Overweging 7 september 2014

Lezing : Jesaja 11 : 1-10
1 Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op,
een scheut van zijn wortels komt tot bloei.
2 De geest van de Eeuwige zal op hem rusten:
een geest van wijsheid en inzicht,
een geest van kracht en verstandig beleid,
een geest van kennis en ontzag voor de Eeuwige.
3 Hij ademt ontzag voor de Eeuwige;
zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn,
noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.
4 Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,
de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.
Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond,
met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.
5 Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen
en trouw als een gordel om zijn heupen.
6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.
7 Een koe en een beer grazen samen,
hun jongen liggen bijeen;
een leeuw en een rund eten beide stro.
8 Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.
9 Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
op heel mijn heilige berg.
Want kennis van de Eeuwige vervult de aarde,
zoals het water de bodem van de zee bedekt.
10 Op die dag zal de telg van Isaï
als een vaandel voor alle volken staan.
Dan zullen de volken hem zoeken
en zijn woonplaats zal schitterend zijn.

Lezing : Marcus 1 : 9-20
9 In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.10 Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, 11 en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’
12 Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in. 13 Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem.

14 Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde.15 Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’
16 Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. 17 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 18 Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. 19 Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, 20 en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.

Overdenking : Dat Koninkrijk van U, wordt dat nog wat?
De schrijver Gerard Reve woonde in de jaren zestig in Friesland, in het gehucht Greonterp. Daar had hij een buurvrouw, die zo’n twintig jaar eerder, in februari 1945, kort voor het einde van de bezetting, haar broer was verloren. De beruchte landwacht deed een inval in de boerderij van het gezin. Haar broer die 18 jaar oud was, probeerde te ontkomen en werd doodgeschoten. Voor haar schreef Reve het volgende gedicht:

Graf te Blauwhuis
Voor buurvrouw H. te G.
‘Hij rende weg, maar ontkwam niet,
en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.
Een strijdbaar opschrift roept van alles,
maar uit een bruin geëmailleerd portret
kijkt een bedrukt en stil gezicht.
Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die koning zijt, dit en dat, wat niet al,
Ja ja, kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.
Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’

(Uit: Gerard Reve: Nader tot U)

Wat me in dit gedicht in het bijzonder aantrekt is dat dichter geen dikke ik heeft, hij stelt zijn eigen emoties niet centraal. Hij is er alleen in het mededogen. Geen zelfbeklag, wel veel inlevingsvermogen.

Op het graf staat een steen met wat Reve een strijdbaar opschrift noemt: ‘Ter vrome nagedachtenis aan Gerrit Rijpma, die dodelijk getroffen werd toen hij trachtte te ontkomen aan zijn vervolgers. Leve het vaderland, vrede voor ons volk, hij rustte in vrede’. Reve wordt geraakt door de tegenstelling tussen het portretje op het graf, met het lieve gezicht en de strijdbaarheid van de tekst eronder. En Reve stelt tegenover dat vaderland, dat Koninkrijk der Nederlanden het Koninkrijk van God.
Het valt u vast op: de dichter moet het niet hebben van een vloeiend ritme of van vernieuwend taalgebruik. Wat Reve groot maakt is stijl. Je herkent het zo als bij hem behorend. Daarin kon hij overtuigend dé grote thema’s van het leven verwoorden, Liefde en Dood, bij hem steeds in hoofdletters geschreven.
Die laatste regel heeft zowel iets wanhopigs als ironisch.

