Overweging 5 mei 2013: zorgeloosheid

Vandaag gemeente, is het 5 mei en vieren wij onze Bevrijdingsdag, de Dag van de Vrijheid.
Vrijheid is uiteraard een groot goed voor wie de oorlog, gevangenschap of onderdrukking meemaakt of heeft meegemaakt. Aan hen dachten we gisteren, tijdens onze Dodenherdenking.
En ook wie dagelijks een strijd heeft te leveren met zichzelf of met zijn omgeving, beseft maar al te goed, dat vrijheid niet vanzelfsprekend is
Vrijheid is een niet vanzelfsprekend en daarmee een bijzonder kostbaar goed. Dat vieren wij vandaag op deze dag van de vrijheid.
 
Zo’n duizend jaar geleden leefde er in Turkije eens een mullah, een islamitische geleerde, Nasroeddin genaamd. Met zijn wijze levenslessen trok hij  op zijn ezel door het land. Op een dag kwam één van zijn leerlingen naar hem toe met de volgende vraag: ‘Meester, hoe word ik toch een vrij mens?’ Mullah Nasroeddin zuchtte eens diep: dit had hij deze jongeman al zovaak uitgelegd…… Plots kreeg hij echter een ingeving. De oude Nasroeddin rende naar een boom op het marktplein, sloeg zijn armen om de stam en riep: ‘Help, help, ik zit vast!’
 
Hoe word ik toch een vrij mens…..het lijkt zo’n eenvoudige vraag met een eenvoudig antwoord als je deze mullah mag geloven. ‘Laat toch los!’zou je wel willen roepen. Maar hoe lastig kan het niet zijn om los te laten en een vrij mens te zijn?
 
En hoeveel mensen in Nederland zouden er vandaag de dag bij ‘vrijheid’  nog
aan het christelijk geloof denken? Ik vermoed bijzonder weinig. Meer dan een
eeuw geleden schreef  de bekende filosoof Nietzsche ook al: “Als christenen
bevrijd zijn, waarom zien ze er dan zo onvrij uit?”
 
Toch spreekt juist het christelijk geloof veelvuldig over vrijheid.
Ook in hier in deze Vrijzinnige Geloofsgemeenschap wordt zij vaak als een belangrijke waarde genoemd.
De apostel Paulus in  het Nieuwe Testament zegt zelfs dat het kenmerkend is voor christenen dat zij vrije mensen zijn. Je bent tot vrijheid geroepen, dat is je bestemming, schrijft hij.
Veel van de eerste christenen waren echter slaven. Anderen, zoals de bekende leerling Petrus, stierven in gevangenschap…. Dus: hoezo vrijheid?
Christelijke vrijheid is volgens de apostel Paulus dan ook een heel andere vrijheid, namelijk één die niet te maken heeft met boeien en kerkers. Hij spreekt over een geestelijke vrijheid, een vrijheid waarin mensen zich niet beheerst voelen.
Een innerlijke vrijheid, zou je ook kunnen zeggen.
Innerlijke vrijheid wordt wel omschreven als ‘de vrijheid om te zijn wie je bent, niet gehinderd door innerlijke belemmeringen’.
Innerlijke belemmeringen zoals al die zorgen die mensen zich vaak maken. Al die zorgen die mijn leven zo kunnen beheersen.
Jezus roept, in onze schriftlezing van vandaag, de mensen op om zich geen zorgen te maken, maar om juist zorgeloos te zijn. Innerlijk vrij, zou je ook kunnen zeggen.
 
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen,
 want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.
 
Deze oproep richtte zich in de eerste plaats tot de armen . Precies tot deze groep zegt Jezus dat ze niet bang hoeven te  zijn en zich geen zorgen moeten maken
Maar is dat niet een wat gemakkelijke oproep van Jezus? Hoe lastig kan dat niet zijn, zelfs als je niet arm bent, om je zorgen aan de kant te zetten! Ja, dat wil ik ook wel: elke avond zorgeloos in slaap vallen…..!
 
In  het Grieks, de taal van het NT staat het  woord merimnein. Dat  betekent: angstig naar de toekomst kijken. De merimnai zijn de zorgen van het leven die je beletten in slaap te vallen.
Want wat kan er toch veel je in de weg zitten: wat kunnen al die verplichtingen in mijn overvolle agenda, die nare gedachten, pijnlijke herinneringen, angsten of zorgen om mijn kinderen mij toch beheersen
 
Hoe kan je bij dit alles nou zorgeloos zijn, zult u zich misschien net als ik afvragen.
 
‘Hoe als je je met zorgeloosheid kon omringen en dat dat je ruimte was’, lezen we op de voorkant van deze liturgie. Is dat een niet wat al te simpele en onrealistische wens, zult u misschien denken…
 
Toch is het mogelijk, zegt Jezus.
Zorgeloosheid is volgens hem geen vlucht voor de realiteit, integendeel. Het gaat bij hem niet over een zorgeloos bestaan, zo’n  zwitserlevengevoel.  Het is niet een ontkomen of ontsnappen aan alles wat er in je leven op je bordje komt.
 
