Overweging 22 juni 2014

vertrouwenOverdenking in de dienst van zondag 22 juni 2014 in de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap Hilversum bij Jeremia 20:7-13 en Matteüs 10:16-33 (oecumenisch leesrooster).

Lieve mensen van God,

Een verpleegkundige vroeg mij in de week na Pinksteren of ik wel naar een patiënt op de afdeling psychiatrie wilde toegaan die niet goed in zijn vel zat.
‘Niet goed in je vel zitten’ kan een reden zijn om de geestelijk verzorger op te trommelen.
De verpleegkundige zei mij: ‘Deze meneer maakt een gedeprimeerde indruk en is met zichzelf en de hele wereld niet tevreden. Hij heeft niks meer met geloven. Misschien kun jij iets voor hem betekenen’.

Nou, dacht ik, hoe zal dat gaan? In depressies ben ik geen deskundige, een algehele ontevredenheid kan ik niet zomaar wegnemen en ‘niks meer met geloven hebben’ betekent wellicht argwaan in mijn richting.

‘Ik zal naar hem toegaan’, beloofde ik. Ik zei het niet maar dacht het wel, zoals wel vaker in zulke gevallen: ‘God zegene de greep’. Ik moet maar vertrouwen op de Geest, het was per slot de week na Pinksteren.

Toen ik bij hem kwam, mij voorstelde en mijn functie noemde, ‘geestelijk verzorger’, zat hij al meteen op de kast.
‘O nee, hoor, geen enkele behoefte aan’, en er volgde een uiteenzetting over wat geestelijke leidslieden voor nare streken in zijn leven hadden uitgehaald.
Hij wilde niks meer met de kerk te maken hebben.
Hij was ook bang dat ik hem zou komen bekeren.
Hij wilde niet in gesprek maar … sprak ondertussen gewoon verder.
In zulk soort situaties die ik nogal eens in het ziekenhuis tegenkom, luistert het nauw – soms moet ik echt de weerstand tegen mijn functie bij patiënten dulden.
Die weerstand is er niet voor niets.

Het heeft te maken met negatieve ervaringen die heel diep kunnen zitten, negatieve ervaringen met het instituut kerk, dominees, pastoors, geestelijke leidslieden. Vooral bij mensen tussen de 60 en de 80 kom ik die ervaringen tegen.
Het gaat dan helemaal niet om extreme ervaringen, zoals seksueel misbruik, nee.
Het gaat vooral om mensen die streng zijn opgevoed.
Mensen die dwang in het geloof en de kerkgang hebben meegemaakt, wier eigen mening er niet toe deed, mensen naar wie vroeger niet werd geluisterd. Mensen die vanuit de langzaam verworven vrijheid van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw steeds kritischer zijn geworden. En: die vaak zijn afgehaakt van kerk en geloof.

Het liefst wil ik die weerstand zoals ik die ook bij deze patiënt tegenkwam, laten verminderen.
Ik wil, als het even kan, mijn patiënt niet kwijt. Dat is ook mijn opdracht!
Wie weet, wie weet, kan ik toch nog iets betekenen …

Het heeft alles met mijn geloof te maken: ik geloof dat God van doen wil hebben met alle mensen en ik geloof dat de Heilige Geest aansluit bij waar mensen zich bevinden en ieder mens accepteert zoals hij of zij is.

Ik probeerde in díe geest een ruimte te scheppen waarin hij zich erkend en gehoord kon weten.
Dus toen deze man tóch maar bleef doorpraten, schoof ik de dichtstbijzijnde kruk langzaam onder mij en raakten we toch uiteindelijk werkelijk met elkaar in gesprek.
Heel langzaam ontdooide hij. Werd hij milder.
‘Ach’, zei hij op een gegeven moment aan het einde van onze ontmoeting, als een soort samenvatting, ‘het gaat toch niet allereerst om dat instituut of de kerkgang, maar om wat voor een méns je bent.’

Dat zijn van die woorden uit gesprekken met patiënten die binnenkomen en mij blijven vergezellen.

Het gaat erom wat voor een méns je bent.

Daarom gaat het voor mijn gevoel ook in al die verhalen die ons in de bijbel zijn overgeleverd, ondanks die grote afstand in tijd, plaats en cultuur. Het zijn verhalen over onze menswording.

