Overweging 1e advent 2015

Advent 2015 – Bereid een weg in de woestijn

Op de eerste zondag van de advent klinken klassiek de woorden van de profeet Jesaja: Troost, troost mijn volk. Het is genoeg geweest allemaal, de ellende is nu over. Het komt weer goed. Dat haakt aan onze eigen ervaringen en aan de hoop die we zelf goed kunnen gebruiken. Nu we in de greep zijn van het vroege donker, van storm en regen en kou is de combinatie met onrustig makend nieuws, nieuws dat bang maakt, aanleiding om ergens, bij anderen, hier in de kerk, licht en warmte te zoeken en woorden te horen van troost. We hebben een eerste adventskaars aangestoken en die zegt tegen ons. Ik ben het begin van een ommekeer. Ik ben een eerste vlammetje, een eerste aankondiging van het grote licht dat zal komen. Er komt meer licht, met de tweede zondag van de advent een tweede kaars en er komt een derde en een vierde totdat het kerstmis is. Dan vieren we het grote licht dat de duisternis zal verdrijven. Warm je aan mij, ik ben vandaag een beginnetje. Dat doen we dan ook. We hebben onze belangrijkste zorgen en angsten in het licht gezet. De oorlog en het geweld dat zo dichtbij is gekomen, in Parijs, in Brussel. De nood van vluchtelingen die ook nu, in november,  door de kou en de nattigheid met al hun bezittingen in een rugtas of een plastic zak door Europa trekken. En dan zijn er de zorgen die ieder van ons met zich meedraagt. Vaak in stilte, in het eigen hart. Soms zijn ze niet op te lossen en moet je ze een plek geven. Maar laat dat alles niet alleen in het teken van het duister blijven, laat een zacht licht over ze stralen.

Troost, troost mijn volk. De troostwoorden van Jesaja zijn oorspronkelijk niet voor ons uitgesproken. De context was een andere, een van ruim 25 eeuwen geleden. Toch mogen ze ook tegen ons spreken. Jesaja heeft 39 hoofdstukken gefulmineerd tegen het volk van Israël. Ze zijn immers ontrouw en ongehoorzaam geweest aan de regels voor het goede leven die God hen geschonken heeft. Daardoor hebben ze het onheil over zich afgeroepen. Alles wat hen dierbaar is, hun land, hun tempel, hun vrijheid, recht en vrede, hun cultuur en geloof hebben ze op het spel gezet. Alle waarschuwingen hebben ze in de wind geslagen. De profeet heeft voorzien waar dat op uit moest lopen. Dat vreemden, de Babyloniërs, zich meester zouden maken van het land en de bovenlaag van de bevolking zouden wegvoeren, ver van huis, in een vreemd land, waar ze gedoemd zouden zijn op te gaan in een vreemde cultuur.  De onheilsprofeet, want dat is Jesaja, heeft gelijk gekregen. In een bekende psalm wordt daarover gezongen: We zaten neer bij de rivieren van Babel en we weenden, want we moesten denken aan Jeruzalem. We maakten geen muziek meer, we hingen onze harpen aan een boom, onze lieren in de wilgen. In mijn jonge jaren dansten we op een discohit van Boney M die de psalmtekst als uitgangspunt had genomen: By the rivers of Babylon where we sat down, Yeah, we wept when we remembered Zion.

Het lot dat hen getroffen heeft, wordt ervaren als een gerechtvaardigde straf. Hadden we maar niet… dan zouden we nu niet…  De profeet ziet wat er gebeurd is als een logisch gevolg van het gedrag daarvoor. Maar is dat ook zo? Zou een minivolkje als dat van Israël een grootmacht als dat van de Babyloniërs dat over het hele Midden-Oosten rolde, kunnen weerstaan als ze anders geleefd hadden? Zouden ze dat zelf geloofd hebben?  Soms is het aantrekkelijk te geloven dat je onheil over jezelf hebt afgeroepen. Je hebt dan in ieder geval een aannemelijk antwoord op het grote waarom. Daar is beter mee te leven dan met de absolute zinloosheid van verschrikkingen die je zomaar overkomen, zonder aanwijsbare oorzaak. Als je kan geloven dat het een verdiende straf is, dan blijft het leven begrijpelijk en redelijk.

Zoals we hier vanmorgen bij elkaar zijn, hebben we weet van de grote problemen waar de Europa en Nederland mee te kampen heeft. De terroristische aanslagen, de vluchtelingenstromen. Daarbij wordt het nieuws nog eens gelardeerd met onheilsberichten over de opwarming van de aarde. Morgen begint in Parijs een belangrijke klimaatconferentie die een aanzet moet geven om een keer te brengen in die ontwikkeling. In ons land is er alweer een politieke ruzie of het wel of geen zin heeft dat wij alle kolengestookte energiecentrales sluiten.  Bij al deze problemen speelt ook de vraag: is het onze eigen schuld en worden we nu gestraft? Nee, u en ik hebben geen aanslag gepleegd en niemand verjaagd uit zijn land. Nee, u en ik scheiden keurig ons afval, letten erop dat we een beetje milieubewust leven. En ja, we zijn ook deel van die grote ontwikkelingen. Als consumenten binnen die grote westerse cultuur  hebben we met zijn allen bijgedragen aan de vervuiling en opwarming. En ja, met het ingrijpen van het westen in Irak en Afghanistan en Syrië, is er iets op gang gekomen wat als een boemerang bij ons terugkeert. Maar wie valt dat te verwijten? Is er een collectieve schuld? Had ik dat als piepklein onderdeeltje van het geheel dat kunnen voorkomen? Nee toch?

