Overweging 18 augustus

Ik ben dankbaar – Het tiende gebod 

Psalm 16  (Groot Nieuws Bijbel 1996)

1 Een lied uit de bundel van David.
Bescherm mij, God,
bij u ben ik veilig.
2 Ik zei tegen u:
‘U bent mijn God;
niemand gaat boven u.’
3 In dit land worden vele afgoden vereerd;
ook ik had voor hen gekozen.
4 Maar wie achter andere goden aan loopt,
stort zich in ellende.
Ik zal die afgoden geen offers meer brengen,
ik zal hen niet vereren,
hen niet te hulp roepen.
5 U, God, bent al wat ik heb,
mijn leven ligt geheel in uw handen.
6 Ik ben tevreden met mijn lot,
gelukkig met wat u mij hebt gegeven.

7 Ik bewijs eer aan de Eeuwige,
want hij heeft mij goede raad gegeven;
zelfs ’s nachts zijn mijn gedachten bij hem.
8 Ik houd de Heer altijd voor ogen;
hij is aan mijn zijde,
mij zal niets overkomen.
9 Daarom verheug ik mij
en juich ik,
ik voel me helemaal veilig.
10 U ben ik toegedaan,
u levert me niet over aan het dodenrijk,
u houdt mij weg van het graf.
11 U wijst mij de weg naar het leven;
in uw aanwezigheid ben ik blij,
in uw nabijheid ben ik gelukkig,
voor altijd.

Deuteronomium 5
Mozes riep het hele volk van Israël bijeen en sprak het als volgt toe:

Luister, Israël, naar de wetten en de regels die ik u vandaag bekendmaak. Maak ze u eigen en leef ze strikt na. 2 De Eeuwige, onze God, heeft bij de Horeb een verbond met ons gesloten. 3 Niet met onze voorouders heeft hij dit verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier nu levend en wel bij elkaar zijn. 4 De Eeuwige heeft zich daar vanuit het vuur rechtstreeks tot u gericht. 5 Ik stond toen tussen hem en u in om zijn woorden aan u door te geven, want u was bang voor het vuur en durfde de berg niet op. Dit zei de Eeuwige:
6 ‘Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.
7 Vereer naast mij geen andere goden.
8 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. 9 Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Eeuwige, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 10 maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
11 Misbruik de naam van de Eeuwige, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.
12 Neem de sabbat in acht, zoals de Eeuwige, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. 13 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 14 maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de Eeuwige, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u.
15 Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de Eeuwige, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft hij u opgedragen de sabbat te houden.
16 Toon eerbied voor uw vader en uw moeder, zoals de Eeuwige, uw God, u heeft geboden. Dan wordt u gezegend met een lang leven en met voorspoed in het land dat de Eeuwige, uw God, u geven zal.
17 Pleeg geen moord.
18 Pleeg geen overspel.
19 Steel niet.
20 Leg over een ander geen vals getuigenis af.
21 Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’

PREEK  (1718 woorden)

Gemeente,

Misschien kent u het volgende verhaal wel, in één of andere vorm:

Op een avond vertelt een oude wijze indiaan die naast zijn kleinzoon aan het kampvuur zit over de interne strijd die soms plaatsvindt in mensen.

Hij zegt: “We hebben twee wolven in ons die met elkaar strijden. De ene is een zwarte wolf. Deze is boos, is jaloers, hij kwetst, is arrogant, is op zichzelf gericht, hij liegt, is superieur, is autoritair, geeft kritiek op anderen, is hebzuchtig, hij manipuleert, hij misleidt, heeft een groot ego maar is in zijn kern onzeker en angstig.

De andere is een witte wolf. Deze is fundamenteel goed, hij bewaakt de vrede, hij geeft om anderen, hij is liefdevol, hij respecteert anderen, hij gunt anderen, hij is vriendelijk en is in zijn kern zelfzeker en vol vertrouwen.”

De kleinzoon denkt een minuut na over dat wat zijn wijze grootvader hem net vertelde en vraagt: “Welke wolf wint de strijd?”. De oude indiaan antwoordt: “Diegene die je iedere dag voedt!”.

Het is een wijs verhaal en het spreekt veel mensen aan. De gedachte dat je in je leven steeds weer twee kanten opgetrokken wordt. Bijvoorbeeld, geef je toe aan de neiging om te over te geven aan je boosheid en verbitterdheid of aan de neiging negatieve ervaringen achter je te laten en een nieuwe start te maken. Of: volg je je blinde, primaire lust naar bezit, sex, drank of volg je een evenzeer gevoelde wens bij te dragen aan het geluk van anderen, aan een wereld die leefbaarder wordt voor alles en iedereen die erop woont?

