Overweging 20 september 2015

Vrede verbindt

Vrede verbindtEr zijn van die emoties waarvan je schrikt als je die bij jezelf opmerkt. Ze maken je bewust van je eigen schaduwkanten. Ik noem vandaag deze: agressie en wraak. Dat zijn geen mooie gevoelens, want ze zijn destructief, afbrekend en leiden niet tot iets goeds. Je kan ze ontkennen, ‘nee, zo ben ik niet. Daar ben ik te opgevoed voor’. Maar niet altijd lukt het om ze binnen te houden. Dan moet de agressie eruit. Dat lucht op. Maar meestal slechts kort.  Want agressie heeft bijna altijd consequenties en het geeft ellende. In het klein heb je dan ruzie, in het groot heb je dan oorlog. Vanwege de consequenties onderdrukken we vaak de boosheid en woede liever.  Je ergert je aan je partner of aan je baas, maar slikt de woede toch maar in, je begint er maar niet over om ruzie en problemen te voorkomen. Heel wat mensen zijn meesters in het onderdrukken van heftige emoties. Dat geldt niet alleen voor agressie maar ook voor verdriet. Je kan je storten op je werk of op een sport en ook alcohol of pillen kunnen voor een tijdelijke verlichting zorgen. Binnenhouden van emoties is echter zelden goed. Je houdt het in, raakt verkrampt. Het kan er niet uit. Je keel gaat dichtzitten, het drukt op je maag, of je krijgt hoofdpijn. Iemand die boosheid en agressie niet onder controle heeft, die het er opgezette tijden allemaal uitgooit, die kan zeggen ‘dat is eruit, dat lucht op’, maar ja, die krijgt er andere problemen voor terug. We weten zo langzamerhand dan ook wel dat het goed is om jezelf te kennen, inclusief je duistere kanten, te erkennen dat er in jou net zo goed gevoelens zijn van woede en wraak en daar dan vervolgens goed mee weet om te gaan. Voor jezelf opkomen, maar dat doen op een manier die anderen niet beschadigt en leefbare relaties mogelijk houdt. Zo moet de een leren zijn agressie te beheersen en de ander moet leren beter voor zichzelf op te komen. En ideaal is het natuurlijk als je de kunst verstaat om in vrede met anderen te leven, zonder dat je over je heen laat lopen.

Wat ligt er achter onze destructieve emoties als agressie en wraak? In de basis wil iedere mens zich veilig voelen en geborgen zijn. Een plek, een huis, waar je niet bedreigd wordt, waar niet ingebroken wordt, een plek waar je bent met een partner of een gezin of een gemeenschap die je liefde en troost geven, waar je thuis bent. Wordt dat alles bedreigd, of menen we dat onze veiligheid bedreigd wordt, dan verdedigen we ons, dan slaan we van ons af, dan worden we agressief.  In de samenleving zien we dat terug. Nogal wat mensen voelen zich al jaren bedreigd door de aanwezigheid van mensen die anders zijn, andere gewoontes hebben, die ruimte opeisen. Met de groeiende groep vluchtelingen wordt dat er niet beter op. Je kan je daardoor bedreigd voelen. Een land als Hongarije bouwt letterlijk muren en prikkeldraad langs de grenzen, zodat geen vreemde er meer in kan. Ons kan niets meer gebeuren. Een land waar mensen zich veiliger, gelukkiger en meer geborgen voelen, zoals Duitsland, kan zich opener, minder defensief opstellen. Over die twee uiteenlopende basisemoties geborgenheid en agressie gaat het in psalm 139. Ze liggen dicht bij elkaar, ook in de tekst zelf. Hoe ontroerend mooi en intiem ervaart de dichter de nabijheid van God, die over hem waakt en hem geborgenheid biedt. Maar dan ineens is het ‘O God, sla de bozen dood. Zal ik degenen niet haten die U haten? Ik haat ze zoveel als ik maar haten kan.’  Hoe kan dat, als bijna in één ademtocht?   Er zit in deze mooie psalm als het ware één rotstukje. Bij een huwelijksinzegening of bij een doop wordt vaak gevraagd om deze psalm voor te lezen. Maar, zeggen mensen dan, laat die laatste verzen weg, dat van dat doodslaan van die vijanden en dat haten dat past niet bij een trouwerij of een doop, toch?

In Psalm 139 komt het ontroerende en het ontstellende, het mooie en het lelijke bij elkaar. Ze lijken er allebei bij te horen. Dat geldt voor de hele bijbel. Dat is geen esoterische bundel vol van mooie, schone filosofieën en gedachten, maar is een levensboek dat het complete leven omvat, de liefde en de haat, het schone en het rauwe en wijst ons een weg. In die psalm gaat het in de eerste plaats over het kennen van de mens. Nee, niet dat hier iemand aan het woord is die wanhopig op zoek is naar het kennen van zichzelf. Heel wat mensen in onze verwarde cultuur zijn tegenwoordig op zoek naar wie ze ten diepste zijn en daar proberen ze achter te komen door in therapie te gaan, naar Nepal af te reizen, aan meditatie te doen. Maar nee, de psalmist spreekt hier het diepe vertrouwen uit dat hij gekend wordt. Er is iets, iemand, de Eeuwige, de Ene, de Ander, die hem kent, en wel door en door, tot in zijn nieren. De Eeuwige kent mij, doorgrondt mij, doorziet mij, is vertrouwd met mij. In de eerste zes verzen van de psalm komt alleen het woord kennen al vier keer voor, en daar voegen zich allerlei synoniemen aan toe: doorgronden, doorzien, vertrouwd zijn. En naar die Eeuwige die mij kent, hoef ik niet wanhopig op zoek, aldus de psalmist: Hij is er altijd en overal, in de hemel en in het dodenrijk, van oost tot west, in het duister en in het licht. En waarom kent die Eeuwige mij zo goed? Omdat Hij erbij was toen ik gevormd werd, ja, Hijzelf heeft mij gevormd, gemaakt, gevlochten en geweven. De Eeuwige kent mij door en door, van binnenuit. Hij is intiem met mij verbonden, meer dan wat ook. En daarom ga ik Hem ook ter harte. Hij laat mij niet los. Hij laat mij niet vallen. Prachtig. Woorden van vertrouwen, van troost. Ik ben nooit alleen, God is erbij, steeds, bij mij, in leven en sterven, in voor- en in tegenspoed. Mooi. Punt. Had het daar bij gelaten.