Wat is toch dat Koninkrijk van God? We hoorden zojuist over de roeping van Jezus, terwijl hij gedoopt wordt in de Jordaan, over hoe hij zich daarna eerst veertig dagen terugtrekt in de woestijn, een retraite dus en daarna terugkeert in de wereld van alledag en in de openbaarheid treedt. Het eerste wat hij zegt is: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij’. Dat is zijn centrale boodschap. Er staat iets op doorbreken, het wordt nu allemaal anders. Het koninkrijk van God, dat is deze wereld, maar dan anders. Een nieuwe vertaling, de Bijbel in Gewone Taal spreekt van Gods nieuwe wereld. Of: het Koningschap van God of het Rijk van God. Een wereld waar geen menselijke koningen of presidenten of politici de baas zijn, maar waar God regeert. Of nog gewoner gezegd: onze wereld als die door God geregeerd zou worden. Daar gaat het er anders aan toe, daar zijn andere regels, daar maken vrede en gerechtig de dienst uit. Waar is dat koninkrijk? Is het een droombeeld, een visioen, een Fata Morgana, een ideaal? Wanneer krijgen we daar iets van te zien? Nooit, omdat het nu eenmaal een ideaalbeeld is? Of mag je het toch reëel verwachten? Wanneer, aan deze kant van onze dood of erna, zeg maar als de hemel? Nee, Jezus zegt daar zelf over : (Lc 17:21) Het koninkrijk van God is midden onder u. Ook wordt vertaald: het is in U. ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt’. Dat zei hij tweeduizend jaar geleden. En iedereen die erbij was is gestorven en ze hebben geen hemel op aarde, geen Godsrijk aanschouwd en wij nog altijd niet.

Heeft Jezus zich dus vergist? Nee, voor de christenen in die eerste eeuwen niet. Ze snapten dan wel niet waarom het Rijk uitbleef, maar waren ervan overtuigd het dus zelf verkeerd te begrijpen, want de bijbel had uiteraard in een letterlijke lezing gelijk. En daarna werd het geduldig afwachten. Generatie na generatie ging voorbij. Als mensen moest je alvast gedragen als inwoner van dat rijk, dus een voorbeeldig leven leiden. En dat kosmische einde kan nog vele eeuwen ver weg liggen. Begin vorige eeuw pakte onze oerwouddokter Albert Schweitzer, die ook vrijzinnig predikant was, de discussie weer op. Heeft Jezus zich vergist? Ja, Jezus was een kind van zijn tijd, hij leefde met dezelfde overspannen eindtijd verwachtingen als zovelen anderen en die zijn overduidelijk niet uitgekomen. Maar zijn ethiek, zijn levenswandel, die blijven inspireren. U begrijpt wel, als je het zo ziet, is Jezus niet God, zoon van God, maar een mens die zich vergissen kan maar wel als een voorbeeldig mens, het navolgen waard.

Zijn we het er dus over eens dat Jezus leefde vanuit een verwachting die niet is uitgekomen? Maar wat bedoelde hij dan toen hij zei: Gods nieuwe wereld is in u? Kan je hart, je ziel, geregeerd worden door vrede en rechtvaardigheid, door God in jou, terwijl de wereld om je heen geregeerd wordt door kwade krachten? Zo is het immers mogelijk al in het hier en nu in Gods koninkrijk te leven! Of wordt het zo te zeer ‘vergeestelijkt’? En hebben we er wat aan als een aantal individuen het Rijk in zich dragen, maar ondertussen het Midden-Oosten in brand blijft staan, de ebola oprukt en de aarde kreunt onder het teveel aan uitputting en vervuiling?

Ik vermoed dat je daarmee een tegenstelling creëert die er misschien niet is. Een nieuwe, een meer leefbare wereld, waar alle mensen tot hun recht komen, die komt er niet vanzelf. En ook niet door de juiste ideologie en politici te kiezen. Begint het niet in ieder van onszelf? Welke gezindheid leeft daar? In dit jaar staan we stil bij de wereldoorlog die een eeuw geleden begon, 1914. Er waren politici die allerlei geheime bondgenootschappen hadden afgesloten waardoor het ene land het andere de oorlog introk. Er waren ideologieën als het nationalisme, mijn land boven al die andere, het imperialisme, het willen bezetten van land van anderen, het creëren van koloniën. Maar die gezindheid zat vooral ook in gewone mensen, die zich enthousiast in de oorlog stortten. Het zou een frisch frölicher Krieg worden en ik moet mijn leven geven voor mijn vaderland, dat de oorlog niet mag verliezen. Die ander, die deugt niet, die is demonisch. Met deze overtuigingen is Gods nieuwe wereld niet in ons. Daar, in je ziel, daar moet de verandering beginnen. De overtuiging dat elk mens, van welke nationaliteit, van welk geloof, van welke cultuur of overtuiging ook, er mag zijn en met respect behandeld moet worden. De innerlijke overtuiging dat geweld slecht is en tot het uiterste dient te worden voorkomen. Dat over Gods nieuwe wereld in ons.

