Overweging 1e advent

AankondigingVandaag begint de Advent. Het woord ‘advent’ is afgeleid van het Latijn: het werkwoord advenire betekent naartoe komen. Letterlijk betekent Advent: God komt naar ons toe. In de geboorte van Jezus is de Allerhoogste onder ons komen wonen. De Advent heeft in de liturgie een dubbel karakter: Het is in de eerste plaats de voorbereidingstijd op het Kerstfeest, de geboorte van Jezus Christus ruim 2000 jaar geleden, die – in de woorden van de Remonstrantse belijdenis van 2006, een van Geest vervulde mens is, het gelaat van God dat ons aanziet en verontrust. In Jezus worden wij gezien door God en tegelijk maakt hij ons rustig, omdat hij appelleert, ons aanspreekt op onze verantwoordelijkheid voor een samenleving waar vrede en recht heerst. Zijn komen in de wereld vieren we elk jaar. In de christelijke traditie wordt bovendien in de advent stil gestaan bij zijn wederkomst op het einde der tijden. Het is de voorstelling uit het boek Openbaringen dat hij dan terugkeert op de wolken van de hemel en dat dan een hemels koninkrijk zichtbaar wordt op deze aarde. God zal dan zijn alles in allen.

We worden in de komende weken dus eraan herinnerd dat God ons niet alleen laat en onder ons wil verkeren. En ook dat het uiteindelijk goed komt met de mens. Dan is niet alleen Jezus van Gods Geest vervuld, maar wij allemaal. Het is een verhaal en een visioen van hoop en verwachting.

U treft in het liturgieboekje een adventsgedicht aan van Mieke de Jong. Haar gedichten zijn traditioneel van vorm, helder van taal en herkenbaar van inhoud. Voor haar is advent samen te vatten in drie werkwoorden: wachten, waken en weten.

Wachten op ‘t komen van het Kind. Wachten is iets dat steeds moeilijker is geworden voor mensen van nu. We leven sneller, we hebben het drukker, we hebben haast. Wachten betekent dat je tijd verliest, tijd die je nuttig had kunnen invullen. Wie irriteert zich soms niet als hij een bedrijf belt en na door een menu te zijn geloodst hoort: Al onze medewerkers zijn nog in gesprek. Wij vragen uw geduld. Wachten heeft te maken met geduld. Ook bij belangrijker zaken als zo’n telefoongesprek of bij een stoplicht moet je wachten en geduld hebben. Als je ziek bent bijvoorbeeld, als je rouwt. Het heeft zijn tijd nodig, weten we. Mieke de Jong zegt: je moet door lange, diepe nachten, alleen met je gedachten en ‘t suizen van de wind. Het beslissende in het leven laat zich niet maken. We moeten wachten. Afwachten. We kunnen het niet plannen of met de klok in de hand vaststellen: dan gebeurt het. Zo is het ook met God en de manier waarop Hij zich in ons leven laat ontmoeten. Als we de moed hebben terug te kijken in ons leven en eerlijk zijn, dan blijkt dat die dingen en mensen die in ons leven beslissend waren ons zijn overkomen en we die niet hebben kunnen plannen. Zo ook de momenten waarop we iets hebben ervaren van God. Ook die konden we niet plannen of van te voren organiseren. Meestal wordt dat pas achteraf duidelijk dat God iets in ons leven heeft gedaan.

Advent betekent: waken tot ‘t komen van het Kind.

De tweede strofe voegt aan het wachten het waken toe. Wachten kan iets heel passiefs hebben: lijdzaam afwachten of er nog iets gebeurt. Dit waken wil van ons passieve wachten een actief wachten maken. Zoals gezegd: de beslissende dingen in ons leven overkomen ons en laten zich niet organiseren. Maar dat wil nog niet zeggen dat we geen kansen kunnen missen door niet alert te zijn. Vriendschappen bijvoorbeeld overkomen ons in ons leven, maar als we er niet voor waken kunnen ze voorbijgaan en tot het verleden behoren. Het is ermee, als met het Koninkrijk van God: we kunnen het niet zelf maken, daarvoor is het immers Gods en niet ons Koninkrijk. Toch is dat maar één zijde van de medaille. De andere kant ervan is dat we door ons doen en laten de komst van die andere wereld van vrede en recht kunnen vertragen en dwars zitten. Het wachten dat hoort bij de Advent is ook steeds een waken, een actief wachten om ons de mogelijkheden die er zijn niet te laten ontglippen, maar ze te benutten.

