Overweging 24 juni

Het leven, een geschenk, maar soms ook een zware last

Het leven is een geschenk. Bedenk maar wat het je te bieden kan hebben: een mooie jeugd met lieve ouders, broertjes, zusjes, vriendjes, plezier, spelen, vakanties, sportclub, studietijd, uitgaan, verliefdheid, seks, reizen, ontmoetingen, een interessante en leuke baan, een eigen huis, een eigen gezin, muziek, kunst, literatuur, uit eten gaan. We hechten eraan. Het leven zelf is het belangrijkste dat wij hebben, ook al bezit je niets. I ain’t got no… I got life, zoals Nina Simone ons voorhoudt uit dit lied uit de musical Hair. We zijn bereid alles in te leveren, als we het leven zelf maar mogen behouden. Het is uiteindelijk het enige dat we hebben, het enige dat er echt toe doet. Dat ik mag bestaan!

En niets lijkt ons verschrikkelijker dan dat wij eens moeten sterven. Het is met het leven als met vele kostbare wonderschone voorwerpen: zo mooi als het is, zo kwetsbaar, breekbaar is het ook. Alles van waarde is weerloos. ‘Alles van waarde is weerloos’: weinig dichtregels worden zo vaak geciteerd als deze van Lucebert. Met grote neonletters prijken ze op het gebouw van een Rotterdamse verzekeringsmaatschappij. Met het afsluiten van verzekeringen proberen we de breekbaarheid en onzekerheid van het bestaan op te vangen.

Ons leven is kostbaar en het is kwetsbaar. Want het leven vraagt ook veel van ons, van ons incasseringsvermogen met name. Zoals de Engelsen zeggen: life is very demanding, het leven is erg veeleisend.  Er wordt zoveel van ieder van ons gevraagd en veel kan ons ook ontnomen worden. Een economische crisis, een oorlog, ziekte, ouderdom, ze kunnen ons veel moois weer ontnemen.  En wat er overblijft is soms: het naakte bestaan. Niets meer hebben behalve een partner of ook die niet. Zolang er leven is, is er hoop, zeggen we wel. Maar soms valt ook de hoop weg. Dan kan zelfs het leven je gestolen worden. Een mens kan in een depressie raken. Het hoeft niet meer voor mij. Was ik maar dood.

In het verhaal ( 1 Koningen 19 : 1-16) is de profeet Elia ook in zo’n situatie terecht gekomen. Hij heeft zijn strijd gestreden. Tegen het onrecht, voor de zaak van God. Tegen het kwaad van een koning die van God los is, tegen het kwaad van een wrede koningin Izebel. Hij is tot het uiterste gegaan, alle bedreiging getrotseerd, het kwaad ontmaskerd en verslagen. Hij heeft geglorieerd, maar wordt daarna opgejaagd, van zijn leven niet meer zeker en vlucht de woestijn in. Hij valt uitgeput neer. Hij is onder een bremstruik gaan zitten, verlangend naar de dood. Van de grootste overwinning op zijn tegenstanders, zijn grootste succes is hij terecht gekomen in een absolute dip. en hij zegt: Het is genoeg geweest. Neem mijn leven. Hier treedt er een crisis op in zijn leven en zijn geloof.  Geen overwinningsroes, geen kracht meer om verder te gaan. Elia heeft zouden we nu zeggen een burn out en hij ziet geen hand meer voor ogen. Wat heeft hem tot dit punt gebracht? En is er een uitweg voor hem?

De ervaring is zo herkenbaar ook voor veel mensen vandaag de dag. Je werk kan alles van je vragen, je zet je in voor je gezin, de kerk je maakt het de mensen om je heen zoveel mogelijk naar de zin. En voor het oog gaat alles goed. Maar niemand ziet wat er van binnen gaande is en dat je op een gegeven moment niet meer kunt. De batterij is leeg, het licht gaat uit. Je kunt de weg niet meer vinden. Net als Elia kun je op dat punt komen, dat je alleen nog maar wilt blijven liggen en dat je het niet meer ziet zitten. De balans is verstoord geraakt. De blij makende dingen in het leven wegen dan niet meer op tegen de last die je moet dragen. Je kan dan wel je best doen om te denken: ik heb mijn hoofd, ik heb mijn hart, maar als dat hoofd te vol en overspannen is geraakt… Je kan denken ik heb mijn ziel, maar als die ziel gevuld is met duisternis en chronisch geen vreugde meer kent… Je kan zeggen ‘maar ik heb het leven’, maar als dat alleen maar pijn doet… Wat blijft er dan?

En dan is er vaak toch een moment dat er iemand naar je toekomt. Je mag hopen dat het een engel is, die je helpt. Die zonder veel woorden, zonder verwijten of raadgevingen je brengt wat nodig is. Het begint met de zorg om het lichaam en het dagelijkse eten. In het verhaal is er een engel die Elia te eten geeft. Maar daarmee is hij nog niet genezen. Daar is een langer proces voor nodig. De engel leidt hem naar de woestijn. Een retraite zouden we zeggen. Tijd om afstand te nemen van de dingen en opnieuw te ontdekken wat je leven de moeite waard maakt. We lezen niets over zijn geloof in die dagen. Misschien is hij alleen maar met zichzelf bezig. Met zijn eigen vragen en problemen. Zijn relatie met God staat op een laag pitje. Maar na veertig dagen komt daar verandering in.