De profeet Jeremia die zo’n 2600 jaar geleden het onrecht aan de kaak stelde, de verloedering van de tempeldienst, daartoe door God geroepen.

En ook al zouden wij misschien wel nooit kunnen zeggen, zoals hij:
‘De Heer heeft mij verleid en ik ben bezweken, u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen’ – wij houden immers graag autonoom de regie over onze levens ………
En ook al zouden wij misschien wel nooit kunnen zeggen, zoals hij:
‘De Heer staat mij terzijde als een machtig krijgsman’ – ons geloof ziet er vaker wat minder sterk uit en we drukken het al helemaal niet uit in taal van strijd en macht ……
tóch is niets menselijks hem vreemd en daarom is hij ook weer, ondanks alle afstand, herkenbaar:

een mens voor Gods aangezicht
met een roeping die hem moeilijk valt
met veel weerstand uit de samenleving van zijn tijd
die hem doet twijfelen, onzeker maakt, zelfs bang voor vervolging,
soms aan wrok en wraakgevoelens ten prooi,
en dan weer welt een loflied in hem op.
Het ene moment vol Godsvertrouwen,
het andere moment vol vertwijfeling.
Niets menselijks is hem vreemd.

Het gaat erom hoe je daarmee omgaat, wat voor een mens je bent.
Hoe je omgaat met de ander die op je weg komt, met de anderen, met degenen die van je afwijken, met andersgelovigen, bijvoorbeeld met moslims in onze samenleving.

Maar ook hoe je omgaat met jezelf en met wat er allemaal in je omgaat, met de opdracht in je leven, je roeping wat mij betreft, en,
dat is voor mijn gevoel essentieel: … hoe je omgaat met God, met die bron van alle liefde, licht en leven, het mysterie, of welk beeld u hiervoor ook gebruikt.

Of je die stem van God in je toelaat die ooit in het paradijsverhaal klonk: Adam, mens, waar ben je?

Om te voorkomen – zie nu weer de parlementaire enquête en het Vestiaverhaal – om te voorkomen dat wij mensen koningen worden in onze koninkrijkjes. Die Stem van God heb ik telkens weer nodig om mens te worden … Adam, mens, waar ben je?

Zoals Jeremia toch, ondanks alle weerstanden en twijfels, het niet laten kan dat Godswoord dat in hem brandt, serieus te nemen.

En daarop te vertrouwen.

Zo zendt Jezus ook zijn leerlingen uit in het verhaal van Matteüs. Ga de wereld maar in en laat die Stem van God maar met je meereizen.
Vertrouw daar maar op.
En, opnieuw:
wij leven in een totaal ándere tijd dan de leerlingen van Jezus, in een totaal ándere cultuur.
Maar: ook wij zijn onderweg. Hebben onderweg ook bemoediging nodig, een woord dat ons raakt, een verlangen dat wil worden gevoed, kracht die wij zoeken, hoop op genezing, troost om door te gaan, Koninkrijk van God.

Wij komen toch hier samen, in deze Kapel – blijkbaar is er nog altijd iets dat ons hier naartoe trekt, naar dit uur van bezinning, als een oase in de woestijn, een plek om weer te drinken uit de bron van levend water.

En in dat verhaal van die uitzending van Jezus’ leerlingen, trof mij die ene zin over die mussen.
De mussen die door God worden gekend. Hoeveel temeer worden wij dan gekend.
‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil’.
Aldus de Nieuwe Bijbelvertaling. Maar bij deze vertaling kun je een vraag stellen.

Want dat betekent eigenlijk dat God de dood van zo’n mus zou willen.
Er vallen toch mussen dood neer? Nou, dat zou dan met deze vertaling de wil van God zijn!
Nog een stap verder en je kunt zeggen: als mensen dood neervallen, nou, dan is dat blijkbaar de wil van God! Velen kunnen daarmee niet uit de voeten, ik ook niet.

Ik moet denken aan een patiënte die een paar weken geleden tegen mij zei – en soortgelijke woorden kom ik veel vaker in het ziekenhuis tegen:
‘Ik heb zoveel op mijn bord gehad in mijn leven, slag na slag, dat ik God eigenlijk ben kwijtgeraakt. Praat me er maar niet meer over’.
Zij had ergens het gevoel dat het God was die haar dit allemaal had aangedaan, terwijl God toch liefde is? Ze kreeg het niet bij elkaar.