Maar dan breekt bijna letterlijk de hel los. Er wordt ineens een haat gezaaid… ‘God, breng de zondaars om, … zou ik niet haten wie u haten, Heer, ik haat hen, zo fel als ik haten kan’. Het zijn verzen, die je zo zou kunnen gebruiken in een bijbelversie van Wilders’ film Fitna. Wij krijgen deze regels – denk ik, hoop ik – niet meer door de keel en niet meer over de lippen. Maar je weet het niet. En ondertussen staan ze in de Bijbel, voor velen het Woord van God! De schrijver van de psalm, ontegenzeggelijk een vroom en godvruchtig mens, toont hier zijn duistere kanten, zijn oncontroleerbare emoties. Deze psalm laat dat zo genadeloos zien. Van een mystieke godservaring naar een redeloze haat-daad is niet zo’n grote stap.

‘Ik weet niet wat in mij is’, zegt Huub Oosterhuis in zijn nieuwe, vrije vertaling van psalm 139, ‘hoeveel, hoe weinig’. Maar jij, vraagt hij aan de Eeuwige: ‘weet je mij beter dan ik?’ Ik ken eigenlijk geen mooier commentaar op psalm 139 dan de vrije vertaling ervan die Huub Oosterhuis in de bundel Halverwege heeft gepubliceerd. Zijn dochter Trijntje zingt die ook, zonder overigens erbij te zeggen dat het om een psalm gaat. Bij haar kan die jij God zijn maar ook een mens.

Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Ben jij de enige voor wiens ogen
Niet is verborgen van mijn naaktheid
Kan jij het hebben,
Als niemand anders,
Dat ik geen licht geef, niet warm ben,
Dat ik niet mooi ben.

Wraak. Wie voelt niet de behoefte aan genoegdoening als een ander je opzettelijk leed heeft toegebracht? De rechtspraak is er op gebaseerd. Niet wijzelf, maar de rechter mag de zaak rechttrekken door de dader tegenleed toe te doen komen, door b.v. een gevangenisstraf of een boete. Om echte wraak wordt geroepen als een gruwelijke moord of aanslag is gepleegd. De wraak is dan al gauw even moordzuchtig en gewelddadig. Er is ook een verfijndere manier van wraak, van genoegdoening denkbaar. En dat is de zoete wraak. Je krijgt genoegdoening  zonder dat je verbitterd blijft, en zonder dat het slachtoffer van jouw wraak vernietigd wordt. Wie zouden in een nog niet zo lang verleden recht gehad hebben op wraak? De overlevers van de vernietigingskampen, de Joden van wie het de bedoeling was dat ze uitgeroeid en niet meer aanwezig zouden zijn?
Abel Herzberg heeft over de zoete wraak prachtig geschreven in zijn boek: Brieven aan mijn kleinzoon:
Op een mooie zaterdagmiddag in augustus 1945 zaten wij op een terras van een villa van een joodse familie. De villa was in de oorlog als joods bezit in handen van een bekend NSB-er overgegaan, die daar ook gewoond had, maar nu in een kamp gevangen zat. Zijn vrouw was ziek en de dokter had haar het eten van groene pruimen aanbevolen. Daar zij wist, dat deze in de boomgaard van de joodse familie groeiden en rijp moesten zijn, zond zij een meisje met het verzoek haar een mandje van de pruimen mee te geven. Zoiets heet een chotspe (brutaliteit). De verontwaardiging erover was dan ook algemeen. Het meisje werd weggestuurd. Maar mijn vader – zegt Herzberg – zou hebben gezegd: ‘Stel je eens voor, dat we in de bittere uren van de oorlog erover waren gaan fantaseren hoe we ons na de bevrijding zouden gaan wreken. De een had een bijltjesdag voorgesteld en de ander een andere, nog wredere wraak. Maar het meest succes zou iemand hebben gehad, die precies dat had voorgesteld wat we thans meemaken. Het is vrede. Wij zitten tezamen in de zon, de vijand zit achter slot en grendel, zijn vrouw is ziek en komt bij ons aankloppen om hulp. Waarom geven we die niet? Waarom wreken we ons niet? Geef de beste pruimen, die je vinden kunt.” En wie weet of mijn vader niet gelijk zou hebben gehad? Want de wraak moet zoet zijn en niet bitter.’

Amen.

ds. Peter Korver