Overweging 22 september 2013

vredesweek2013Toelichting bij de zondag: eerste zondag van de herfst, vanouds vredeszondag

Sinds 1967 kennen de Nederlandse kerken in de eerste week van de herfst de jaarlijkse vredesweek. Start van die week is de vredeszondag. En dat is ook vandaag weer zo. Ver voordat de Nederlandse Raad van Kerken het Interkerkelijk Vredesberaad oprichtten bestond al de Rooms Katholieke variant in de organisatie Pax Christi. En nog eerder kenden het Genootschap van Vrienden (bekend als de beweging van de Quakers) en de werkverbanden van lokale Doopsgezinde Gemeenten hun vredesbeweging. Deze beide groeperingen die nu vrijzinnig genoemd worden, gingen bij hun ontstaansgeschiedenis uit van het letterlijk verstaan van het levensgebod uit de Tien leefregels van het Jodendom. Helaas negatief geformuleerd staat er: Gij zult niet…doden. Dat zagen ze weerspiegeld in het leven van Jezus, die de weg van het lijden niet heeft gemeden. Navolging van Jezus betekende zo nodig de weg van het martelaarschap gaan, in plaats van het leven van een ander in gevaar brengen. Het boek “Het Bloedig Tooneel, of Martelaersspiegel der Doops-Gesinde of Weereloose Christenen” uit 1660 van Tieleman Janszoon van Braght getuigt van de gevolgen van die levenshouding. De levenskeuze, desnoods met de dood tot gevolg , van deze martelaren van driehonderd vijftig jaar geleden en het feit dat iemand zich hier en nu in alle bescheidenheid en schroom Christen noemt, behoren wel tot de bagage van ook deze geloofsgemeenschap. En daar staan we dan vandaag nadrukkelijker dan anders bij stil.

 

Inleiding op de Bijbellezingen

Twee lezingen uit de bijbel: de eerste uit het Marcusevangelie verhaalt een korte episode van een gesprek dat de vrienden van Jezus hadden over hun positie t.o.v. elkaar. Dit evangelie is het oudste van de vier en is feitelijk een opsomming van nog mondelinge overleveringen over Jezus. De tweede lezing is uit het boek Rechters en gaat over een leider van het volk, dat zich aan het settelen is in nieuw land na de emigratie uit Egypte. In de inleiding wordt verteld dat het volk weer deed wat slecht was in de ogen van God. Ze keerden hun bevrijder de rug toe en bogen zich voor de goden van goud, geld, land en macht. Dat maakt hen politiek kwetsbaar, want instabiel en daar maakt een naburig land graag misbruik van. Hoewel…door het aantreden van een rebellenleider, die onverwachts een vredesmissie onderneemt, loopt de geschiedenis anders.

Eerste bijbellezing, uit het Nieuwe Testament
Het evangelie overgeleverd volgens Marcus, hoofdstuk 9, vers 33 t/m 37
“Waar hadden jullie het onderweg toch over?”

Tweede bijbellezing,  uit het Al-Oude of Eerste Testament,
Rechters, hoofdstuk 11, vers 1 t/m 13
“Geef het onrechtmatig verkregen land terug.”

 

Overdenking.
Het gemeentebestuur van Venetie bepaalde in het jaar 1516 (490 jaar geleden) dat alle joden voortaan bij elkaar moesten gaan wonen, in een buurt, die via twee bruggen met de rest van de stad verbonden was. Bij die bruggen hielden christelijke bewakers de wacht, die alle mensen controleerden die het gebied in of uit wilden. Overdag mochten de joden het eiland verlaten, maar alleen als ze een geel herkenningsteken en hoofdbedekking droegen. Bovendien verbood het gemeentebestuur de joden die in Venetie woonden allerlei beroepen uit te oefenen. Er bleven maar een paar mogelijkheden over, zoals textielhandelaar, geldschieter en arts. Voordat de joden gedwongen werden op dat eiland te gaan wonen, was daar een ijzergieterij gevestigd geweest. Zo’n gieterij werd in het Venetiaans dialect geto genoemd. In dat eerste kleine getto in Venetie woonden ooit meer dan vijfduizend joden. Nu zijn er nog maar enkele over. Een paar jaar geleden bezocht ik Venetië. Navraag bij bedienend personeel hoe het getto te vinden, werd duidelijk als lastige vraag opgevat. Gelukkig wees het VVV-kaartje de weg. Op het pleintje midden in het getto is tegen een muur een monument aangebracht ter herinnering aan de holocaust uit de vorige eeuw. Het monument bestaat uit een aantal plaquettes met voorstellingen van de gruwelen uit de concentratiekampen. Ernaast hangt een tekst, die eindigt met de woorden:

