Overweging 25 juni

Beste vrienden,

Vijf jaar geleden schreef de moderne, spirituele componist Arvo Pärt een muziekstuk dat Adam’s Lament heet, het beklag van Adam. De tekst is geschreven door een monnik uit de vorige eeuw die leefde op het Griekse schiereiland Athos. Het is muziek die je uittilt boven de drukte en de stress van deze wereld, boven jezelf. We horen Adam, de eerste mens, symbool voor de gehele mensheid. Hij heeft nog weet van het paradijs, waar het leven goed is en naar de bedoeling van de Schepper, hij heeft de vreugde van het volmaakte leven gekend, de liefde van God. Maar Adam, de mens, heeft het verknoeid, heeft zich gekeerd tegen de bedoeling van zijn schepper en is verdreven uit die ideale tuin, de tuin van Eden. Hij suffered grievously, leed smartelijk en lamented with a mighty moan, hij klaagde met een heftig kreunen. En de woestijn werd gevuld met zijn beklag. Zijn ziel deed pijn toen hij zich bedacht: “ik heb mijn Schepper gegriefd”. Adam kwijnde weg op de aarde en weende bitter. Hij voelde er zich niet thuis. Hij zocht in tranen zijn God. “Hoe zou ik hem niet kunnen zoeken? Toen ik nog met Hem was, verheugde mijn ziel zich en kende vrede, en geen vijand kon mij raken. Ik roep uit: Wees mij genadig, o God, heb medelijden met uw gevallen schepsel”.

Zo deed Adam zijn beklag en tranen stroomden van zijn wangen op zijn baard, tot op de grond bij zijn voeten en de hele woestijn hoorde zijn klagen. De wilde dieren en de vogels werden er stil van.

Ja, de mens lijdt onder de gebrokenheid van het bestaan. Het zou allemaal zoveel beter en leuker kunnen zijn. Als hij maar niet zo bedacht was op alleen zijn eigen voordeel, en voorbij ging aan wat God, wat zijn medemensen, wat de aarde nodig hebben en van hem vragen. Adam beklaagt zich niet over zijn sterfelijkheid, of de gewone moeiten en ongemakken van het bestaan, maar over het verlies van het zicht op een goed leven, nu hij door eigen schuld niet meer leeft met God voor ogen. Ja, de monnik, de heilige man van Athos, die Adam hier op een aangrijpende manier zijn beklag laat doen, verwoordt hier voor de mensheid onze spijt dat wij onnodig zoveel onheil over onszelf hebben afgeroepen, dat we het aardse paradijs hebben laten verworden tot een tranendal.

Moderne mensen zullen zich maar weinig aangesproken voelen door de godsdienstige begrippen van een God die door ons gedrag vertoornd is geraakt en ons uit het paradijs heeft gezet en ons laat voortbestaan in een moeizaam leven vol ontberingen en treurigheid. Maar op een seculiere manier herkennen ook zij dezelfde tragiek. De meesten van ons hebben de herinnering aan het paradijs van onze kindertijd, toen er voor ons werd gezorgd, toen onze vader en moeder onze zorgen van ons wegnamen en voor een grote mate van zorgeloosheid zorgden. Kent u ze, die regels uit dat liedje van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink, Op een mooie Pinksterdag: Vader was een mooie held, vader was de baas, Vader was een duidelijke mengeling van onze lieve Heer en Sinterklaas. Ben je bang voor ‘t hondje, hondje bijt niet. Papa zegt dat hij niet bijt. Toen was de wereld nog overzichtelijk voor ons. Al gauw zou echter blijken dat de wereld groter en bozer was, dat honden wel degelijk kunnen bijten, dat vaders lang niet altijd meer de gevaren voor ons kunnen wegnemen. In niemands leven schijnt elke dag de zon. Ieder van ons moet gaan dealen met zorgen en verdriet. De een nog weer eens meer dan een ander. En voelen ons slachtoffer als die arme Adam.

Het boek van de profeet Joël, waar we uit lazen, staat bol van rampspoed. Er is een dreigend onheil, de komst van een vijandelijk leger, dat vergeleken wordt met een zwerm sprinkhanen. U weet het, sprinkhanen komen in een golf van een zo groot aantal dat de hemel verduistert en als ze neerdalen wordt het land in een oogwenk kaalgevreten. Al wat eetbaar is, is weg. Honger en armoede worden door hen achtergelaten. De Eeuwige laat de profeet zeggen: “Mijn land is ten prooi aan een volk, een machtig volk zonder tal, met tanden als van een leeuw. Het maakt dode takken van mijn wijnstok en brandhout van mijn vijgenboom. Naakt en kaal zijn ze, omvergehaald.” Iedere tijd verstaat deze oude woorden binnen de eigen context. In de jaren 40-45, de oorlog, dacht elke goede vaderlander aan de bezetter, de Duitsers. Nu zijn er Nederlanders die meteen denken aan de nieuwkomers, de vluchtelingen en vreemdelingen, van wie zij vrezen dat ze in zwermen over ons neerdalen en dat ze kaalvreters en opeters zijn. Maar ook bij Joël is het niet helder wie dan dat machtige volk is dat nadert met een voorhoede als een verterend vuur en een achterhoede als een verzengende vlam, die een aanblik biedt dat de aarde doet beven en de hemel sidderen. En dan wordt ineens duidelijk dat het ’t leger van God is. Hijzelf gaat voorop om zijn volk te straffen. Ja, nu is de ontzagwekkende dag van de Heer aangebroken en wie kan die dag doorstaan?