Advent betekent: weten van ‘t komen van het Kind.

De derde strofe. Deze voegt aan het wachten en het waken van de vorige twee het weten toe. Dat is verrassend. Hoezo weten? Soms is wachten en waken niet alleen maar een hopen op dat er iets gaat gebeuren, maar heb je een innerlijk weten dat het ook gaat komen. Weten dat het goed komt, het volste vertrouwen hebben. In het geval van advent lijkt dat ook niet zo moeilijk. De komst van Christus verwachten, terwijl het meer een terugdenken aan is, want hij is ruim 2000 jaar geleden gekomen en elk jaar doen we weer net alsof hij nog moet komen. Of is het toch anders? Moet hij ieder jaar weer de kans krijgen in ons geboren te worden? Moeten wij steeds weer opnieuw open staan voor het onverwachte en weten dat het gaat gebeuren omdat ik ervoor open sta dat God op mij toe wil komen?

Beate Heinen heeft dat weten uit te drukken in haar schilderij met een moderne versie van de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria.

Een jonge vrouw. Met schort voor en een hoofddoek om. De mouwen opgestroopt en de dweil in haar hand. Geknield op de vloer, met de emmer naast zich, om haar eenvoudige werk te kunnen doen. Zoals op alle dagen. Maar dan. Wordt er op de deur geklopt? Zachtjes wordt de klink naar beneden gedrukt. Langzaam opent de deur zich, een klein beetje maar. Een straal goud licht valt op de nog niet schone vloer. Wonderlijke woorden vullen ineens de ruimte. De jonge vrouw is een en al oor en oog. Zij onderbreekt haar werk, kijkt verwachtingsvol om hoog en hoort: Wees gegroet, jij begenadigde. Begenadigd? Daar steekt het woord genade in. Jou valt iets toe waar je niet om gevraagd of gebeden hebt, dat je niet verdiend hebt, dat er zomaar voor je mag zijn.  De donkere deur verspert de blik op de onverwachte gast. Maar op het schilderij of is het in het raam, zien we de duif, die aangeeft vanwaar de gast komt en waarheen hij wil. We zien een stronk waaraan een nieuwe twijg ontspruit. Dat verwijst naar het profetenwoord van Jesaja, toegepast op Jezus, die afstamt van koning David en diens vader Isaï. “Een twijg ontspruit aan de stronk van Isaï, een telg ontbloeit aan zijn wortels.”

De stem zegt dat hijzelf, de Almachtige wil komen en zijn woning wil maken bij de mensen. Hij zoekt een woning. De Eeuwige zal komen als een kind, een naakt, kwetsbaar en behoeftig kind. En de jonge vrouw met de schoonmaakspullen, die Begenadigde genoemd wordt, zit rechtop, rustig en zegt verwachtingsvol: Ja!  Ja, kom dichterbij, kom maar in mijn leven van alledag. Ja, ik verwacht u.

Ik wacht, ik ben vanaf nu waakzaam en weet van een groot geheim. Mijn leven staat vanaf nu in een bepaald licht, een perspectief. Laat maar komen, God heeft grootse plannen waar ik een rol in mag spelen.

Wat kan het verhaal van Lucas en het schilderij van Beate Heinen bij ons oproepen? Laten wij ons storen in de drukte van ons dagelijks leven? Hebben wij oog en oor als er bij ons wordt aangeklopt? Voor een straal van gouden licht dat bij ons binnen wil vallen, voor de komst van Gods aanwezigheid?

Advent vraagt aan mij en aan u: mag ik je storen? Leg even je werk neer en stel je even open voor dat andere licht dat jou en de hele wereld verlicht. Het licht van Christus. Wacht, waak en heb weet daarvan. Amen.

Peter Korver