Overweging 7 juni

IMG_4015Overdenking  ‘Als aspecten van de diamant’

Mijn oma was al oud toen ze mij op een gegeven ogenblik vertelde dat één van de moeilijke dingen van ouder worden is dat niemand je meer bij je naam noemt.

‘Ik ben’, zo zei ze ‘moeder, oma, mevrouw, maar de mensen die me bij mijn naam noemden zijn er niet meer’.

Elk van de mensen met wie zij in haar leven een relatie had kende haar op een andere manier; eerst als dochter en zusje, later als echtgenoot en moeder, maar ook als tante, vriendin, buurvrouw noem maar op.

Zo werd zij, maar worden ook wij, elk gekend door mensen die ons omgeven. En elk van deze mensen kent een ander aspect van ons.

Het is maar hoe je kijkt.

Zo is het, zo zou je kunnen zeggen, ook met God.

Je kunt je afvragen; als ik God zeg -en u herkent deze naam- bedoelen we dan dezelfde God? Herkennen we in deze naam dezelfde of hetzelfde?

Ik durf te stellen dat wij hier elk ons eigen beeld bij hebben, zelfs als we geen beeld meer hebben is ook dat een bepaald beeld. Misschien herkennen we elkaars God als we God met ons eigen godsbeeld beschrijven.

Wat is uw beeld van God? Hoe ziet uw God eruit? Wat zijn Zijn of Haar kenmerken?

Als we ons God zouden voorstellen als een diamant, zoals ik heb getracht te verbeelden met de diamant die hier in ons midden staat, dan zult u bemerken dat ieder van u die diamant net weer even anders ziet. En toch hebben we het over dezelfde diamant. Elk ziet vanwaar hij of zij zit een ander facet.

Je zou misschien kunnen zeggen dat wat wij God noemen, een gedeelde waarheid is.

Het verhaal van de kruik met de waarheid is hier de verbeelding van. En zoals net de kruik kapot gevallen is en de waarheid – zoals in het verhaal – verdeeld raakte, is wellicht God – als beeld, als Waarheid – over de aarde verspreid geraakt.

De afgelopen maanden heb ik boeken bestudeerd van de godsdiensthistorici Karen Armstrong en Frédéric Lenoir. Beide schrijven onder andere over de wordingsgeschiedenis van ons godsbeeld. Dat is waar ik vanmorgen op inzoom.

Wanneer we terugblikken in de geschiedenis van de mensheid zien wij daarvan maar een heel kleine stukje van al die miljoenen jaren.

Al in de prehistorie ervaart de mens dat er iets is dat hem ontstijgt. Iets wat een huiver opwekt van angst, van ontzag van…ja, waarvan? Een mysterie. Er zijn eigenlijk geen woorden aan te geven, het blijft bij een gebrekkig gestamel.

Deze ervaring, een ervaring die we soms zelf ook kunnen hebben als we geraakt worden in de natuur, in muziek, in poëzie, beschrijft Rudolf Otto als een mysterium tremendum  et facinans. De huiveringwekkende ervaring van de transcendente werkelijkheid. Dat wat ons te boven gaat en ons overstijgt. Een huiver die ontzagwekkend is en tegelijkertijd blijft fascineren. Denk aan Mozes bij de brandende braamstruik, die zijn schoenen uit deed om dat heilige te naderen.

Kunnen en durven wij ons zelf toe te staan dat ook andere godsbeelden ware godsbeelden zijn? Dat alle religies met hun godsbeelden ditzelfde mysterie proberen te beschrijven.

Frédéric Lenoir constateert dat wanneer mensen spreken over hun religie er verschillen en soms ook behoorlijk grote verschillen zijn. Het gaat dan over de dogma’s en beelden die er binnen elk van deze religies bestaan.

Tegelijkertijd signaleert hij ook dat wanneer de mystici van deze verschillende religies proberen hun ervaring van het Heilige te beschrijven, vinden deze elkaar in de taal die ze gebruiken als ze cirkelen rond het Geheim. Een Indiaas mysticus zegt Woorden zijn enkel schaduwen van gedachten en gevoelens.

En Meister Eckhart zegt dan Over God wil ik zwijgen. Tegelijkertijd is er in hem een drang om zijn ervaring van het Heilige te benoemen en te beschrijven.

De mens, in zijn behoefte om woorden, naam en betekenis te geven wat hij ziet, voelt, ervaart, probeert met gebrekkig gestamel steeds nieuwe beschrijvingen te geven.

De warmte van de zon, het donderende onweer, het stromende water, het beschuttende struikgewas, de vaste rots, de ruisende wind, noem maar op.

In de grootsheid van de natuur en dat wat ons daarin overstijgt werd – en wordt – het Heilige ervaren. En elk van deze natuurverschijnselen is in de loop der tijd tot goden verworden. Hebben menselijke kenmerken gekregen. Omdat wij niet anders kunnen dan vanuit ons eigen menselijk referentiekader te denken en te spreken. En net als er op aarde hiërarchie ontstond werd dat weerspiegeld naar de godenwereld.

In de Spiltijd, in het laatste millennium voor onze jaartelling, ontstonden de grote religies. We zien in landen als Egypte, Israël en Perzië, eerst het idee van een oppergod en later de overtuiging van één God ontstaan. We kunnen de worsteling hiervan terugvinden in de Bijbel. Want achter het mysterie moet er wel één enkele kracht zijn die hiervan de Bron is.