Het is ook niet bij elkaar te krijgen: de pijn, het lijden, de dood van geliefden en een God die dat dan zou willen.

Maar je krijgt wel dat soort gedachten als je vertaalt ‘er valt niet één mus dood neer als jullie Vader het niet wil’. Een gevaarlijke vertaling!
Sterker: een onjuiste vertaling, want het woord ‘wil’ staat niet in de grondtaal.

Daar staat: ‘Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader’ (NBG-vertaling uit 1951!). ‘Niet één zal vallen zonder uw Vader’.
Dus:
als een musje valt, dan is God daar blijkbaar op de één of andere manier bij, Hij heeft daar blijkbaar weet van.
Verder kun je niet gaan, verder moet je niet willen gaan!

Als een mens valt, dan is God daar blijkbaar op de één of andere manier bij, Hij heeft daar blijkbaar weet van.
Verder moet je er maar niet teveel over zeggen, want wat weten wij nou eigenlijk daarvan af?
Niemand heeft ooit God gezien! En sommige mensen menen precies te weten wie God is en wat Hij doet en wat zijn wil is en wie Hij of Zij wel liefheeft en wie niet…

Mensen kunnen zoveel op hun bord hebben, slag na slag, maar dat is niet zomaar de wil van God! Dan wordt het lot dat iemand treft gelijk aan God.
Dan is alles dat ons overkomt iets dat God blijkbaar zo heeft gewild.
Ja, het kind dat verongelukt? De ouders die hun dochters in Panama kwijt zijn? Iemand die leukemie ontwikkelt?

Nee, geen mus valt zonder de Vader. Dat is iets anders.
Je zou bijna zeggen: God staat er even machteloos bij als de mus valt als wij, God staat er even kwetsbaar en onbeholpen bij als wij als een mens valt, maar toch is het ook anders, dieper, omvattender, troostender ook:
wij zijn niet aan ons lot overgeleverd!
Er is er Eén die, hoe dan ook, met ons is.
Wij vallen niet volledig samen met wat ons overkomt.
Daarom zongen wij aan het begin van deze dienst:

Heer, onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
en hoe onzegbaar ons nabij.
Gij zijt gestadig met ons bezig
onder uw vleugels rusten wij.

Blijkbaar is God er wel op de één of andere manier bij,
gestadig met ons bezig, hoe dan ook, niemand die het precies weet, maar: niemand valt zonder de Vader, niemand leeft zonder God, niemand sterft zonder God.

‘Het gaat erom wat voor een mens je bent’, zei die patiënt.
Voor mij hoort daar dat oervertrouwen bij dat mijn leven op de één of andere manier wordt omvat, wordt gedragen door God.
Maar dit is wel een geloof, een vertrouwen dat onderweg in ons leven bevochten moet worden op een soms verschrikkelijke werkelijkheid, ook die welke mensen elkaar aandoen, een werkelijkheid waarin alle taal je ontvalt, omdat het lijden je sprakeloos maakt.

Ik moet denken aan een Chinees gezegde en daarmee eindig ik:

‘Je kunt niet voorkomen dat de vogels van verdriet komen overvliegen, maar je kunt wel voorkomen dat ze nesten in je haar maken’.

Zij komen overvliegen, die vogels van verdriet, in elk mensenleven.
Maar laten zij zich niet definitief nestelen in je bestaan,
laten zij de ruimte van je ziel niet volledig bezetten.
Laat het verdriet je niet totaal beheersen.
Vertrouw erop dat God daar verborgen bij is.
Dat het verdriet niet het laatste is.
Dat ziekte niet het laatste is.
Hier ligt voor mij ook een kern van mijn werk in het ziekenhuis: het vertrouwen, het geloof dat mensen nooit totaal samenvallen met hun ziekte, met wat hun is overkomen.

Vertrouw erop dat God er verborgen bij is.
Dat het verdriet niet het laatste is.
Dat ziekte niet het laatste is.
Ja, zelfs dat de dood niet het einde is.
Want niemand valt, of hij valt in uw handen, dicht Huub Oosterhuis ergens.
Niemand leeft want zij leeft naar U toe.
Want U bent groter dan ons hart, God, en ons zo onzegbaar nabij dat alle haren op ons hoofd zijn geteld.
Amen.

Ruud Mulder, geestelijk verzorger Tergooi, verbonden aan de VGH.