Overweging 4 mei 2014

Bij gedicht Vlaanderen (zie verderop):
De oorlog begon honderd jaar geleden. In de morgen van 4 augustus 1914 trokken de Duitse troepen België binnen. Via België wilden ze Frankrijk aanvallen. België wou aanvankelijk neutraal blijven. Maar toen Duitsland via België Frankrijk wou aanvallen, gooiden ook de Belgen zich in de strijd.
Het Duitse leger hoopte op die manier het Franse leger in te sluiten. De Franse troepen zouden oprukken naar de Duitse grens om daar de Duitse troepen tegen te houden. Door ook een deel van de strijdkrachten door België te laten trekken, zou het Duitse leger de Fransen kunnen omsingelen en snel met hen afrekenen. De Duitsers waren er dan ook zeker van dat ze met Kerstmis weer thuis zouden zijn. De strijdende partijen liepen vast in Vlaanderen. De legers begonnen zich daarop in te graven. Dit was het begin van een lang durende loopgravenoorlog. Van de kustplaats Nieuwpoort tot aan de Zwitserse grens werd het landschap onderbroken door loopgraven. De strijd om enige terreinwinst te boeken kostte aan miljoenen soldaten het leven. Het was ook de eerste oorlog waar de keerzijde van de technische vooruitgang goed zichtbaar werd: gifgas, bommenwerpers en tanks werden voor het eerst grootschalig ingezet. Het westelijk front werd een hel van modderige loopgraven waarin wekelijks honderdduizenden soldaten omkwamen. De geboekte terreinwinst op de vijand bedroeg na een dergelijke aanval soms maar 50 meter.

In het volgende, vertaalde gedicht, het bekendste gedicht over de eerste wereldoorlog, speelt de klaproos een belangrijke rol. Deze bloem is het belangrijkste herinneringssymbool geworden. Ieder jaar dragen op 11 november dragen veel mensen een plastic klaproos, een poppy, in hun knoopsgat. Het is de plant waarmee je geliefden herdenkt die je ontvallen zijn. Waarom deze bloem? Het is een akkerbloem die zich thuisvoelt in verstoorde aarde, bijvoorbeeld als de boer ploegt en egt. Verstoorde aarde was tussen 1914 en 1918 op onvoorstelbare schaal aanwezig. De plant kan een onvruchtbaar geworden gebied ineens volkomen koloniseren en dat gebeurde destijds op het slagveld, in het niemandsland tussen de strijdende partijen. De bloembladeren zijn bloedrood met een zwart hart, min of meer in kruisvorm. Het zijn de kleuren van wegvloeiend leven en de dood, met het kruis als christelijk symbool van lijden en verlossing.

In Vlaamse velden

Tom Lanoye (2000) naar In Flanders Fields van John McCrae (1872-1918)

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ‘t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond

Wij zijn de doden. Zo-even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.

Toe: trekt gij ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houd hem hoog. Weest gíj de helden. Laat de Doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.

Schilderij Marcel GromaireMarcel Gromaire. Hij schilderde het in 1925 als oorlogsveteraan. De vijf gehelmde soldaten zijn als in beton gegoten in hun jassen-pantser. Zij zijn één geworden, bijna opgegaan in het landschap, alleen de blauwe kleur van hun uniform onderscheidt hen van de wand van de loopgraaf. Drie wachten op de uiteindelijke aanval; de andere twee kijken door de sleuf van een stalen plaat in het niemandsland tussen de partijen. Het zijn automaten geworden, versteend, van beton, zonder gezicht, ontmenselijkt. Alleen de handen van één van hen houden iets menselijks.

Ben Ali Libi
In Ben Ali Libi krijgt de volledige ontaarding van de mens in de oorlog een gezicht. Een gewone man, een onbekende, een goochelaar wordt zijn vrijheid en zijn leven ontnomen, niet om wat hij deed, alleen om wie hij is… Willem Wilmink schreef de tekst, Herman van Veen zingt het lied.

Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,
staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,
dus keek ik er met verwondering naar:
Ben Ali Libi Goochelaar.

Met een lach en een smoes en een goocheldoos
en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
scharrelde hij de kost bij elkaar:
Ben Ali Libi, de goochelaar.

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
dat Nederland nodig moest worden verlost
van het wereldwijd joods-bolsjewistisch gevaar.
Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een konijn had verstopt
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In ‘t concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.