De Duitse filosoof, dichter Goethe liet het Faust al zeggen:

In mijn borst wonen, ach, twee zielen,
De ene wil zich van de andere scheiden.
De ene hecht zich gretig aan de lust en
Aan de zinnelijkheid van deze aarde.
De ander tilt zich moeizaam uit het stof,
Op zoek naar meer verheven waarden.

Faust is een hoogtepunt in de Europese literatuur. Het verhaal van de twee wolven is een hit op het internet. Ik vond het op sites van coaches en therapeuten, op een site van evangelicalen, en in een lesbrief voor de basisschool. Er zijn posters van gemaakt, er is een versie in stripvorm.  Ook kwam ik het tegen in een boekje met wijze verhalen voor moslims. Maar het is in ieder geval geen indiaans verhaal. De oudste gedrukte versie van het verhaal over de twee wolven staat in een boek van de Amerikaanse evangelist Billy Graham uit 1978 en dan gaat het niet om een indiaan maar om een Eskimo. De wijze Cherokee is na 1978 toegevoegd om het verhaal van Graham nog diepzinniger te laten klinken. Want Indianen staan in onze tijd synoniem voor wijsheid, mensen die in harmonie leven met de natuur.

Maar dit terzijde. Het gaat bij de indiaan en bij Faust om het drama van de tweestrijd die er voortdurend in ieder van ons is, als gevolg van ons mens-zijn. Wij zijn mensen en kunnen dus kiezen. Een dier niet, dat volgt zijn instinct en dat is uitsluitend gericht op voortbestaan, voortplanting, eigen voordeel, directe bevrediging van verlangens. Een mens kent die drijfveren ook, maar kan eveneens luisteren naar een andere stem die oproept dat eigenbelang even te parkeren om dienstbaar te zijn aan het belang van een ander of een hoger belang. Welk van die twee innerlijke stemmen maak je sterker, voed je?

Het verhaal confronteert ons met het feit dat wij steeds moeten kiezen tussen goed en kwaad, liefde en haat, naastenliefde en zelfzuchtigheid. En ook dat we geen speelbal zijn van machten die buiten ons liggen. We kunnen zelf voeding geven aan het één dan wel het ander. Wat wil ik aandacht geven in mijn leven? Sta ik bij voortduring stil bij wat mij aangedaan is, wat er niet goed ging in mijn leven, bij de ziekte die mij heeft getroffen, bij het verlies dat ik heb geleden? Hoe langer ik daar mee bezig ben, hoe zwaarder de problemen worden en ze de kans krijgen mijn leven nog meer te beheersen. Ze groeien dan buiten proporties en overwoekeren het leven. Het omgekeerde is ook waar. Je kan een ideaal, een nieuw begin, vreugde ook voeden door je best te doen daar steeds meer aandacht aan te geven. Aristoteles zei het al, alles wat je aandacht geeft groeit. Dit in zowel positieve als negatieve zin.

Aan dit alles moest ik denken toen ik mij bezig ging houden met wat we klassiek noemen, het tiende gebod. Dat is eigenlijk niet juist gezegd, want – u weet het – de decaloog zijn geen geboden of verboden, maar tien woorden, wegwijzers die het leven goed maken.

In de versie van het boek Deuteronomium wordt het tiende gebod als volgt omschreven: Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’ Dat ‘zet uw zinnen niet op’ klinkt vriendelijker dan de oude vertaling die generaties heeft voorgehouden: Gij zult niet begeren’….

In de catechismus van Maarten Luther legt hij de betekenis van dit gebod uit: ‘Wij moeten God vrezen en liefhebben, dat wij de vrouw, de huisgenoten of het vee van onze naaste niet weglokken, aan hem onttrekken of hem afhandig maken, maar hen aansporen om te blijven en te doen wat zij behoren te doen’. Als je je zinnen zet op iets wat niet van jou is, als je niet kunt hebben dat het bij die ander is en niet bij jou, dan ben je in gewoon Nederlands jaloers. Je kan het tiende gebod, die tiende regel voor een goed leven, vertalen als : Wees niet jaloers. Vandaag wil ik dat positief proberen te vertalen: wees dankbaar voor wat je hebt. En als dat nog iets te bevoogdend klinkt, zo van: jij moet dankbaar zijn, dan vraag ik aan u: bent u in staat te zeggen: Ik ben dankbaar? Bent u in staat de dankbaarheid voor wat er mooi en goed is in uw leven regelmatig aandacht te geven zodat de dankbaarheid kan groeien?

