Overweging 3 maart 2013

Tot inkeer komen – 3 maart 2013, 3e zondag van de Veertigdagentijd

DAVID EN BATSEBA
2 Samuel 11
Psalm 51 (Willibrord Vertaling)

Overweging
Gisteren was het precies honderd jaar geleden dat Godfried Bomans werd geboren. Een schrijver met wie ik ben groot geworden, zo mag ik wel stellen. Pa Pinkelman en tante Pollewop, zijn sprookjes, zijn beschouwingen bij de veranderingen in de kerk en het geloof. Een erudiete zoeker en twijfelaar, vol fijnzinnige humor. Zijn plotselinge overlijden in 1971 werd als een schok ervaren. Nu is hij bij jonge generaties welhaast onbekend, of ze hebben misschien nog Erik of Het klein insectenboek gelezen. In dit boek worden diverse (negatieve) menselijke karaktertrekken beschreven. De geportretteerde insecten beelden karikaturen uit van materialistische, oorlogszuchtige en bekrompen mensen. Bomans gaf aan het boek als motto mee:

Wij zijn allen ballingen, levend binnen de lijsten van een vreemd schilderij. Wie dit weet, leeft groot. De overige zijn insecten.[i]
Over dit citaat heb ik veel nagedacht. Is het leven een vreemd schilderij waar wij een plekje op hebben gekregen en buiten welks lijsten wij nooit kunnen treden, terwijl wij ook ballingen zijn, dus eigenlijk ergens anders thuis horen? Dat klinkt wat vervreemdend. Ik ben hier, maar dit is mijn wereld niet. In het bijbelverhaal vandaag kan je eenzelfde gevoel beleven. Een David die flink veel ruimte heeft gekregen, meer dan anderen. Als koning kan hij zich heel wat permitteren, maar hij gaat zijn kaders te buiten. Beseft hij dat? Hoort zijn gedrag wel bij hem? Hij was toch de herdersjongen? Ook Batseba lijkt vervreemd van zichzelf. Wat vindt zij zelf van wat er gebeurt? Wat voelt ze, stemt ze in of is ze boos? We horen er niets over. David en Batseba, ballingen, waar kwamen zij vandaan, wat is hun eigenlijke thuis? David doet maar. En dan is er dat moment dat hij vol inkeer bidt:

Wees mij genadig, God die liefde bent;
U, grenzeloze barmhartigheid,
wis uit wat ik heb misdaan.
Was mij schoon van schuld,
reinig mij van mijn zonde.
Ik beken: ik heb mij misdragen,
mijn zonde klaagt mij voortdurend aan

Hier is iemand aan het woord die tegen zichzelf is opgelopen. Die tot het inzicht is gekomen: het is niet goed waar ik mee bezig ben, ik leun op tegenstrijdige gedachten en verlangens. Ik bevind mij op de verkeerde weg en hoe moet het nou verder?
Wanneer komt een mens tot een dergelijke inkeer? Dat is zelden uit jezelf. Je kan heel lang op een dubieuze manier bezig zijn, met ontrouw in je relatie, met financieel gerommel, met onmatigheid in drinken en eten, met drugs, met verwaarlozing van aandacht en liefde voor je partner en je kinderen. Pas als het spaak loopt, komt vaak het inzicht dat het zo ook niet door kon gaan. Je partner ontdekt je geheim gehouden verhouding met een ander, de belastingdienst komt achter het creatieve boekhouden, je lichaam protesteert met een infarct tegen de roofbouw die je op hem pleegt, je partner loopt weg… Dat zijn momenten waarop je hardhandig tot de orde geroepen wordt.