En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie
denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

Etty Hillesum:
De dagboeken en brieven van Etty Hillesum werden aanvankelijk geschreven midden in bezet Amsterdam. Zittend voor het raam van haar kamer aan het Museumplein schreef zij een indrukwekkend, bezield en universeel werk. Met haar intelligente en sensitieve geest ontworstelde zij zich aan de machten die uit waren op de ondergang van haar en haar Joodse medemensen. Zij wist zich in haar schrijven als het ware te verheffen boven de terreur die zich overal om haar heen voltrok.

Ze schreef over haar liefde voor mensen en voor het leven. Ze vertelde hoe ze aankeek tegen antisemitisme en tegen haat in het algemeen. Meer en meer kwam ze tot de conclusie dat ze zich niet wilde afsluiten voor de verschrikkingen om haar heen. In kamp Westerbork, waar ze een tijdlang werkte, probeerde ze zoveel mogelijk iedereen tot steun te zijn. Over het leven daar schreef ze twee lange, zeer aangrijpende brieven. Eind 1943 werd ze vermoord in Auschwitz-Birkenau, 29 jaar oud.
En al zou er nog maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die éne fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een geheel volk.

(12 Juli 1942) Zondagochtendgebed

Het zijn bange tijden, mijn God. Vannacht was het voor het eerst, dat ik met brandende ogen slapeloos in het donker lag en er vele beelden van menselijk lijden langs me trokken. Ik zal je één ding beloven, God, een kleinigheidje maar: ik zal mijn zorgen om de toekomst niet als even zovele zware gewichten aan de dag van heden hangen, maar dat kost een zekere oefening.

Iedere dag heeft nu aan zichzelf genoeg. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van tevoren nergens voor instaan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen.

Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen.

Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: mij zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is.

Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.

Lezing : Psalm 46
2 God is voor ons een veilige schuilplaats,
een betrouwbare hulp in de nood.
3 Daarom vrezen wij niet, al wankelt de aarde
en storten de bergen in het diepst van de zee.
4 Laat de watervloed maar kolken en koken,
de hoge golven de bergen doen beven. sela

5 Een rivier, wijd vertakt, verblijdt de stad van God,
de heilige woning van de Allerhoogste.
6 Met God in haar midden stort zij niet in,
vroeg in de morgen komt God haar te hulp.
7 Volken roeren zich, rijken storten ineen,
zijn donderstem klinkt – de aarde siddert.

8 De Eeuwige van de hemelse machten is met ons,
onze burcht is de God van Jakob. sela

9 Kom en zie wat de Eeuwige heeft gedaan,
verbijsterend is wat hij op aarde verricht:
10 wereldwijd bant hij oorlogen uit,
bogen breekt hij, lansen verbrijzelt hij,
wagens verbrandt hij in het vuur.
11 ‘Staak de strijd, en erken dat ik God ben,
verheven boven de volken, verheven boven de aarde.’

12 De Eeuwige van de hemelse machten is met ons,
onze burcht is de God van Jakob. sela

Overweging
Het is 4 mei, Dodenherdenking, en morgen, 5 mei is het Bevrijdingsdag. Volgend jaar is het driekwart eeuw geleden dat wat wij in Nederland ‘de oorlog’ noemen begon. De meeste mensen hebben hem niet meegemaakt. Eigen herinneringen hebben tachtigers en negentigers nog. Er is nog wel een tweede generatie slachtoffers, van wie het leven beïnvloed wordt door wat hun ouders en familie heeft meegemaakt. De oorlog oefent nog altijd een uitzonderlijke fascinatie uit op generaties die nog niet waren geboren toen hij plaats vind. De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat hij de grootste en meest verschrikkelijke gebeurtenis is in de menselijke geschiedenis. Het lijden, de pijn, het verdriet, de trauma’s, de armoede, de ziektes, de kwellingen die mensen elkaar massaal hebben aangedaan, zijn niet te beschrijven. Wij spreken in ons land over ‘de oorlog’ omdat wij er maar één kennen. Maar we zijn er ons ook van bewust dat het ‘een oorlog’ was. In de afgelopen 70 jaren zijn er tal van nieuwe oorlogen ontstaan op alle denkbare plekken van deze aarde. In mei 1940 hadden Nederlanders al 125 jaar geen oorlog meer gekend. In 1815 verliet de Franse bezetter, het leger van Napoleon ons land. Maar voor onze buurlanden was het binnen één generatie de tweede oorlog, zelfs de tweede wereldoorlog. Die eerste was al onvoorstelbaar wreed, nutteloos geweest, compleet uit de hand gelopen. Al gauw kreeg het de naam van The great war, maar twintig jaar later bleek die naam al achterhaald. Het kon nog groter, erger. In de eerste wereldoorlog werden 20 miljoen soldaten, burgers, vrouwen, kinderen dodelijk slachtoffer, in de tweede werd dat getal nog eens verdriedubbeld. Dat getal, 80 miljoen doden in dertig jaar, is zo groot dat we ons er niets meer bij voor kunnen stellen.