“niets zal de doden uit onze herinnering verjagen,
want onze herinneringen zijn hun enige graf”

Sinds 1516 werden alle enclaves waar joden gedwongen bij elkaar moesten wonen getto genoemd. Dat getto in Venetië was zeker niet de eerste dwangmaatregel die in Europa tegen joden werd genomen. In de tijd van de kruistochten werden in verschillende Europese steden duizenden joden op een brute wijze afgeslacht. Er is geen eeuw geweest waarin joden niet van het ene naar het andere land moesten vluchten om een verhoopt veilig onderkomen te vinden. Zij zijn het symbool geworden voor de vluchtelingenstromen van alle tijden en plaatsen, de UNHCR-vluchtelingen organisatie telt momenteel 45 miljoen mensen.

Uit het verre verleden, toen er nog geen geregelde geschiedschrijving, maar ook geen gereguleerde geschiedvervalsing bestond, kennen we oerverhalen uit het Midden Oosten. Ze vertellen over een uitzonderlijke nomadische groep mensen, die zich daar ontwikkelt van veelgodendom naar monotheïsme. De eerste verhalen gaan over hun slavenbestaan in Egypte. Een krachtig leider stuurt de vlucht uit dat land aan en brengt hen tot de grens van een land, waar de geloofsverhalen van vertellen dat dit het “beloofde land” is. Dat land, waar ze volgens diezelfde geloofsverhalen zullen uitgroeien tot een groot volk, wordt op dat moment deels nomadisch, deels sedentair bewoond en bestuurd door anderen. Volgens het bijbelboek Rechters bleven bij de vestiging van de twaalf stammen van Israël de oorspronkelijke tribale groepen waar ze woonden. Het samen delen van het gebied kon meestal in vrede en harmonie.

In meerdere boeken van het Oude Testament is er echter sprake van twist en oorlog tussen de eerste en de nieuwe bewoners. In de Bijbelverhalen is daar vrijwel altijd een theologische lading aan gegeven. De twist tussen twee bevolkingsgroepen wordt herleid tot een daar aan voorafgaande twist tussen het volk Israël en hun God. Die oorlogsverhalen kennen een vast patroon:

Het volk Israël is ontrouw aan de leefregels van God;
God waarschuwt of straft  het volk via een buurvolk dat als vijand Israël bedreigt;
Het volk Israël komt tot inkeer en smeekt om hulp van God;
In vervolg daarop stuurt God een aanzegger, een rechter;
En in antwoord op het erkennen van schuld verschaft God genade en redt het volk.

Vanmorgen hebben we uit het boek Rechters zo’n voorbeeldverhaal gehoord. Het thema bespeelt het nog steeds actuele liedje van landje-pik. Het is het thema van pogroms, van genocide en het bestaansrecht van een volk en een staat.