Dan het grote visioen. Die nieuwe wereld komt ook niet dichterbij als we de droom van hoe het ook kan zijn, hoe het zou moeten zijn, als we die verliezen. Daar moet je altijd mee beginnen. Eerst een doel stellen. Wat wil je ten diepste? In elke organisatie heb je dromers en zogenaamde realisten. De laatsten reageren op elk plan, elk bevlogen idee met het opsommen van duizend en één bezwaren en problemen. Je hoort het ze zeggen. Ja maar… Zo eenvoudig is het niet. Dat lukt nooit. Ik weet het niet hoor. Hoe komen we aan het geld? Enzovoort, enzovoort. En weg is het ideaal, weg is de vut, weg het enthousiasme.
Ja, dat visioen, dat ideaal van Gods nieuwe wereld wordt dat nog wat? Is er een God die alles uiteindelijk ten goede doet keren? De afgelopen zomer, met al zijn geweld in de Oekraïne, in Syrië en Irak, het neerschieten van het vliegtuig, het is voor velen te veel, too much, en ik hoorde van enkelen: ik ben mijn geloof verloren. Wat doe ik in een kerk als God toch niet bestaat, in ieder geval niets doet… En als God niets kan veranderen, wij kunnen het zelf ook niet. Er zijn christenen die menen dat wij met al onze goede bedoelingen dat Koninkrijk nooit zullen realiseren. Dat doet God alleen, op zijn tijd en wij kunnen alleen medestanders, medewerkers zijn. De mens is nu eenmaal klein, kwetsbaar en zondig.

Deze orthodoxe opvatting huldigen wij als vrijzinnigen niet. We hebben een optimistischer mensbeeld. Wij geloven in de mens. Wij laten ons ook wel uit het veld slaan natuurlijk, als we zien wat er in de wereld gebeurt. Maar we weten ook: we zijn verantwoordelijk en het zal van ons moeten komen, van onze inzet. Met hulp van Gods Geest. Niet door activisme, door alleen maar als een kip zonder kop te doen en te praten. Gods Geest, die ons eerst stil doet worden, die ons inzicht geeft in ons eigen onvermogen, onze eigen gewelddadige gedachten en die van daaruit ons ontvankelijk maakt om op geweldloze wijze te communiceren met anderen, zodat onze woorden goed doen, anderen niet van ons doen vervreemden en samenwerking met medestanders en samenwerking met onze tegenstanders tot stand kan komen.

Een andere schrijver, de dichter Rutger Kopland, die ook psychiater was, beschrijft in zijn gedicht ‘Al die mooie beloften’ de – wat hij noemt – ‘eeuwige vragen’ van Jezus. Eén daarvan is: ‘Waar was jij?’. Die vraag kunnen we niet negeren. We mogen de bewerkstelling van het Koninkrijk van God niet alleen aan Hem overlaten. Waar was jij toen je zag dat je buurman in nood was? Waar was jij toen je zag er conflicten waren in je omgeving? Waar was jij toen je zag dat de aarde zuchtte onder alle vervuiling, verwoesting en uitputting?
Jezus zegt ergens in Lucas 17: “Het Koninkrijk van God komt niet zo, dat het te berekenen is; zie hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk van God is bij u, is in u, is onder u, is binnen u.” Dat is hoopvol nieuws. Het is niet ver weg. Wij kunnen er iets mee. We mogen er iets mee. We moeten er iets mee. Wat goed dat we daarover steeds weer mogen horen in een geloofsgemeenschap. Wat goed dat we elkaar bij de les houden en houden op de weg naar Gods nieuwe wereld.

Amen.
Peter Korver