus, a marginal Jew’. Hij zegt dat het marginale karakter van zijn leven helemaal in overeenstemming was met zijn zelfgekozen weg. Zijn belangrijkste werkterrein was niet Jeruzalem, maar de provincie, Galilea. Hij trok doorgaans op met de achtergestelden, de gemarginaliseerden. ‘Zalig zijn de armen’ was de boodschap. Dat waren geen favoriete thema’s voor de geschiedschrijving van Livius of de poëzie van Vergilus. Die schreven over de grote daden van de keizers en de lof van het Romeinse imperium.

Jezus leven is er een van daden die klein zijn in het machtsperspectief van zijn dagen, maar groot zijn voor de omvorming van mensen. Hij gaat in ons leven tekeer om ons weg te voeren uit een streven naar macht, naar bezit, naar genoegdoening en ons te leiden naar grazige weiden en wateren der rust. Daartussen ligt een leven van tranen en angst, een moeizame persoonlijke bijdrage aan Gods andere wereld, een wereld van vrede en recht. Maar, met Ida Gerhardt, wij mogen zien, eens, bij momenten nu, wat geen aardse wei verbeeldt:

Glans in glans, door glans omspeeld op de groene weiden.

Amen.

Peter Korver