De twee wereldoorlogen worden door maar 21 jaren van elkaar gescheiden. De ene oorlog heeft de andere opgeroepen en verhevigd voortgezet. Historici willen ze steeds vaker zien als één oorlog met een onderbreking. In een halve eeuw tijd leek Europa aan een suïcidale poging ten onder te gaan. Het vooruitgangsoptimisme van de voorgaande decennia, met uitvindingen op allerlei gebied, waardoor veel ziektes genezen konden worden, de voedselproductie kon worden vergroot en honger steeds meer werd uitgebannen, de mens kon gaan vliegen en opbellen, dat optimisme ging ten onder in een draaikolk van blind geweld. Alle vermogens die de mens zich eigen had gemaakt ter vergroting van zijn geluk en welzijn, werden nu ingezet om elkaar massaal uit te roeien en te vernietigen. Daarmee werd God gedood, in ons.

We ontmoeten in deze dienst twee gewone mensen die niet gekozen hadden voor de oorlog en haar verschrikkingen. De één maakte na de eerste W.O. een verbeelding van wat hij meemaakte in het schilderij La Guerre. De ander schreef toen zij midden in W.O. twee verkeerde een dagboek. De eerste tekent de ontmenselijking. Mannen van vlees en bloed, die mens waren en konden liefhebben en leven, zijn versteend, van beton geworden, van God los. Etty daarentegen wil dat voorkomen en diept te midden van de barbarij God in zichzelf op. Het zijn bange tijden, mijn God, schreef Etty Hillesum in haar dagboek. In haar gebed belooft ze God één ding, dat ze haar zorgen om de toekomst niet als even zovele zware gewichten aan de dag van heden zal hangen. Dat vraagt om een zekere oefening, zegt ze. Wij weten dat het een enorme spirituele oefening is om je niet te laten verlammen door wat was en de angst voor wat komen kan. Daar hebben wij tegenwoordig mindfullness trainingen voor, leren leven in het hier en nu.

Etty heeft weet van die God die als een kompas wijst naar recht en vrede, die ons als een magneet trekt naar zijn rijk. Maar die God is onmachtig het voor ons te doen, hij moet geholpen worden door ons. ‘ Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, jij kunt ons niet helpen, wij moeten jou helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. Wij moeten zien te redden dat ene stukje God in onszelf. En misschien kunnen we ook er aan meewerken God op te graven in de geteisterde harten van anderen.

Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou.

God is voor ons een veilige schuilplaats, een betrouwbare hulp in de nood zegt de psalm. Zou Etty het zo kunnen nazeggen, in de bizarre omstandigheden waarin zij verkeerde? Ja, door het gebed, het gesprek dat ze voert met God wordt ze tot kalmte gebracht. De schuilplaats die God biedt is niet een plek waar je je verstopt en je toevertrouwt aan de bescherming van een ander. In de nabijheid die je zoekt, de nabijheid van God laat je God gebeuren. Jij, zij, wij moeten God aanwezig laten zijn. Dan vrezen wij niet, al wankelt de aarde en storten de bergen in het diepst van de zee. Met God in mijn midden, mijn ziel, stort dat wat heilig is, de menselijkheid, niet ineen. De volken kunnen zich roeren, hun rijken storten eens ineen. Met God die wij zorgvuldig in ons blijven koesteren, kunnen er nog verbijsterende dingen gebeuren op deze aarde. Wereldwijd worden oorlogen uitgebannen, bogen worden verbroken, lansen verbrijzeld. En zo kan die machteloze God, omdat hij diep in ons mag wonen, roepen: ‘Staak de strijd, en erken dat ik God ben, verheven boven de volken, verheven boven de aarde.’
Oorlogen beginnen als wij God het laten begeven in ons, oorlogen eindigen als we God opgraven in ons geteisterde hart en dat ene stukje God in ons redden.

Wie God redt, redt de menselijkheid. Wie één mens redt de hele wereld.

Amen

Peter Korver