Zijn oproep moet je lezen in de grote context van de Bergrede, die redevoering , waarin het gaat over de houding die mensen kunnen aannemen in hun leven tegenover zichzelf en de ander. Over de keuzes die je daarin kunt maken, ook  in het omgaan met de zorgen van alledag. Want die zijn er altijd weer.
 
Maak je geen zorgen. Als er iemand is, die dit mag  zeggen, is Jezus het wel. Hij is rondreizend prediker. Hij heeft geen bron van inkomsten. Hij leeft om zo te zeggen van de wind. Van de vruchten van het veld. En van de zorg van mensen op zijn weg. En dan weet je als lezer van het Matteusevangelie ook nog eens van te voren hoe zijn verhaal verder zal gaan. Dat Jezus ook eenzaamheid zal kennen. Lichamelijke pijn zal moeten doorstaan. In zijn mond klinken de woorden Maak je geen zorgen dan ook anders: Van hem zou je wel willen weten: Hoe doet hij dat toch? Bij alles wat hem overkomt toch zorgeloos, zonder zorgen zijn….
 
Daarover vertelt hij in deze tekst. Hij zegt: Je kunt het leren van de vogels in de lucht en de lelies op het veld. Door naar hen te kijken. Zij grijpen niet in, in de natuur, zij nemen haar zoals zij is. Dat is wat je van de vogels en de lelies kunt leren, zegt Jezus: ontvangen. Je overgeven aan wat is. Zij ademen de lucht, koesteren zich in de stralen van de zon. Drinken van de regen. Laten zich dragen of wiegen door de wind. Zij voeden zich met wat de aarde geeft. En zo laten zij je iets zien. Dat er misschien ook wel  voor jou wordt gezorgd. Dat er misschien wel eens een voedende en zorgende bron van leven zou kunnen zijn, Er zou wel eens zoiets als een grote stille liefde kunnen zijn die alles omvat.
Zorgeloosheid, zegt Jezus, is dat je je over geeft aan die zorg. Je daaraan toevertrouwt. Maak je geen zorgen, je Hemelse Vader weet wat je nodig hebt.
 
Maar die overgave, je toevertrouwen, vraagt soms ook wel om de nodige moed.
 
Ik denk hierbij  aan dat verhaal van die vrouw, wier oudste zoon vastzat op verdenking van inbraak en diefstal. Daags na zijn arrestatie hadden de kranten er vol van gestaan en het verhaal gonsde rond in het dorp waar ze woonden. Ook op het schoolplein toen zij haar jongste zoon die dag naar school bracht. Het liefst was ze in haar bed gebleven, met haar hoofd onder de dekens. Misselijk van de angst, met een buik vol zorgen. En toch liep ze die morgen het schoolplein op, tussen al die starende ogen. En dat vergde veel moed.
 
Moed is niet de afwezigheid van angst zei deze vrouw tegen mij, moed is angst voelen en toch doen.
Moed is ook:  Een nare diagnose krijgen en toch die dag naar de verjaardag van je kleinkind gaan.Moed is je partner verliezen en toch alleen naar die kerkdienst gaan. Moed is bang zijn en toch doen. Moed is met bange, wankele schreden, je overgeven aan wat is.
 
Ja, zorgeloosheid vereist soms ook moed.
Negatieve gevoelens loslaten is immers vaak een hele klus.. Want hoe naar ze vaak ook zijn, ze zijn ons vaak ook zo vertrouwd. Het zijn vaak oude  patronen en denkbeelden, die ons als het ware gevangen houden. Misschien heeft ook u net als ik wel eens de ervaring dat u zich gevangen voelt in alles wat u moet of wat er van u verwacht wordt. Gevangen in al die verplichtingen. We zijn vaak zo bang om dingen anders te doen omdat op ons netvlies vaak beelden worden geprojecteerd over hoe het mis kan gaan. Die beelden staan vaak aan de deur van onze innerlijke gevangenis.
De tyrannie verdrijven zongen we net in ons volkslied. Misschien is innerlijk vrijheid wel dat je de innerlijke tyrannie van al je oude patronen, gedachten, zorgen verdrijft. Deze loslaat, zoals het verhaal van Mullah Nasroeddin ons wilde zeggen. Maar dat vereist soms wel moed.
 
Vrijheid en moed gaan hand in hand, zingt ons volkslied.:‘Vrij onverveerd’ .
Het woord onverveerd komt van het woord vervaren en hoor je in het hedendaagse Nederlands alleen nog  in de zegswijze: voor geen kleintje vervaard zijn: nergens bang voor zijn. Het woord vervaard is afgeleid van het zelfstandige naamwoord vaar, ons gevaar
Veel volksliederen zijn ontstaan in tijden van onderdrukking. Men verlangde uiteraard naar een bevrijding van de onderdrukker, naar vrijheid. En dat vereiste onverveerd zijn, moed: bang zijn en toch doen.
 