Het is een godsbeeld dat niet vrolijk maakt. Een wrekende, straffende God die je bang maakt. Daar houden wij niet van. Zeker als vrijzinnigen niet. Een God die liefde is, die vrede geeft, ja. Wij houden niet van een al te menselijk voorgestelde God die net als een mens een koning, een heerser, kan zijn, die boos kan worden, wraakzuchtig, die straft, maar ook tot inkeer kan komen en die je daarom kan bidden om alsjeblieft toch zijn barmhartigheid wil tonen. In onze tijd kunnen we de opwarming van de aarde of een mensonterende oorlog nog wel zien als de consequentie van ons eigen gedrag, een straf zo u wilt voor wat we zelf hebben aangericht, en we kunnen met wetenschappelijke metingen en onderzoekingen een verklaring geven. Daarvoor hoeven we niet meer te zijn bij een boos geworden God. Hij is het niet dat het leger van problemen en rampen aanvoert, dat we zien naderen.

Wat doe je, wat doen wij met elkaar als er duidelijke tekenen zijn van naderende problemen? Er zijn een paar mogelijkheden. Je kan je kop in het zand steken en zeggen dat er niets aan de hand is, want met je kop in het zand hoef je ze ook niet te zien. Dat is de visie tussen aanhalingstekens van de Amerikaanse president Trump. Hij zegt gewoon: er is helemaal geen probleem, de opwarming van de aarde is een leugen en daarom gaan we gewoon door met de kolenindustrie. Dit is een hele prettige oplossing als je erin kunt geloven. Terwijl anderen maar moeilijk doen en je proberen aan te praten dat je een probleem hebt, ontken je dat gewoon en vanaf dan hoef je dus nergens rekening mee te houden en geen offers te brengen!

Een tweede mogelijkheid is om te erkennen dat het inderdaad fout gaat en vervolgens als een konijn verstard in de koplampen van de aanstormende auto staren. Je kan dat ook nog godsdienstig verpakken. Dan zeg je: het is een straf Gods, wij hebben het hoofd te buigen en te aanvaarden wat over ons komt.

De derde mogelijkheid is om de werkelijkheid te onderkennen, en vervolgens te vertrouwen op eigen kracht en mogelijkheden, op kracht en inzicht dat je geschonken wordt, te zoeken naar nieuwe mogelijkheden in plaats van uit te gaan van onmogelijkheden. En dat is het punt waar een profeet zijn werk doet. Hij waarschuwt: dit is de situatie mensen, mooier kunnen we het niet voor u maken en als ik de lijnen doortrek, dan zie ik onheil. Maar het hoeft zo niet te gaan. En hij mag met de mond van de Eeuwige spreken: Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft. Oude mensen zullen dromen dromen en jongeren zullen visioenen zien. En Joël ziet het werken aan een nieuwe, een betere toekomst, niet alleen als iets voor jongeren, die de toekomst zijn. Nee, het zijn jongeren én ouderen die dromen en visioenen zien. Een oudere komt er niet mee weg door te zeggen: ik heb het lang genoeg gedaan, nou maar een ander, of, erger nog, na mij de zondvloed. Een pensionado kan meestal heel goed een bijdrage ten goede geven aan de toekomst van zijn kinderen, kleinkinderen en de kinderen van anderen.

Je droomt iets. Het is geen realiteit, maar een wens die gevisualiseerd wordt, je stelt je iets voor van wat misschien onvoorstelbaar is. Herman van Veen zingt in het lied De Clowns: Het is echt waar, ik heb het in mijn dromen zelf gezien. Deze zin – uit het lied “De clowns” van Herman van Veen – daar gaat zo’n kracht vanuit! Dromen kunnen de wereld veranderen. We moeten er alleen in gaan geloven.

Veel mensen hebben wel een droom, maar doen niet meer hun best om die droom te bereiken. De droom is misschien te groot in hun ogen, of te ver weg, hij lijkt volkomen onbereikbaar, Je vertelt jezelf dan allerlei redenen waarom jij die droom niet kan bereiken. Je hebt er de gezondheid niet voor, de hersenen niet, je hebt er het geld niet voor, je hebt niet de goede ouders gehad, je hebt de verkeerde partner, je bent nog te jong of al te oud. Enzovoorts. Zoveel goede excuses.

Ik heb alle begrip voor die Adam die zich beklaagt. Zijn fouten hebben hem in een moeilijke, welhaast uitzichtloze nieuwe werkelijkheid gebracht. Zijn enige hoop was nog dat God barmhartig voor hem zou zijn. Dat Hij genadig zou zijn. In het katholieke milieu waarin ik ben opgegroeid werd gezegd: Ja, maar daarna moet je wel met de genade willen meewerken. Het gaat om nieuwe kansen die zich voordoen en vervolgens die ook willen zien en willen pakken. Veel moet van buitenaf komen in het leven, van God, en vervolgens zijn wij aan zet en verantwoordelijk. Onder alles, ten goede en ten kwade, schuilt naar mijn ervaring ook een kracht die mij, die u wil dragen. Die daagt uit: zit niet bij de pakken neer, ga, doe, en ik ga met je mee.

Amen

ds. Peter Korver