Home » Overweging 2 november 2014

Overweging 2 november 2014

Gedenken van de overledenen – De Kapel 2 november 2014

Beste mensen,

Maansopgang FriedrichIn de maand november gedenken in de westerse cultuur de levenden overal hun doden. In de katholieke landen worden op de avond van 1 november lichtjes op de graven van geliefden gezet. De volgende dag, 2 november, ga je met elkaar bloemen op hun graven leggen. ‘Allerzielen’ noemen ze die dag en die dag bestaat al sinds monniken in Cluny hem al in de elfde eeuw hadden uitgevonden.

In de protestantse landen was er zoiets niet. Na de uitvaartdienst droegen mensen het verlies met stil verdriet. Het moest vanzelf slijten. Met je partner, een goede vriend, ja, daar kan je nog wel eens terugkomen op die ander die er niet meer is, maar het openlijk en publiekelijk weer hebben over die persoon, dat is een beetje genant. Het leven gaat door.

Maar de relatie met iemand met wie je deelde in vreugde en verdriet, met wie je verbonden was, die een deel van je leven was, die relatie sla je niet zomaar dicht als een boek dat je uitgelezen hebt. Je hebt er niet voor gekozen dat die relatie eindigde. Het boek was niet uit. De dood was de spelbreker, een indringer in wat er tussen jullie was, een ongenode en onwelkome gast.

Waar zijn onze doden? Toch niet in de graven zelf of in de uitgestrooide as? Waar zijn ze gebleven? Eén van de oudste gedichten uit onze Nederlandse taal gaat daarover. Aan het einde van de 14e eeuw schreef een onbekende dichter na de dood van een vriend:

‘Egidius waer bestu bleven’. Het is een elegie of klaaglied. Het gaat over de dood van een vriend, hij heet Egidius. De ik-figuur benijdt Egidius omdat hij in de hemel is opgenomen, terwijl de ‘ik’ op aarde ongelukkig is en lijdt. Hij of zij vraagt Egidius een plaatsje naast zich vrij te houden in de hemel. Egidius, waar ben je gebleven?

Ik verlang naar jou, mijn vriend
Jij smaakte de dood, je liet mij het leven
Dat was gezelschap goed en fijn
Het leek dat wij tegelijk zouden sterven
Nu ben je opgenomen in de hemel
Stralender dan de zonneschijn
Alle vreugde is aan jou gegeven
Egidius, waar ben je gebleven?
Ik verlang naar jou, mijn vriend
Jij smaakte de dood, je liet mij het leven

Het verlies voelt hier aan alsof de overledene jou in de steek heeft gelaten. Hij of zij ging en liet jou alleen achter… Je blijft overigens leven met die ander, ook al leeft die niet meer, tenminste niet in vlees en bloed. Er zullen momenten zijn dat je die ander raadpleegt: Wat zou zij ervan gedacht hebben?

Het geeft anderzijds lucht als op bepaalde momenten de naam van een geliefde weer hardop mag klinken en mensen elkaar de ruimte geven om iemand in herinnering te roepen. Zo blijven verleden en heden verbonden en kan het verleden het heden inspireren.  En zo staan we vandaag stil bij vijf mensen die een jaar geleden er nog waren in onze levens en sindsdien het tijdelijk aardse bestaan hebben verlaten en voortleven in onze herinneringen. En we delen die met elkaar en we weten ons ook rijk met wat ze ons ooit gaven.

Op de omslag van het liturgieboekje ziet u een afbeelding van een schilderij van Caspar David Friedrich. Hij is de grote specialist van de nieuwe, romantische schilderkunst met veel nacht en nevel en veel maneschijn. Op een aantal werken varen er schepen op zee, die ons eraan herinneren dat het leven niet meer is dan een pelgrimsreis. Vaak zijn er toeschouwers, verzonken in meditatie. Hier zien wij drie mensen, twee vrouwen en een man, die op een grote eenzame steen zitten en zwijgend met elkaar over zee kijken naar de opkomende maan. Gaat het hier om een stille beschouwing op wat verdwijnt, niet meer is, een intredende duisternis? Ze zijn maar klein, binnen het decor van een overweldigend zeegezicht. We zien hen op de rug. Zo kijken we vanaf de tweede rang met hen mee naar een maanovergoten zee.

Opmerkelijk zijn twee dingen. Eén: nadat de zon onder is gegaan en het donker is geworden, is er een nieuw licht ingetreden, dat van de maan, niet zo sterk, niet zo helder als dat van de zon, maar voldoende om ons voortaan niet volstrekt in het duister te doen tasten.  Ten tweede: we zien twee zeilschepen. Ze varen niet van ons weg, maar komen juist bij een zwakke wind uit open zee op ons toe. Er is dus niet iets dat uit ons bestaan langzaam verdwijnt, maar juist op ons afkomt. Wat voert het schip met zich mee? Zal dat zichtbaar worden op de dag die volgt op deze avond?

Zo vertelt dit schilderij zonder woorden ons iets over ouder worden, over het verlies van geliefden. Er kan verstilling intreden. Het kan een zwijgend schouwen worden, samen met anderen. Ook al is het donker, er is ook iets dat verlicht. Er komen ook weer nieuwe dingen op ons af.

De kracht van beeldende kunst is dat het in staat is zonder woorden, zonder geredeneer of discussie uit te drukken wat wij voelen. Wat ik als de boodschap voel van Friedrich’s Maanopkomst boven de zee herken ik ook in het bizarre verhaal van de profeet Ezechiël.

