Overweging 15 februari

lopenoverwaterLopen over water

Misschien kennen jullie dat ook, dat sommige Bijbelverhalen uit je jeugd je extra zijn bijgebleven. Het verhaal dat we net lazen, van Jezus die op het water liep was er voor mij zo één.

Wat aan het verhaal wat we net lazen vooraf gaat is verhaal van de wonderbaarlijke spijziging; Toen Jezus de afzondering zocht werd hij gevolgd door een menigte en toen het etenstijd was wilden de discipelen de menigte wegsturen, maar Jezus zei dat ze hen te eten moesten geven, zoals de gastvrijheid van het Midden Oosten gebiedt.

Maar al wat de discipelen bij zich hadden waren vijf broden en twee vissen. Zoals hier op het antependium verbeeld. Hoe kun je daar een menigte van voeden?! Toch sprak Jezus het dankgebed uit en brak het brood, eten werd gedeeld en iedereen had genoeg, er was zelfs nog over. Vertrouw maar, zo lijkt de schrijver van Mattheüs te zeggen.

Nee, ik ga nu niet op dit Bijbelverhaal, op dit wonder in. Dat zou teveel uitweiden.

Het verhaal van het lopen over water komt zowel in Mattheüs, Marcus als Johannes voor. Alleen Lucas rept hier niet over. Maar het is alleen in Mattheüs dat wordt genoemd dat ook Petrus over het water loopt, hierin wegzakt en door Jezus geholpen wordt. Een latere toevoeging door de schrijver van dit Bijbelboek. Geen schriftvervalsing, maar een heel Joodse manier van kijken naar de mogelijkheid een verhaal te interpreteren, zoals gewoon was in die tijd. En eigenlijk vind ik het, in het kader van ons mens zijn, ook wel een heel mooi beeld.

We lazen dat Jezus zijn leerlingen aan boord stuurt en hen zegt vast naar de overkant te varen. De menigte stuurt hij weg en hij gaat, in afzondering, in gebed. Na de drukte even de stilte.

De leerlingen varen het water op, steeds verder. Ondertussen wordt het op het water onrustig. Er steekt een behoorlijke wind op en er ontstaan golven. Het wordt spannend. Ze moeten alle zeilen bijzetten. Dan komt er een gestalte over het water naar hen toelopen. Stel je voor dat je op een boot zit, in het donker, en daar loopt ineens iemand over het water naar je toe! Ja, dat is eng, dat kan niet, het moet een spook zijn. Maar ze kunnen gerust zijn, het is Jezus. Dan hebben we daar Petrus. Petrus, haantje de voorste, altijd enthousiast, een emotioneel geraakt mens. Hij springt overboord en loopt naar Jezus toe. Maar op het moment dat hij zich realiseert wat hij doet schrikt hij; dit kan helemaal niet. Hij twijfelt. Hij, Petrus, lopen over water… En op het moment dat hij zijn vertrouwen verliest, verliest hij vaste grond onder de voeten en zakt in het water en reikt Jezus hem de hand. Gered!

Water, water wordt ook wel vergeleken met het leven. Levenswater. De levenszee.

Water is niet alleen symbool in de christelijke traditie. Ik vind het verrassend om te ontdekken dat bepaalde symbolen universeel zijn. Juist de onbekendheid van verhalen uit andere tradities kunnen hulp zijn, zijn dit voor mij in ieder geval, om ook weer met onbevangen blik de zo vertrouwde Bijbelverhalen te bezien. Alsof ik even afstand kan nemen en met nieuwe ogen naar zo’n verhaal kan kijken. Dat kan verdieping geven. Elk van de grote tradities reikt beelden over hoe je zou kunnen omgaan met de grote vragen in ons leven.

Het lopen over water in dit Bijbelverhaal is als het lopen over ons levenspad. Lopen over de chaos van het bestaan de gekte van het leven. Het levenspad van de mens kent soms woelige tijden, zoals de storm op het meer. U kent het, ik ken het. We hebben te maken met ziekte, ernstige ziekte soms, met het overlijden van een naaste, ontslag, met afscheid nemen van werk, afscheid van idealen.  De narigheid in de wereld die via de media ons volop wordt voorgeschoteld.

Wat houdt ons dan overeind?

Als we dreigen ten onder te gaan in dit soort woelige tijden, in het woelige water komen spookbeelden op ons af. En zet dan het denken in je hoofd maar eens stil. Spookbeelden overkomen ons maar we maken ze ook vaak zelf. En dan kan er, tussen die spookbeelden in ook ineens een andere gestalte opdoemen, zoals in het Bijbelverhaal dan ineens Jezus opdoemt.

Een helpende gestalte, misschien wel in de gedaante van een medemens.

En durven wij dan weer op weg te gaan, kunnen wij dan de draad van ons leven weer oppakken? Stappen wij overboord het water op, zoals Petrus?

Ja, Petrus durft! En ja, wij durven vaak ook. Of we gaan, met de moed der wanhoop. Of we gaan en dan ineens, net als Petrus, slaat de angst ons om het hart. Of we worden overspoeld door ervaringen, verdriet, moeilijke tijden, we verliezen de moed en gaan, net als Petrus kopje onder.

En dan? Verdrinken wij dan? Wat helpt ons omhoog? Is er weer een manier om weer boven water te komen?

De schrijver van Mattheüs zegt dat het kan, Jezus loopt immers over water. Het is dealen met de chaos van ons bestaan.

