Overweging 4 april 2013: Koningschap

Het koningschap : over macht en wijsheid

In tijden van crisis klinkt de roep om een leider. Een man van gezag, iemand die alle tegenstellingen overstijgt en met krachtige hand, zonder dat hinderlijke wetten en al te veel democratische procedures, knopen kan doorhakken. Iemand die zegt: En nu gaan we het zò doen. Een vechter, een leider. Die koning is een symbool van de kracht van het volk, van wijsheid, van eensgezindheid, van rijkdom en voorspoed en van alles wat je voor jezelf zou wensen. In oude tijden was het de oorlog die als vanzelf zo’n leider voortbracht, een militair leider. En in moderne tijden is het niet veel anders. Nog maar zeventig jaar geleden kende Nederland ook een strijdlustig koning, die zelfs een vrouw was. Wilhelmina. Sommige leiders hebben eerst een oorlog nodig om zich als een soort koning erkend te krijgen. Daarvan is een treurig voorbeeld Kim Jong un de leider van Noord-Korea. Hij is geen koning en geen president, maar de voorzitter van de Nationale Defensiecommissie en die bezit het hoogste gezag in het land. Geen wonder dat alleen een oorlog zijn gezag kan vestigen. Een oorlog is nodig om hem vast in het zadel te helpen en meer geloofwaardig te doen zijn als Geliefde Leider, de zoon van de 21e eeuw, de redder van het vaderland, de zon van het socialisme, de grootste man die ooit heeft geleefd, hij die verscheen uit het licht van zon en maan. Een persoonscultus hoort bij de ware koning. Die moet hem onaantastbaar maken. Wij kunnen ons om zo’n figuur wisselend spottend-vrolijk dan wel bezorgd maken. En hoewel dat in een communistisch land niet zo mag heten, hij is een koning. Niet gekozen, maar door geboorte aangewezen. Hij hoeft geen verantwoording af te leggen, kritiek wordt niet op prijs gesteld, hij is de baas.

Eens, zo’n drieduizend jaar geleden, bestond het volk Israël uit twaalf stammen. Ze hadden geen koning, maar een richter, een rechter. Het hoogste gezag behoorde niet bij een mens, zo was de gedachte, de enige koning was de Ene, de Eeuwige, alleen die kwam de hoogste eer en gehoorzaamheid toe. Maar ook daar kwam de roep om een koning. Wij willen zijn als alle volkeren rondom ons, die hebben een koning. En de richter, Samuel, die ook een profeet was, zei nee. Maar God sprak tot hem: geef wat ze vragen. Ze verwerpen niet jou, maar mij. Morrend gaf hij toe aan het volk, maar venijnig voegde hij ze toe wat ze met een koning wel niet over zich heen zouden halen. ‘Dit zijn de rechten die aan het koningschap verbonden zijn: Uw zonen zal een koning u afnemen en ze indelen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken. Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken. Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen. Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven. Uw sterkste arbeidskrachten zal hij u afnemen om ze voor zichzelf te laten werken.’ U begrijpt het natuurlijk al. Het volk liet zich niet overtuigen door deze realistische, verstandige woorden, maar liet het hart over het hoofd regeren. Het trok zich niets van Samuels woorden aan en zei: ‘Nee, we willen een koning en anders niet!

De behoefte aan iemand die in zijn eentje alle problemen overziet en vervolgens met macht en met wijsheid ze ook oplost is even begrijpelijk als ook kinderlijk naïef. Een vader die al je zorgen begrijpt en voor je oplost. De meeste problemen, zo weten we wel, zijn te complex dat één persoon ze zou kunnen hanteren. Daarvoor is overleg, veel overleg, met alle betrokkenen nodig. Daarvoor moet je polderen en compromissen sluiten. Alleen bij oorlogen en rampen werkt dat niet. Dan moet er autoritair en krachtig ingegrepen worden, want anders hoeft het al niet meer. Dat is dan ook de tijd dat autoritaire leiders en koningen gedijen. Je mag hopen dat ze dan behalve over macht ook over wijsheid beschikken. Dat is lang niet altijd het geval. Macht, ongecontroleerde macht, kan een gevoel van onaantastbaarheid, onfeilbaarheid geven. Wie maakt mij wat?

De bijbel noemt als voorbeeld van hoe het anders moet en kan dan ook met aandacht: koning Salomo. Hij mocht van God vragen wat hij wou: rijkdom, macht, maar vroeg om wijsheid. Er staat in 1 Kon 3: Die nacht verscheen de Ene hem daar in een droom. ‘Vraag wat je wilt,’ zei God, ‘ik zal het je geven.’ Salomo antwoordde: ‘Ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden, een volk zo talrijk dat het niet te tellen is. Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk van u?’ Het beviel de Ene dat Salomo juist hierom vroeg, en hij zei tegen hem: ‘Omdat je hierom vraagt – niet om een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar om het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht – zal ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. Ook waar je niet om gevraagd hebt zal ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren. En als je mij gehoorzaamt en je houdt aan mijn bepalingen en geboden, zoals je vader David dat deed, zal ik je een lang leven schenken.’ Toen Salomo wakker werd, besefte hij dat hij een droom had gehad.