Net als het schilderij uit de Romantiek heeft het verhaal van ‘het dal van de dorre doodsbeenderen’ niet direct contact met onze rationaliteit maar met onze subjectieve beleving, het eigen innerlijk en de daar aanwezige emoties. Het is minder realistisch en voldoet meer aan de behoefte de realiteit iets minder scherp waar te nemen en juist de verbeelding, de droom, het vergezicht, te laten spreken.

Op wonderschone wijze wordt een visioen beschreven waarin Ezechiël naar een dal wordt gebracht dat vol ligt met botten van mensen. God geeft de profeet de opdracht om tot de botten te spreken en ze in naam van God tot leven te wekken.
Zodra Ezechiël Gods bevel heeft opgevolgd, hoort hij een ratelend geluid en ziet hij hoe er spieren, vlees en huid om de botten heen groeien. Maar de lichamen leven nog niet. Eerst moet Ezechiël van God de wind roepen, die Gods levensadem in de lichamen blaast, zodat ze daadwerkelijk tot leven komen. Dan staan de lichamen op. Het is een massale groep mensen.

Wat een merkwaardig verhaal… Wat vertelt het aan ons? Zegt het dat er eens een opstanding zal zijn van alle doden? Of had de profeet Ezechiël iets anders voor ogen? Hij die met een belangrijk deel van zijn volk verdreven was en in ballingschap in Babylon woonde, 25 eeuwen geleden. De menselijke overblijfselen in het dal worden door hem in het Hebreeuws harugim genoemd, ‘gedoden’. Het ligt voor de hand om dit beeld van de botten van de gesneuvelden te associëren met alle Judeeërs die gedood werden tijdens de verovering van Juda en Jeruzalem. De tekst duidt aan dat deze doden niet begraven waren, maar verspreid lagen over het dal. Het niet begraven van doden was in de oudheid een eerloze straf. Dit  beeld van de uitgedroogde botten verwijst naar de hardhandige manier waarop de Babyloniërs het volk van Juda van de kaart hebben geveegd en de gruwelijke manier waarop veel Judeeërs aan hun einde zijn gekomen.
De botten stellen het hele «huis van Israël’ voor. De Israëlieten die nog over zijn, drukken hun eigen toestand uit met ditzelfde beeld: We zijn als uitgedroogde, levenloze botten, we hebben geen hoop en geen toekomst meer. Nu mag Ezechiël van God een boodschap van hoop doorgeven aan zijn volksgenoten: God zal hen bevrijden uit de ballingschap en hen terugbrengen naar hun eigen land.

Het verhaal over het dal vol uitgedroogde botten is niet alleen beroemd geworden vanwege het indrukwekkende beeld en de prachtige manier waarop dat beschreven wordt, maar vooral omdat het vaak is opgevat als een bewijstekst voor de opstanding van de doden. De levendige beschrijving van graven die worden geopend en doden die worden opgewekt, werd gezien als een profetie over de algemene wederopstanding van de doden aan het einde van de tijd.
Maar het is onwaarschijnlijk dat de auteur van het boek Ezechiël het hier om te doen was.  Het gaat hem om een figuurlijke wederopstanding van Israël. Het valt te begrijpen dat eeuwen later gelovige mensen andere associaties bij dit verhaal hadden en er een soort bewijs in zagen dat aan het einde der tijden God alle mensen uit hun graven zal laten verrijzen. Die wens, dat de dood niet het einde zal zijn en dat je mag opstaan in een nieuw leven, is van alle tijden. Maar werd even hard ook betwijfeld. God vraagt daar aan Ezechiël: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ezechiël geeft als antwoord: «HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ Met dat antwoord sluit Ezechiël de mogelijkheid van een wederopstanding niet uit (voor God is immers niets onmogelijk), maar hij ziet het ook niet als een vanzelfsprekendheid. Hij legt dit in Gods handen.

Dit eeuwenoude verhaal van Ezechiël gaat over een heel andere context van mensen van duizenden jaren terug. Staat het dan ook ver af van u en van mij? Het schilderij van Friedrich is twee eeuwen oud en je weet niet wat toen de kunstenaar inspireerde. Toch haken ze met hun ervaringen met het leven aan die van ons. Ook zij hadden te maken met verlies en met dood, zij vertaalden hun gevoelens in een beeld van een dal van dorre doodsbeenderen, of in een beeld van nacht en nevel. Maar in beide komen ook elementen van veerkracht naar voren. Welke klappen je ook krijgt, hoe te neer geslagen ook, je komt er ook weer bovenop. Je komt weer tot leven. Je wordt weer bij elkaar geraapt en er wordt je nieuw leven, nieuwe spirit ingeblazen. In de donkere nacht gaat een nieuw, nog bleek maanlicht op en niet alles verdwijnt in de nacht, maar er komt ook weer nieuws op je af!  Het leven in jou wil het winnen van de krachten van de dood. We kunnen elkaar daarbij steunen en stimuleren. Met elkaar kunnen mensen al die krachten die ons de levenslust willen ontnemen aan. We dragen elkaar door de nacht en door de dalen van dorheid omdat nieuw licht op ons wacht. Daarbij helpen de overledenen ons, met al die herinneringen, al die liefde en al dat vertrouwen dat ze ons schonken.

Peter Korver