De geschiedenis met Batseba geldt als het grootste dieptepunt in de geschiedenis van koning David. Kort gezegd: David zag vanaf het dak van zijn paleis Batseba een bad nemen,en raakte zeer onder de indruk van haar schoonheid. Haar man Uria was in de oorlog. David liet haar bij zich komen en hij had gemeenschap met haar. Zo gaat dat. Zo doet een koning. De vrouw wordt niets gevraagd, ze wordt gebruikt als de koning lust daartoe gevoelt. Dan vertelt ze de koning dat ze zwanger is. Geen probleem. De koning maakt een opzetje om te verdoezelen wat hij fout heeft gedaan. Een politieke moord is nodig. Hij neemt de vrouw haar man af en vervolgens neemt hij haar tot vrouw. En zij moet dat allemaal laten gebeuren.

Hoe zou David zich gevoeld hebben? Toch wel schuldig? Of gewoon: niet over nadenken, verder gaan met het leven? Of wist hij zichzelf te overtuigen dat er niets mis was met zijn handelwijze? Iemand moest toch op die plek vooraan in de strijd staan? Een ander op die plek zou ook omgekomen zijn, toch? Voor machtige mensen die geen verantwoordingsplicht hebben zijn er altijd wel redeneringen die je helpen om recht te denken wat krom is. En een koning in die dagen had geen verantwoordingsplicht. Hij deed wat recht was in zijn ogen en om hen heen verkeerden alleen ja-knikkers, want wie zou het in zijn hoofd halen om de koning tegen te spreken of te mishagen? Dat was spelen met je leven. Binnenkort hebben wij in Nederland weer een koning. Sinds 123 jaar. Zijn positie zal niet te vergelijken zijn met die van David. Hij zit in een glazen huisje en een misstap van de aard van David zou mogelijk het einde betekenen van de monarchie in Nederland. Maar geldt dat ook voor andere machtige mensen? Sjoemelende, corrupte en graaiende managers bij banken en bedrijven? Hoeveel moeite hebben zij met hun geweten, of valt dat reuze mee? Zijn zij niet oprecht verontwaardigd als in enkele gevallen hun handelwijze publiek gekritiseerd wordt door de media. Dan vallen al gauw woorden als hetze, jaloezie, beschadiging van de mensen waar dit land het van moet hebben.

Maar ook een absoluut heerser als David, dertig eeuwen terug, was niet zo onaantastbaar als je zou denken. Dat had te maken met de godsdienst van Israël. De koning werd niet beschouwd als een god. De koning, hoezeer ook een heerser en ‘koning bij de gratie Gods’, was niet meer en niet minder dan een mens en met een verantwoordingsplicht naar de Hoogste, naar God, die hem oordeelt op grond van recht. Als er een profeet optreedt om hem namens God zijn misstap voor te houden, dan kan hij de man niet de deur wijzen of erger de mond snoeren, het gevangen zetten of doden, zoals dat bij omringende volken wel gebeurde als iemand de vorst durfde te kritiseren. Zo strafte in dit verhaal God hem bij monde van de profeet Natan. Deze is begiftigd met een groot psychologisch inzicht en met retorisch talent. Hij vertelt een verhaal. ‘Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. 2 De rijke man had heel veel geiten, schapen en runderen, 3 de arme man had niet meer dan één lammetje kunnen kopen. Hij koesterde het en het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn brood en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; hij had het lief als een dochter. 4 Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor.’ 5 David ontstak in woede over de rijke man en zei tegen Natan: ‘Zo waar de Eeuwige leeft, de man die zoiets doet verdient de dood. 6 Viervoudig moet hij het lam vergoeden, omdat hij zich zo harteloos heeft gedragen.’ 7 Toen zei Natan: ‘Die man, dat bent u! Dit zegt de Eeuwige, de God van Israël: Ik was het die je zalfde tot koning van Israël, ik was het die je redde uit de greep van Saul. 8 Have en goed van je heer, en de vrouwen van je heer erbij, heb ik jou in de schoot geworpen; de heerschappij over Israël en Juda heb ik aan jou overgedragen. Als dat je te weinig is, zal ik er nog het een en ander aan toevoegen. 9 Waarom heb je dan mijn geboden met voeten getreden door iets te doen dat slecht is in mijn ogen? De Hethiet Uria is door jouw toedoen gedood. Je hebt hem zijn vrouw afgenomen en hem in de strijd tegen de Ammonieten laten vermoorden.’