Die dag, op dat schoolplein, misselijk van angst en een buik vol zorgen had de vrouw in haar jaszak haar mobieltje, met een smsje van een vriendin. Die stuurde haar een symbolisch manteltje, een beschermend manteltje. Een manteltje tegen alle veroordelende blikken en heimelijk gefluister. ‘Trek het maar aan en weet je beschermd’ schreef deze vriendin. ‘Je bent niet alleen’.
Zorgeloosheid vraagt niet alleen om moed, maar ook om omhulling.
Een beschermend manteltje waardoor je je veilig mag weten.
 
God legt zijn vleugels van genade beschermend om hem heen als vriend zongen we net in Lied 36 uit Tussentijds.
De vleugels van God die je beschermen. Dit is een beeld dat vaak terugkomt in de Bijbel:  het beeld van de arend die boven haar jongen vliegt als ze hen leert vliegen. Is er een jong dat dreigt te vallen, dan maakt de arend een duik en gaat onder dat jong vliegen. Lied 36 is een bewerking van Psalm 91 in de bijbel. De dichter van deze psalm heeft iets gezien van hoe God omgaat met de mens en wat God voor mensen doet: waken, beschermen, dragen, in de gaten houden. Daar komt veel troost in mee: wat een liefdevolle zorg besteedt God aan zijn mensen.
Deze psalm is een psalm vol van vertrouwen.
En juist hierin bestaat mijns inziens mijn  innerlijke vrijheid als mens. Namelijk in een vrijheid die voortvloeit uit dit vertrouwen. Ik kan pas werkelijk innerlijk vrij zijn, zorgeloos zijn als ik mij gedragen weet en mij daaraan mag toevertrouwen. Vertrouwend op die Ene, die eeuwige bron van leven, die als een arend haar vleugels onder mij uitstrekt. Vertrouwend op die Ene die voor me zorgt, mijn zorgen en lasten voor me wil dragen, mij wil dragen, zegt de dichter van psalm 91 en zongen we net
 
Engelen zendt hij alle dagen
Om hem tot vaste gids te zijn
Zij zullen hem op handen dragen
Door een woestijn van hoop en pijn
 
Zo voedt God mijn zorgeloosheid.
En die zorgeloosheid die je dan ervaart is als een innerlijke ruimte, ontdekte Dag Hammerskjold, wiens dagboekfragment we lazen. Maar het is een lange reis naar die innerlijke ruimte, constateerde hij ook.‘De langste reis is de reis naar binnen’ schreef hij. Vaak word je op deze reis immers ook zo afgeleid door dagelijkse beslommeringen.
Ook bij hem rijst nu, net als eerder in onze overweging bij Jezus, de vraag: hoe deed hij dat toch? Hoe maakte hij in zijn drukke bestaan als secretaris-generaal van de VN, die reis naar binnen?
Hammerskjold trok zich regelmatig terug. Helemaal alleen met zichzelf. En dan oefende hij zichzelf in de stilte. Stiltemomenten  zonder telefoon, radio, tv of computer. En dan ontdekte hij wat hij noemde De binnenste kern van mijn zijn, waar U woont,
En misschien kunnen ook wij, als we helemaal stil worden in onszelf, die ruimte voelen. Die ruimte waar je beseft dat je niet bang hoeft te zijn, hoe breekbaar en kwetsbaar je je soms misschien ook voelt. Een plek waar dat vertrouwen woont dat bij alles wat je bezighoudt, of je in beslag neemt, je raakt, je kwetst, je zeer doet of bang maakt, er ook iets is dat je draagt en omhult.
Een plek waar je door die stilte misschien een stem in je binnenste hoort. Een stem die jou vertelt wie jij ten diepste bent. Misschien wel de stem van God, die meekijkt, meeluistert, die jouw leven draagt en jouw zorgeloosheid voedt.
Een plek van heelheid in plaats van gebrokenheid, van hoop in plaats van moedeloosheid, van troost in plaats van eenzaamheid
Een ruimte waar je God ervaart, zei Hammerskjold.
 
Een ruimte die zicht geeft op het koninkrijk van God, zei Jezus.
Een ruimte waar je je gedachten en je activiteiten in kunt zetten op die wereld waarvan we hopen dat die komt, een wereld van vrede en recht.
 
Christelijke vrijheid betekent dat je die ruimte in jezelf mag ervaren.
 
En dat is wat ik ons allen toewens: die christelijke vrijheid, waarin wij, ook als we ons bekneld voelen, een ruimte van zorgeloosheid mogen ervaren, door dat moedgevende vertrouwen dat we gedragen worden door iets dat groter is dan wijzelf.
En dat wij met dat vertrouwen ook een ander die dreigt te vallen willen opvangen en dragen.
Mogen wij elkaar en onszelf met die zorgeloosheid omringen.

Amen



(Evelijne Swinkels-Braaksma)