Het verhaal: Enkele stammen van Israël (Gad en Ruben) wonen op de oostoever van de Jordaan in een gebied dat nu in de atlas te vinden is in het huidige koninkrijk Jordanië. De koning van Ammon kondigde zijn voornemen aan de streek te gaan inlijven bij zijn koninkrijk. Er waren al invallen door hem gedaan tot op de westoever, zodat meer stammen van Israël (Juda, Benjamin en Efraïm) het benauwd kregen. Dit vond plaats in een tijd dat Israël nog geen koning had, maar geleid werd door rechters. De bedreigde stammen kwamen op het idee om een zekere Jefta om hulp te vragen. Jefta was door zijn familie, zijn halfbroers, uit het ouderlijk gezin gezet. Hij was het onwettig kind van zijn vader en de rest van de kinderen had geen zin om later de erfenis met een bastaard te delen. Het lijkt mij niet aannemelijk dat hij warme gevoelens koesterde voor zijn directe familieleden en hun landgenoten. Nadat hij het huis was uitgezet – wie weet hoeveel pesterijen en beledigingen hij in zijn kinderjaren heeft moeten verstouwen – is hij een soort bende- of rebellenleider geworden. Als hij dan gevraagd wordt om leiding te geven aan het verzet tegen de koning van de Ammonieten, heeft hij vast en zeker een kleine triomf gevierd.

Hier onderbreek ik de gang van het verhaal een moment om stil te staan bij de vraag naar het waarom van deze geschiedenis en bij de persoon van Jefta. In de toelichting bij het thema van deze zondag heb ik al gerefereerd aan het verzoek van de Wereldraad van Kerken om aandacht te vragen voor het vraagstuk van oorlog en vrede. Bij mijn toetreding als lid van de Doopsgezinde Gemeente in Arnhem en later als predikant en mentor van gewetensbezwaarden militaire dienst in Heerenveen en Haarlem was mijn eigen houding inzake dit vraagstuk nadrukkelijk aan de orde. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de uitzending van unifillers in de tachtiger jaren van de vorige eeuw naar Libanon.  En momenteel ben ik voorzitter van de adviesraad van het Mennonite Central Committee voor Europa en het Midden Oosten en daardoor direct betrokken bij hulpwerk in het gebied waar ook het Bijbelverhaal van vanmorgen speelt.

Uit de geschiedenis hebben we geleerd dat de casus belli, de directe aanleiding tot oorlog, vaak te herleiden is tot de psychische structuur van degenen die het mobilisatiebevel ondertekenen. De persoonlijkheid van de leider bepaalt in niet mindere mate dan welke objectieve factor ook of er een oorlog uitbreekt of niet. Voor die stelling vind ik een bewijs in de persoon Jefta. Van deze bandiet uit Gilead kunnen huidige leiders een lesje leren

Terug naar het Bijbelverhaal: Op verzoek van de hele sibbe, vertegenwoordigt door vleiende notabelen en begeleid door zijn woeste mannen, keert de vernederde en onterfde verstoteling terug naar zijn geboortegrond. Iedereen die een hardhandige afrekening met zijn oude kwelgeesten verwacht, wordt teleurgesteld. Als bij toverslag is de ruwe, onappetijtelijke rebellenleider verdwenen en is er een nieuwe, weldenkende staatsman opgestaan. De oudsten van Gilead hadden hem gevraagd: “Kom en wees onze aanvoerder in de strijd tegen de Ammonieten”. Maar uitgerekend deze roverhoofdman is niet uit op oorlog, maar zoekt een vreedzame oplossing. Zijn methode bestaat uit het sturen van een brief aan de koning van Ammon. Centrale vraag in de brief: “Wat bezielt u om mij op mijn eigen grondgebied aan te vallen?” Natuurlijk weet Jefta precies wat de koning van Ammon wil. Zijn brief heeft dan ook een heel andere boodschap dan de vraag suggereert. Met deze brief weet de tegenstander dat de Israëlieten weer een leider hebben en geen gemakkelijke kudde zonder herder zijn. Evenzo belangrijk is de frase: “…mijn eigen grondgebied…”.  Jefta weet donders goed dat het Ammon om grondgebied gaat. Dat blijkt ook uit het antwoord per kerende post: “Israël heeft land van mij in bezit genomen. Ik raad u aan dat terug te geven.” Dat het hier om grond gaat die nooit van Ammon is geweest, is voor de agressor niet aan de orde. In deze zin schuilt wel de angel van een drieduizend jaar oud conflict, dat sinds 1948 extra actueel is, tot op de dag van vandaag.