De Bijbelse verhalen proberen woorden te geven aan hoe wij als mens zijn ontstaan, hoe wij als mens worstelen met ons bestaan en dat we ons mogen toevertrouwen aan dat wat ons ontstijgt, het Mysterie dat ons bestaan en ons mens-zijn in stand houdt en ons helpt om ons steeds weer op te richten. Maar hoe geven wij dan naam aan wie of wat dit is?

Als antwoord op zijn vraag; Wie moet ik zeggen dat het is, die mij gestuurd heeft? hoort Mozes

‘zeg hen: Ik zal er zijn heeft mij naar u toegestuurd’.

Zo weten wij ons getroost en geholpen dat iets, dat iemand, dat het Mysterie wat wij nooit helemaal kunnen begrijpen en benoemen, er zal zijn. Ook als we in benauwenis zijn, zoals het volk Israël dat was toen Mozes hen, onder leiding van ‘Ik zal er zijn’ uit Egypte leidde. Wanneer wij zelf in benauwenis zijn, een moeilijke periode in ons leven hebben. Dit Mysterie, dit Heilige is bij ons en kan ons uit de benauwenis leiden, of is ‘erbij’ in onze benauwenis. De Bijbelverhalen laten ons deze troost, hulp en nabijheid zien.

Niet alleen het volk Israël probeerde zo uitdrukking te geven aan dit Mysterie. Ook andere volken hebben dit getracht.

Zarathoestra, die leefde Perzië, in dezelfde tijd als de grote profeten uit de Bijbel, of misschien zelfs daarvoor, zegt dan

‘Er zij slechts ruimte voor heilige stilte, waarin alleen het ruisen van Uw waarheid hoorbaar zij en slechts zichtbaar de zon van Uw oneindige goedheid’.

Het is herkenbare taal. Woorden zoals we die ook uit de Bijbel kennen. Woorden die bijna gelijk zijn aan wat tot Elia wordt gesproken.

En, net zoals in Deutronomium tegen de Israëlieten wordt gezegd dat God Eén is wordt aan Mohammed geopenbaard:

‘Zegt dan: doch aan mij is geopenbaard, dat uw God is een enig God.’

In de Bijbel lezen wij: ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken’.

Kunnen wij dat? Ons geen gesneden beeld maken? Zijn woorden waarmee wij God beschrijven misschien ook gesneden beelden? Of als wij zeggen ‘zo is het en niet anders’. Wanneer wij zeggen; mijn godsbeeld, ons godsbeeld is het ware, is waar, is waarheid.

Geen gesneden beeld maken, dat is wat er in landen als China en – geloof het of niet – India is geprobeerd. In Azië is men vrijer kunnen blijven van een godsbeeld van wat zij noemen het eerste principe.

De belangrijkste stromingen in China zijn het Taoïsme en het Confucianisme. Daar wordt gesproken over Tao. Dit impliceert dan het geheel van Hemel en aarde en alles wat in de Schepping aanwezig is, de gehele kosmos. Voortgekomen uit volkomen leegte. Voortgekomen uit ‘geen beeld’, ‘beeldloosheid’. In de Tao Te King omschreven als

Een leeg wezen (een leeg Zijn), gehuld in stilte, vrij, onveranderlijk en op zichzelf

…Ik ken de naam niet, maar noem het Tao.

Tao wat de gehele kosmos impliceert van begin tot einde, alpha en omega of zoals de Bhagavat Gîta in het hindoeïsme wordt zegt:

Van de scheppingen ben Ik het begin en het einde, en ook het midden, o Arjuna…

…ook de onvergankelijke tijd ben Ik; en Ik ben de Behoeder, wiens gelaat naar alle kanten gewend is.

En als dit mysterie dan het begin, het midden, het einde en onvergankelijke tijd is dan ga ik de tekst uit Handelingen ook anders verstaan. Dan is de betekenis van de tekst

Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij

er voor mij er één van een God die alles en iedereen is omgeeft.

In beginsel sluit geen van de religies de ander uit. Wij mensen zijn het, die uitsluiten. Er wordt er opgeroepen om de Ander als heilig te zien. Zoals het joodse woord Kaddosh, dat zowel de ander, als anders, als heilig betekent.

Karen Armstrong ziet in de Spiltijd door al deze religies één grondgedachte ontstaan die zij de gulden regel noemt. Deze is als eerste verwoord door Confucius en is in steeds net even andere bewoordingen in alle religieuze stromingen terug te vinden:

‘Wat u voor uzelf niet wenst, wens dat ook een ander niet’

IMG-20150524-WA0011Je zou kunnen zeggen dat religies een moreel en ethisch appèl op ons doen. In deze tijd van mondialisering en culturen die steeds meer vermengen kunnen wij onze blik niet naar binnen, op onze eigen groep gericht houden. Doodgewoon omdat we in één wereld leven die meer en meer vermengt.

Verhoudingen veranderen, godsbeelden kunnen aan puin vallen. Maar het mysterie dat ons te boven gaat blijft. En doordringt ons. We zouden het God kunnen noemen.

Zoals God zich naar de Schepping heeft toegewend mogen wij ons naar God toewenden. Dag Hammerskjöld verwoordde dit met

Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja, tegen iemand – of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in onderwerping, een doel heeft.

Religies proberen woorden te geven aan dat wat ons ontstijgt. Het woord religie betekent niets anders dan verbinden. We zouden deze religies kunnen zien als aspecten van Eén goddelijke Waarheid, als de aspecten van één diamant.

Monika Rietveld