En als hij dan bij de berg Horeb is, komt God tot hem. Elia is dan in een grot. Een plek van duisternis. En hij staat op en zoekt voetje voor voetje de weg naar het licht. En dan merkt hij dat God er nog steeds is. Maar het is alsof hij God opnieuw moet leren kennen. Na al die jaren dat hij met alle geweld moest strijden voor God, gaat hij als het ware opnieuw ontdekken wie God is. Die God blijkt zelf er niet een van alle geweld te zijn. Het lijkt wel of God Elia de tijd geeft en zelf laat kiezen wie God nu voor hem is. Eerst laat hij zich horen in een storm. Maar Elia zegt ‘nee’. Dit is God niet. Dan laat God de aarde scheuren zodat horen en zien je vergaat. Maar Elia zegt ‘nee’. Ook daarin is God niet te horen. En dan als laatste wordt het stil en nauwelijks hoorbaar klinkt er een zacht suizen. Een weldadige stilte. En dat heeft Elia nodig. Daarin herkent hij God, daarin komt God dichtbij. Dat is wat op zondag in de dienst steeds meer een plaats krijgt: een moment van stilte. Na het aansteken van de kaars, na de overdenking, het stille gebed. Na al onze woorden kan wellicht dan God aan het woord komen, in ons, in de stilte.

In de stille aanwezigheid van God spreekt Elia nu vrijuit tót God. Al zijn nood legt hij voor hem neer. Zijn levenswerk van vele jaren. ‘Het zegt me niets meer. Ik heb alles gegeven, maar nu ben ik alleen overgebleven.’ Als hij de balans van zijn leven opmaakt, staat er een nul onder de streep. Met niets begonnen. Een heel leven gewerkt en gepredikt — en uiteindelijk met niets geëindigd. Vreemd. Juist nu hij die ontmoeting met God heeft in ‘het geluid van de stilte’, de ‘sounds of silence’, kan hij die waarheid accepteren. En hij wordt niet opgepept door God, om toch maar weer door te gaan. Nee, het is goed zo. Hij mag het loslaten. De laatste opdracht die God voor hem  heeft is om zijn opvolger aan te wijzen. Een nieuwe koning en een nieuwe profeet. En Elia mag met pensioen.

Wat een opmerkelijk einde. Die Elia kon niet meer. En God laat hem alle registers nog eens horen. Hij haalt hem uit die donkere grot. Hij laat de aarde opensplijten en de storm opsteken. En er waren momenten geweest in zijn leven dat hij daardoor weer vol vuur zou raken en weer verder kon. Maar nu niet meer. Nu wordt alles stil en in de stilte komt hij dichter bij God dan hij ooit geweest is. God geeft hem te kennen dat hij gemist kan worden.

Velen van ons zullen wel iets herkennen uit eigen ervaring. De gloed van de strijd die je hebt gestreden voor je idealen, het succes, de mislukking, het geloof en het verlies aan vertrouwen, de drive voor het leven, de depressie. Het gevoel dat alles op jouw schouders ligt, dat jij niet gemist kan worden en dan ga je gewoon met pensioen. Ook zonder jou gaat alles door en ook op een goede manier, zelfs als jij meent dat je opvolgers minder geschikt zijn dan jij. Er zijn andere mensen om het stokje over te nemen. Maar op een dieper niveau blijkt dat je zelf de dingen niet kan loslaten. In de stilte vindt Elia de kracht om los te laten. God heeft hem niet nodig. God heeft jou niet nodig. Elia is niet de verlosser die de wereld hoeft te redden, u en ik zijn geen verlosser. Je hebt misschien een steen verlegd in de rivier, waardoor het water net even anders stroomt. Dat is al heel wat.

Wanneer zeg je dat het leven een last is geworden? Is het niet altijd meer of minder een last? We zeggen wel eens dat ieder een rugzakje heeft. Je draagt iets met je mee aan zorgen en verdriet, pijnlijke herinneringen, verwondingen. Niemand draagt alleen maar blijde en zonnige zaken met zich mee. Als je ouder wordt, komen er in dat rugzakje van jou weer andere lasten. Bijvoorbeeld alles wat je los moet laten. Je kinderen, je werk, je gezondheid, je partner, de grote reizen, het auto rijden, je zelfstandigheid. Maar vult die rugzak zich niet ook met schatten? Met goede herinneringen, met wijsheid, met rust…  Voor de meeste mensen is er een zekere balans. Ik heb wel fysieke ongemakken, ik heb wel een scheiding achter de rug, ik ben mijn baan wel verloren, maar ik heb wel jou, mijn lief. Ik mag wel bij deze gemeenschap horen. Ik kan mij misschien nog verheugen in een vakantie die komt. Ik heb mijn haar, ik heb mijn hoofd, Ik heb mijn hart, ik heb mijn ziel, Ik heb mijn armen, ik heb mijn muziek, mijn kleinkinderen, mijn vrienden. Ik heb mijn handen, Ik heb mijn vingers, mijn benen. Ik heb mijn voeten, ik heb mijn tenen. Ik heb het leven. Ik mag leren dat dat genoeg kan zijn. Dat ik God kan danken.

Ds. Peter Korver