Nu zijn dit geen helpende gedachten. Roepen van ‘eigen schuld, dit krijg je er nou van’ helpt niemand. Het is goed als er profeten opstaan die ons voorhouden: als je zo doorgaat, dan kan de consequentie wel eens zijn dat er dit en dat gaat gebeuren. Maar gebeurt dat dan ook, dan mogen we God dankbaar zijn als er mensen opstaan die mild zijn, die ons onze fouten en zwakheden niet nadragen, maar helpen zoeken naar nieuwe wegen en een optimisme hebben die ons optilt. Voor mij is dat een president Obama die dwars tegen alle populistische tendensen in zijn land in ongemakkelijke thema’s aan de orde stelt en met oplossingen komt. Het is ook een Karen Armstrong met haar pleidooi voor compassie als centraal religieus vertrekpunt. Het is een Angela Merkel die tegen alle angsten en boosheid van haar kiezers in leiderschap vertoont door te zeggen: we blijven de menselijkheid hoog houden, we helpen vluchtelingen, wir schaffen es doch.

We horen Jesaja bij alle onheil zeggen: God zegt: ga mijn volk troosten. Zeg dat ze de moed niet mogen opgeven. Ze zijn nu genoeg gestraft voor hun fouten. Het is als met een kind dat verkeerde dingen heeft gedaan en die jij als opvoeder, als ouder, terecht moet wijzen en ook moet straffen. Als dat gebeurd is, dan is het ook klaar. Je blijft het niet nadragen, je maakt een nieuw begin en je laat merken dat wat er ook gebeurd is, je blijft houden van het kind. Je liefde is onvoorwaardelijk.  Jesaja verwoordt het gevoel van het volk dat het nu genoeg gestraft is voor God. Ze mogen weer verder, moeten weer verder. Zat het kanaal tussen hen en God dicht, omdat ze niet deden wat goed en rechtvaardig is, nu mag klinken ‘maak in de dorheid van ons bestaan een weg vrij voor de Eeuwige, dat Hij ons bereiken kan en wij ons niet langer van hem weghouden. In het verkeer tussen ons en onze Schepper zijn vele hobbels en obstakels. Laten we die wegnemen. Laat Hem toe tot ons leven.

Het is een lastig ding, dat toelaten van God. Ook IS vraagt, eist, dwingt dat dat gebeurt. Wat dat oplevert is alleen haat, verwoesting, wreedheid, moord, verdriet en trauma’s. Het is niet onbegrijpelijk als mensen zeggen dat godsdienst alleen maar onverdraagzaamheid en ellende brengen. Na de aanslag in januari in Parijs waarbij de redactie van het satirische tijdschrift Charlie Hebdo werd vermoord, identificeerden mensen zich daarmee en zeiden Je suis Charlie. Nu, na de aanslagen van veertien dagen geleden, lopen mensen rond in een t-short met het opschrift Je suis athé (ik ben atheïst). Ja, als het gaat om wel of niet die God van dood en verderf, dan horen we hopelijk graag bij de ongelovigen. Die God wijzen we met afgrijzen af. Je kan je haat en geweld tot je god of je afgod maken.

We horen op de 1e adventszondag ook een andere gelovige. Maria, de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Mirjam, juicht voor haar God, die machtige dingen doet. Ze spreekt uit dat God oog heeft voor de mensen met het minste aanzien, die barmhartig is, verjaagt trotse mensen, ontneemt degenen die de baas spelen hun macht, geeft veel aan de armen. Hier klinkt het ideaal door van die andere wereld, waar eens rechtgetrokken wordt wat nu krom is, waar ieder mens telt, waar ieder krijgt wat hij nodig heeft, waar rijken en machtigen niet langer kans krijgen te onderdrukken, waar mededogen is. Dat is Gods andere wereld.

Het is een jonge vrouw die zal gaan trouwen, die een grote rol krijgt op een schakelmoment in de geschiedenis. Geen bekende Nederlander, geen machtig politicus, geen vermogend iemand, geen charismatisch persoon, geen aandachttrekker, maar gewoon, een meisje. Van gewone mensen moet het komen. Zij staan vaak het dichtste, het meest natuurlijk bij het geheim van het leven. God maakt zich bekend via de levens van gewone mensen. De boodschapper, een engel, zegt het met woorden die de katholieken met hun wees gegroet hebben vertaald als: wees gegroet Maria, vol van genade, de heer is met u, en gezegend is Jezus de vrucht van uw schoot. Dat is een hertaling die protestanten ook wel voor hun rekening kunnen nemen. Met het vervolg van dat gebed niet: heilige Maria, moeder van God. Wie is heilig dan God alleen? Wordt het meisje niet gemaakt tot een moeder-godin? Ook de verdere uitwerking ‘bid voor ons zondaars’ is een moeilijke. Dat het meisje van toen nu in de hemel voor ons ten beste kan pleiten bij God, door daar voor ons te bidden dat onze fouten ons niet aangerekend zullen worden.

Die verbinding tussen de God die wij hoog houden, die van liefde, vrede, rechtvaardigheid, die zullen wij zelf moeten zoeken. De weg naar dat wat ons begrip en ons spreken te boven gaat,  moeten wij zelf banen, dwars door de woestijn, de dorheid van het bestaan. Maar dat hoeft niet ieder in zijn eentje te doen. Daarvoor hebben we elkaar, de geloofsgemeenschap, daarvoor hebben we andere medemensen, mensen die zeggen atheïst te zijn bijvoorbeeld, maar ondertussen voor wie dat wil zien  zichtbaar maken dat God misschien niet bestaat, maar wel gebeurt tussen mensen. Waarmee ik deze overweging mooi vrijzinnig afsluit.

Amen

ds. Peter Korver