Wat me opviel: het woord dankbaar of dankbaarheid komt zelf niet eens zo vaak voor in de bijbel. Zou het niet zo belangrijk zijn? Toch wel, want het Griekse woord voor dankbaarheid is nauw verwant aan het Griekse woord voor blijdschap. En van dat woord staat de bijbel vol. Dankbaarheid, danken, blij zijn, je verheugen, blijdschap, zijn in het Grieks allemaal woorden met klanken als charis en chara. Maar, ze zijn meer dan op de klank af verwant. Ze horen ook echt bij elkaar. Maar belangrijker is dit: die verwantschap tussen dankbaarheid en blijdschap zien we om ons heen. Dankbare mensen zijn blije mensen. Dankbare mensen zijn gelukkige mensen. Nog een stapje verder: dankbare mensen zijn mensen die rust hebben. Het tegenovergestelde van gelukkig is niet ongelukkig, maar ontevreden, ondankbaar, onrustig.

 

Het gaat in het tiende gebod om de bescherming van het eigendom en de bescherming van de privé sfeer van de mens. Wat een mens zich heeft verworven, waar hij zijn vaste plek heeft gevonden, dat dient van hem te blijven. Het tiende gebod wil een beschermde plek scheppen, waarin ik in vol vertrouwen met anderen kan leven, zonder bang te hoeven zijn dat anderen me mijn bezit afhandig zal maken. Dat leidt er dan ook toe dat ik mijn huis niet moet afsluiten. Het moet altijd openstaan voor de mensen. ‘Het is een van de grote kostbaarheden van het leven, dat men elkaar kan vertrouwen en dat men zich niet voor de ander hoeft af te sluiten, dat men noch de deur noch het hart hoeft te sluiten.’ (Steffensky, p. 76) Allereerst is hier sprake van het begeren. Het is een begeren waarbij je er op uit bent zelfzuchtig een ander af te nemen al wat hij nodig heeft om van te leven: een levenspartner, een huis, veiligheid, een akker, medewerkers.

Begeren wat een ander heeft, is dat niet hetzelfde als jaloers zijn?  Wie jaloers is, vergelijkt zichzelf steeds met de ander. Hij staat niet in contact met zichzelf, maar definieert zich steeds alleen maar in vergelijking met de ander. En dan komt hij er niet goed van af. Jaloezie schaadt een mens zowel psychisch als lichamelijk. Jaloezie ontneemt iemand alle levensvreugde, alle lust tot leven. Wie begerig kijkt naar het have en goed van zijn buurman geeft daarmee blijk van weinig gevoel van eigenwaarde. Hij relateert zijn gevoel van eigenwaarde aan wat hij heeft, wat hij verdient en wat hij aan kleren draagt. Jezus reageert op het tiende gebod met het vermaan om de rijkdom in zichzelf te ontdekken: ‘Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en door geen mot kan worden aangevreten. Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.’ (Lucas 12:33v) De bedoeling van het tiende gebod is niet alleen de bescherming van het eigendom, maar ook een houding van dankbaarheid voor wat ik heb.

Dankbaarheid voor wat God me heeft geschonken is daarentegen heilzaam voor een mens. Een dankbaar mens is tevreden. Met hem is het aangenaam samen te leven. Dankbaarheid maakt het me mogelijk om, mét de ander, blij te zijn over zijn geluk. Ik hoef noch hem noch mezelf naar beneden te halen of af te schrijven.

Het is nog niet gemakkelijk om regelmatig stil te staan bij het goede in je leven en je dankbaarheid te uiten voor alledaagse dingen die je als vanzelfsprekend ervaart. Toch kan dankbaarheid voor veel positieve effecten zorgen. Dankbaarheid zorgt ervoor dat je nog meer geluk zult krijgen en ondankbaarheid dat je het laatste zal worden ontnomen. Ook in wetenschappelijke onderzoeken is aangetoond dat het je beschermt tegen psychische problemen en zorgt voor minder stress en een betere nachtrust. Om dankbaar te kunnen zijn moet je opmerkzaam zijn en zaken ook op waarde kunnen schatten, anders zul je eraan voorbij kunnen gaan. Wanneer we veel stress ervaren of in een nare periode zitten hebben we de neiging om onze aandacht en energie zonder ophouden aan negatieve emoties en gedachten op te laten gaan. Je voedt dan de wolf die je opvreet. Andersom geldt dat meer je stilstaat bij het goede in je leven, hoe dankbaarder je bent, hoe meer je de witte wolf voedt en je  hoe minder ruimte er is voor negatieve emoties en gedachten.

Die witte wolf is helemaal geen wolf! Hij mag een hond zijn, een huisdier worden. Die niet bijt, maar wel blaft als hij geen aandacht krijgt, niet gevoed wordt!  Amen.

ds. Peter Korver