Maar, en dat vind ik dan het mooie van de beelden uit Bijbelverhalen, als wij soms de moed verliezen, of niet durven en bang zijn, dan is er die uitgestoken hand. Er is altijd een uitgestoken hand. Jezus steekt zijn hand uit en helpt Petrus verder. Wij mogen vertrouwen op een uitgestoken hand.

De beeldverhalen uit  de Bijbel, zoals de wonderbaarlijke spijziging en het lopen over water, laten zien dat we mogen vertrouwen dat er iets of iemand is wat ons verder helpt.

De tweede lezing die we hoorden komt uit het Taoïsme en geeft een ander beeld hoe om te gaan met de moeilijkheden in ons leven.

Hier gaat het om iemand die in de waterstroom gaat, het water stroomt hard, heel hard. En de man gaat kopje onder, draaikolk in en uit. Maar hij verdrinkt niet en uiteindelijk klimt hij, tegen de verwachting in bij zulk natuurgeweld, gewoon uit het water de kant op. Even op adem komen. Confucius snapt er helemaal niets van en vraagt de man ernaar. Bezit de man Tau? zo vraagt hij.

Tau zou je kunnen omschrijven als ‘de weg’, de juiste weg, het juiste pad. Tao is ook de Bron, de Ene, de Eeuwige.

Bezit de man Tau? Bezitten is er macht over hebben, heersen.

Nee, geeft de man toe. Hij bezit geen Tau. Hij volgt het Tau van het water, hij volgt de levenszee, de levensstroom. En hij doet zelf niets. Maar in het Taoïsme is niets doen niet echt niets doen. Wu wei. Doen door niets doen.

Het volgen van de stroom is zijn lot geworden. En lot is hier geen doemdenken, lot is hier niet iets waar je zelf niets meer mee kunt.

Leven heeft hoogtepunten en dieptepunten, het is onontkoombaar. Kunnen we dit accepteren?

We zullen erin mee moeten gaan, of we willen of niet. Wat de man in dit verhaal aangeeft is dat hij zich eraan overgegeven heeft. En dat hij af en toe kopje onder gaat, maar tegelijkertijd ook weet dat hij weer boven water komt. Tot de volgende keer dat hij kopje onder gaat en opnieuw boven water komt.

En, zo zegt hij dan, hij heeft geleerd ook daar, in dat water, vaste grond onder de voeten te hebben. Overgave en vertrouwen.

Meegaan in die stroom, je overgeven aan de levensstroom, wil niet zeggen dat je geen moeilijkheden zult tegenkomen. Maar het is elke keer opnieuw, op het moment dat iets zich aandient, kijken wat er is en moment na moment reageren op wat er is.

En als we kopje ondergaan en er wordt ons een hand gereikt, zoals aan Petrus, nemen we deze dan aan?

In mijn nabije omgeving is iemand met wie het al lange tijd niet goed gaat, maar de helpende hand die wij als familie, vrienden en hulpverleningsinstanties bieden wordt afgewezen. Hartverscheurend om aan te moeten zien.

Er is een aardig verhaaltje van een man die tijdens een watersnood toevlucht zoekt op het dak van zijn huis. Het water stijgt en er komt een vlot langs met een man erop die naar hem roept ‘kom op mijn vlot, het water gaat nog veel hoger komen’. De man antwoordt dat God hem zal redden, daar zal hij op wachten.

Het water stijgt verder en er komt een boot voorbij. Er zitten al veel mensen in, maar zij nodigen de man uit erbij te komen want het water zal vast nog hoger komen.

En weer zegt de man dat hij op God wacht die hem redden zal.

Het water stijgt nog verder, komt al voorbij de dakgoot. Er vliegt een helikopter over en er komt een man uit aan een touw om de man op het dak te redden.

En weer weigert de man, want, zo zegt hij ‘God zelf komt mij redden’.

Het water stijgt en de man verdrinkt.

De man komt bij God en verwijt God ‘Ik heb steeds mijn hoop op U gericht, ik heb steeds gezegd dat u mij kwam redden, maar u hebt mij gewoon laten verdrinken’.  En dan antwoordt God: Weet je nog, die man op dat vlot, die je vroeg om met hem mee te komen?, Weet je nog, van die boot vol mensen, die je vroegen bij hen aan boord te komen?, Weet je nog, die helikopter die voorbij kwam en je wilde meenemen? Al deze mensen heb ik bij je langs gestuurd, om je te helpen.

De grote tradities reiken ons beelden aan hoe we de moed erin kunnen houden, hoe we kunnen doorleven als het leven ons onderuit haalt. Als we weer eens kopje onder dreigen te gaan.

In deze tijd, waarin we de verhalen van deze verschillende tradities tot ons kunnen nemen, kunnen we kijken welk van deze beelden voor ons hulp zouden kunnen zijn en troost bieden en ons bemoedigen het hoofd boven water te houden.

Voor mijzelf licht door beide beeldverhalen het woord vertrouwen heen. Vertrouwen in de helpende hand van de Ene die, door het beeld van Jezus, of voor ons door onze medemens een helpende hand reikt.

En het taoïstische beeld, het toevertrouwen aan de levensstroom met zijn kolkende stroomversnellingen en er op vertrouwen dat de stroom zelf leidend is door in de stroom mee te gaan.

Zolang we in dit vertrouwen verder gaan mogen we misschien wel zeggen dat we Lopen over water.

 

Monika Rietveld