Dat beloofde land blijkt een eeuwigdurend betwist grondgebied. Verre nazaten van Jefta hebben een muur om dat land gebouwd en ze bouwen nog door. Als een reusachtige slang slingert hij met lussen om dorpen heen, over bergen en door dalen. Hij is bedoeld als grens, tot hier en niet verder. Hij lijkt de creatie van een eigen nieuw getto. Nu niet verordonneerd door anderen, maar bedoeld om de eigen mensen te beschermen en de kinderen van Ammon, die hier en nu Palestijnen heten en uit het hele Midden Oosten afkomen op het economisch wonderland, ervan te weerhouden om de muur te nemen. Hij scheidt werelden en mensen van elkaar. Acht meter hoog. En hoe langer de muur zal bestaan, hoe hoger hij in de beleving zal worden.

Het vervult mij met een vreemde paradoxale mengeling van begrip en wanhoop dat ik gelet op de spiraal van geweld op geweld begrijp dat het een keer op houdt. Als je je leven niet meer veilig bent, als je met doodsangst in je lijf rond loopt. Daar kun je niet bij leven. En toch weet ik dat die muur ook gezien wordt als een samenballing van wantrouwen en haat. De muur imponeert, zeker. Ik heb die muur ook gezien tussen de twee Duitslanden en in Belfast en ik ervoer ze als uitingen van onmacht, van machteloosheid.

En dat alles kan hier in Hilversum gezegd worden. Als je je ogen sluit voor de rest van de wereld, kun je zorgeloos leven aan de ‘s Gravelandseweg. Hier is het veilig en groen, weldadig rustig op zondagmorgen, ver van alles wat lijkt op  het Israel van drieduizend jaar geleden bedreigd door Ammon. En net zover van wat er in Colombia gebeurt, waar  in een vorm van moderne slavernij, onze steenkolen voor stroomcentrales in IJmuiden en Rotterdam, worden gedolven, ver van de voortdurende strijd in Congo, ver van het lijden in Egypte, en ver van de miljoenen van huis en haard gevluchte Syriërs.

Maar wij zijn niet het volk Israël en we geloven ook niet meer in een God die letterlijk ingrijpt. Het oude bijbelse schema van: ontrouw, straf, roep om hulp, bekering, schuldvergeving, genade en hulp, daar hebben we toch ook weinig of niets meer mee. Of zou er toch nog iets uit te leren zijn?  Ontrouw werd in de bijbel gezien als het niet doen wat God vraagt. En als we dat nu eens vertalen naar: niet doen wat de tien oude bijbelse leefregels vragen, en als je dat niet aanspreekt, niet doen wat de humaniteit, de zorg voor het leven van elkander, de toekomst voor het kind van ons vraagt. Daarom las ik dat kleine stukje uit het evangelie van Marcus. Jezus zet een kind in het midden van twistende volwassenen. Kwetsbaar, afhankelijk, want een kind moet alles nog krijgen. Ontrouw aan God en het leven is hierin verbeeld: het kind in jezelf ontkennen, niet meer ontvankelijk en kwetsbaar durven zijn.

Daar zitten we dan, zondagmorgen in Hilversum. Nog even en we verlaten deze plek van stilte, rust en bezinning. Zo meteen Draait de wereld Weer Door met Buitenhof, radiojournaal, Pauw en Witteman. De wereld als een stad. Van Jezus wordt door de evangelist Lucas gezegd: “Toen hij de stad voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad en zei: had jij nou maar geweten wat vrede kan brengen…” In die wereldstad leven wij, als Jezus huilend om Damascus, die nu  model staat voor het verdriet van de wereld. Maar Jezus huilde niet alleen, hij gaf zichzelf, in een grenzeloze liefde. En zijn discipelen hebben dat verhaal door gegeven als een wapen van vrede. Act for Peace, Vrede vrucht van liefde.

Waar in vrede wordt gezaaid,
brengt gerechtigheid haar vruchten voort
voor hen die vrede stichten.

Jacobus 3 : 18

 

Sybout van der Meer, september 2013