Overweging 7 april 2013: rebel inrekenen

Hoe je een rebel inrekent

Vanmorgen gaan we twee zondagen terug. Palmzondag: een prachtig enthousiast verhaal. Een zondag om niet te vergeten. Jezus als koning begroet in Jeruzalem. Dat wordt ook zo gezongen. Hosanna, hij die komt in de naam van God. Palmtakken en feestgezang. Prachtig. Maar niet voor de leiders van het land. Zij worden er heidens nerveus van.

Als ergens in de jaren 1940 – 1945 prinses Juliana op Amsterdam CS zou zijn aangekomen en per ezeltje, paard of mercedes vervoerd zou zijn naar het Paleis op de Dam. Zo ongeveer was het dat Jezus Jeruzalem binnenkwam. Ongehoord.

Kijken we naar de context van het verhaal uit Israel in een tijd dat het bezet is door de wereldmacht vanuit Rome. Israel viert ondanks de militair-politieke bezetting jaarlijks het eigen bevrijdingsfeest, Pesach genoemd. En elk jaar komen de sentimenten vrij met betrekking tot de bezetting van het land. Pesach mag dan een geloofsfeest zijn geworden, het wordt door velen ook ervaren als een politiek manifest. Ooit zal het land toch weer zelfstandig worden. Wij weten dat het in 1948 zelfstandig geworden is. En wij weten ook dat daarmee geen vrijheid van de heilsstaat bereikt is.

Het verhaal: Jezus heeft volgens de evangelist Johannes gezegd tegen een juichende menigte die in hem de bevrijder van de bezettende Romeinse macht zag: Waarachtig ik verzeker u, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het een graankorrel, maar wanneer hij sterft, draagt hij veel vrucht ( Joh. 12: 24). Het volk heeft die zin verstaan als een revolutionaire oproep. Geweldig. Deze man zegt eigenlijk: ik ben klaar voor het martelaarschap. Strijd kost nou eenmaal levens. Zou Jezus het zo bedoeld hebben?

Het verhaal kent wel ook een andere kant: Bij het eten dat altijd vooraf gaat aan de sabbat voor het bevrijdingsfeest van Pesach – vrij kort na die geweldige jubel-intocht in Jeruzalem – vraagt hij aan zijn vrienden of zij begrijpen waar hij innerlijk mee worstelt. Hij zegt letterlijk: Ik ben doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, God, laat dit alles aan mij voor bij gaan? Het is alsof hij voorvoelt dat hij er steeds meer alleen voor komt te staan. Zijn naaste vrienden kunnen niet eens wakker blijven als hij alleen in gebed zijn innerlijke strijd voert en hen met klem vraagt met hem te waken. Zo eenzaam en verlaten kan een mens zijn,

Bijbellezing:
Mattheus 26 vers 47 – 56

Jezus gevangen genomen. Verraden door een van zijn naaste vrienden. Het verhaal: een tegenstrijdigheid: er is een opgehitste bende bewapend met zwaarden en knuppels, maar ook Judas, de verrader. Een wonderlijke tegestrijdigheid. Wapens van het gepeupel, Judas met zijn kus. Een kus is een teken van verzoening, van eenhied, van verbondenheid, van liefde. Als Judas Jezus ziet, loopt hij naar hem toe en begroet hem met respect “Rabbi, ik begroet u”. En dan kust hij hem hartelijk en krachtig. Zo kust een verrader toch niet? En Jezus reageert met de woorden “vriend, ben je daarvoor gekomen?” Als die twee elkaar in de ogen hebben gekeken, wat hebben die dan in elkaars blik gezien?

Stel nou dat Judas er op uit was om duidelijk te maken waar de werkelijke macht lag. Hij had zo vaak van Jezus gehoord dat het beslissende moment nabij was. Hier was dé kans voor Jezus om te tonen dat hij werkelijk de macht heeft. Judas heeft het zorgvuldig doordacht en voorbereid. Een eenmalige kans.
Vriend en collega Petrus denkt vanuit het zelfde stramien. Hij grijpt het zwaard en begint alvast gewapend de revolutie der machten. Zegt Jezus: Steek je zwaard terug op zijn plaats. Geweld lokt geweld uit. Jezus verwijst op dit cruciale moment naar zijn bergrede. Weet je nog dat ik zei: de ouden spraken van oog om oog en tand om tand. Ik zeg je: als iemand je op je rechterwang slaat, biedt hem ook je linker aan, heb je vijanden lief en bid voor ze.

Dit heeft niemand verwacht, een mens, een rabbi, die doet wat hij zegt. Hij blijft consequent ook nu lijf en leven bedreigd worden.

De kerk heeft het hier altijd moeilijk mee gehad. Luther heeft uitgelegd dat jezus zich keerde tegen geweld dat niet door de staat gelegitimeerd was. Calvijn aanvaardt ook geweld als noodweer. In de 30er jaren heeft de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer zich uitgesproken over valse vragen van de slang. Natuurlijk wil elk redelijk mens zich inzetten voor vrede. Maar God zal toch ook wel inzien dat tanks, gifgassen en atoomschilden nodig zijn? Bonhoeffer stelde: God roept op tot vrede en gerechtigheid. En als je op voorhand dat gebod ter discussie stelt, dan ben je aan het verloochenen.

Jezus ziet af van het gebruik van de macht met het zwaard. Jezus ziet af van de demonstratie van macht en geweld. Zijn Rijk is van een andere orde. Het betekent wel dat al zijn vrienden hem verlaten. Zij zijn met Judas geschokt door het gedrag van Jezus. En wij?

Wij zien toch ook de noodzaak om op te komen voor de vrijheid en mensenrechten waar ook ter wereld. Als Nederlandse natie hebben we eeuwen voor dominee gespeeld. En het kost ons land nog ongelofelijk veel pijn om ons zelfs maar te realiseren – dat is nog niet hetzelfde als toegeven, laat staan om vergeveing vragen – dat wij betrokken waren bij ongelijkwaardige handel, bij transport van mensen van het ene naar het andere continent.

Het is uiterst vervelend om te moeten zien dat Jezus kennelijk een heldere visie had over hoe om te gaan met kwesties van groot, ja zelfs van levensbelang. Geen demonstratie van geweld. Dat is een stellingname die niet voor zwakke zenuwen is weggelegd. En daarom is de gemeente van God-zoekers zo belangrijk. In de kring van twijfelzuchtige mensen sta je niet alleen, daar oordeel je niet elkaar, maar daar ondersteun je elkaar, zelfs als de keuzes uit elkaar gaan. Het is en blijft de plek waar je elkaar uitdaagt tot de waarheid van Jezus. Dan is het bijbelverhaal niet twee eeuwen oud, maar een keuze in het hier en nu. Als hij het symbool geworden is van hoop, licht, uitdaging, dan is hij niet in een graf maar daar waar jij bent. Daar waar je mens bent.

Bijbellezing:
Mattheus 28 vers 1 t/m 7

(Ds. Sybout van der Meer)