In een tijd van crisis, van een plotselinge, scherpe neergang, van een opkomend gevaar, is leiderschap van grote betekenis. Dat kan van een regeringsleider komen, maar ook van grote maatschappelijke organisaties, de politieke partijen, de vakbonden, de kerken. Crises had je toen en heb je nu. Een vijand die met een geweldige militaire overmacht aan de grenzen staat en je ondergang onafwendbaar lijkt. Dat was het geval toen koning Sedekia heerste over Israël. De koning van Babylonië staat op het punt een einde te maken aan de vrijheid en onafhankelijkheid van het volk. Hun stad en tempel zal verwoest worden, de bovenlaag van de bevolking zal weggevoerd worden. Wat moet Sedekia doen? Hij raadpleegt de profeet Jeremia. Is verzet met hulp van de Eeuwige niet de uitkomst? Of moeten wij ons overgeven en zo een bloedbad voorkomen? Het antwoord van de profeet is verrassend. Hij wijst in een heel andere richting. Hij lijkt de actuele bedreiging wel te negeren door te te manen tot gerechtigheid. Red wie beroofd werd uit de handen van de onderdrukker, buit de vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen en vergiet in deze stad geen onschuldig bloed. Als je dit niet realiseert wordt het paleis een puinhoop. Handhaaf het recht elke dag, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker. Anders slaat mijn toorn uit als een vuur. Het doen van gerechtigheid gaat voor elke andere overweging. En zo wijst de bijbel ons twee wezenskenmerken van het ware koningschap: ten eerste, wijsheid; ten tweede, het doen van gerechtigheid.

Koningen hebben vandaag andere titels. Nu ben je president of voorzitter of minister-president en je bent het niet door geboorte, maar door verkiezing. En je macht is niet onbeperkt, je moet je verantwoorden. Maar een leider met macht ben je en de eis van wijsheid en gerechtigheid doen telt net zo zeer. De koningen van deze tijd zijn dat vooral ceremonieel en moeten het stellen zonder veel macht en kunnen door hun wijsheid wellicht bijdragen aan gerechtigheid en vrede. Twee leiders uit de tijd die de meesten van ons hebben meegemaakt hoorden we vanmorgen twee die getuigden van wijsheid. President Kennedy die zijn landgenoten erop wees dat zij niet als afhankelijke kinderen alles moesten verwachten van hun leiders, maar zelf verantwoordelijkheid moesten willen dragen voor het welzijn van anderen. Martin Luther King wees ons op het grote belang van het hebben van dromen. Dromen van vrede en gerechtigheid.

De ware koning als heerser over ons doen en laten zien christenen in Jezus van Nazareth. Hij die koning is van een rijk dat niet van deze wereld is. Voor Pilatus, die de werkelijke macht heeft om te heersen over leven en dood, zegt hij: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd’ (Joh. 18:36).
Jezus benadrukt dat alle wereldse macht gebaseerd is op geweld. Mensen kunnen alleen maar macht verwerven ten koste van anderen. Dat gaat altijd via onderdrukking, verdeling en uitsluiting. Maar Jezus’ macht is gebaseerd op zijn waarheid, op het vertrekpunt van vrede en recht. Pilatus herkent Jezus’ koninschap niet, omdat hij alleen maar het recht van de sterkste kent.

Meer dan een halve eeuw geleden schreef Godfried Bomans een bijzonder sprookje ‘De 12e koning’. Het vertelt van een koning die ontdekt dat zijn hoofd leeg is, hol. Hij krijgt van zijn arts het advies om dan maar zo te regeren: U hebt een prachthoofd om te regeren. Wanneer er een twist is in het land, handel dan zo: hoor eerst de ene partij en stuur hen weg.’’Jawel, zei de koning. ‘Hoor dan de andere partij, en stuur hen weg’. ‘Jawel,’ zei de koning. ‘Nu,’ sprak de hofarts glimlachend, ‘dat is alles’. ‘Maar,’ vroeg de koning, ‘welke partij heft gelijk?’De hofarts boog zich snel voorover: ‘De grootste,’ zei hij. De koning nu komt daar een heel eind mee en niemand ontdekt dat hij een leeghoofd is. Totdat er een crisis uitbreekt in het land, een economische. Het volk raakt banen kwijt en lijdt honger en het mort. Dan laat de koning 11 collega’s komen en die maken rapporten en plannen, maar het leidt tot niets. Machteloos informeren ze vanaf het balkon de menigte. Het verhaal eindigt dan als volgt: ‘Toen verhief zich één hoge, woedende stem uit het volk: ‘Er is nog een koning, die niet genodigd is!’ De koning boog zich over de balustrade. ‘Wie is dat dan? Vroeg hij spottend. Het was even stil. Toen riep dezelfde stem: ‘Gij elf koningen, elf purperen dwazen, narren van wijsheid en verstand, wie heft u de kroon gegeven op uw hoofd en het hermelijn om uw schouders? En de 11 koningen zwegen. Deze eenzame stem had goed gesproken. Wij zullen met elf koningen machteloos zijn, zo de Twaalfde vergeten wordt. Maar, zukt ge zeggen, is niet 2000 jaar geleden, op Pinksterzondag, de wereld door elf mannen gered in één vergadering? En zij waren vissers en hadden niets dan hun eeltige handen? Doch zij vergaten de Koning nooit!

En zo keren we met Godfried Bomans, met Martin Luther King en met ons actuele nationale koningssprookje weer terug bij de profeet Samuel. De eigenlijke koning, de eigenlijke leider, die is niet te vinden in één gewoon mens. Het koningschap wordt op zijn werkelijke zin en betekenis ingevuld als die ene, uiteindelijke koning erbij wordt gehaald. Niet wij mensen hebben de uiteindelijke waarheid, het hoogste gezag, daarvoor zijn we maar mensen. Wij moeten het met elkaar stellen, met slechts één boven ons.
Amen.

(ds. Peter Korver – 14 april 2013)