Het is een parabel, een gelijkenis. Een rijke man die het lammetje van een arme man gebruikt om te slachten. De koning vindt terecht dat de rijke man een schandelijk misdrijf heeft begaan, waarna Natan onthult dat David zelf die rijke man is. Ata Haisj! Jij bent die man! Dat komt direct en hard aan. Op zo’n moment ben je uitgepraat, uit geredeneerd. Er valt niets te ontkennen of te nuanceren. Het is zoals de profeet het heeft gebracht. David ziet daarna de waarheid van zijn leven onder ogen. Hoeveel mensen doen dat? Kent u de naam van één gevallen politicus, bankmanager, topadvocaat die werkelijk spijt heeft van wat hij of zij aan fundamenteel fout gedrag heeft getoond? Behalve misschien dan ik had het anders moeten aanpakken, ik heb een fout gemaakt?
Nu mogen wij ook naar onszelf kijken. Het is gemakkelijk om een snoeihard oordeel te hebben over anderen. Wij zijn immers geen bankmanagers, geen politici en geen koning. Uit sociologisch onderzoek is gebleken dat mensen graag om iemands aftreden roepen, eerder dan vroeger een advocaat inhuren om een ander te vervolgen, maar zelf geen enkele kritiek kunnen verdragen. Het zijn de anderen, niet ik. Het kost ons kennelijk moeite om ons te verplaatsen in die falende ander en te zien dat die niet zoveel anders is als wij. Dat wij dezelfde misstappen kunnen begaan.

Vorige week stond er in dagblad Trouw een interview met de journalist Rex Brico, redacteur religie bij Elseviers Weekblad en het AD. Hij is nu 83 en heeft veel meegemaakt doordat anderen hem lieten vallen. Aan hem werd gevraagd: Maar u hebt alle reden om te willen vergelden. Nogal wat mensen lieten u in de steek. Zijn antwoord was: Ik heb absoluut geen wraakgevoelens. Ik ben me véél te bewust van de menselijke machteloosheid om rancuneus te zijn. ‘Maar kunt u zich voorstellen dat mensen de ander wel een hel toewensen?’ Die zouden iets meer aan introspectie moeten doen, hun eigen onvolmaaktheden leren kennen. Ik denk eigenlijk dat we geen mensen zijn, maar mensachtigen. We moeten nog leren mens te worden. We zijn rationele dieren. Een beetje rationeel, maar vooral dieren. Kijk maar naar die moord op Marianne Vaatstra. Zo’n man die zo gewaardeerd werd om zijn sociale eigenschappen, die dan ineens een beest blijkt te zijn geweest. Dat zit in ons allemaal’.

Vandaag is het de derde zondag van de Veertigdagentijd. We staan stil bij wie we zelf wezenlijk zijn en hoe wij staan tegenover God en onze naasten. In deze periode zijn we uitgenodigd om te werken aan een zuiver hart in onszelf. Ja, om tot inkeer te komen. Over dat schilderij waarop we terecht zijn gekomen met haar lijsten. Over ons ballingschap. Waar komen wij van oorsprong vandaan en waar zijn wij werkelijk thuis? Is er nog iets waar ik niet mee in het reine ben. Is er nog iets dat ik in orde wil maken, naar mezelf toe, naar een ander die ik tekort gedaan heb, naar God?
Dan kan het nog een mooi paasfeest worden! Een waarlijk opstandingsfeest.
Amen

ds. Peter Korver

[i] “Noit tutti siamo esiliati, viventi entro le cornici di uno strano quadro. Chi sa questo, vive da grande. Gli altri sono insetti.”
(Leonardo da Vinci in een brief aan Gabriele Piccolomini)
Deze tekst is waarschijnlijk niet echt door Leonardo da Vinci geschreven. Het verhaal gaat dat Bomans deze tekst zelf bedacht heeft en heeft laten vertalen in het Italiaans.