Overweging 13 september 2015

vluchtelingen-2Vorige week las ik de volgende uitspraak die mij aan het denken zette: Er zijn teveel vluchtelingen, zeggen de mensen. Er zijn te weinig mensen, zeggen de vluchtelingen.

In het kort geeft die uitspraak aan in welk dilemma in ons gevoel velen van ons staan. We voelen aan de ene kant angst. Al die vluchtelingen die naar ons toekomen… Zijn ze geen bedreiging voor onze welvaart, de economie die net weer aan het opkrabbelen is, een bedreiging voor onze veiligheid, voor onze manier van leven? Kunnen we dat wel aan, willen we het wel?  En er wordt geroepen: het zijn er teveel. Of: waarom uitgerekend een centrum in mijn omgeving. Of: ze moeten opgevangen worden in hun eigen regio, niet hier.

Politici die graag hun eigen baantje willen behouden of die hun partij een goede verkiezingsuitslag willen bezorgen, doen er verstandig aan niet voorbij te gaan aan de stem van het volk. Aan de angsten en de woede die er leeft als het gaat om buitenlanders en vluchtelingen. Populistische groepen weten dat maar al te goed en slaan er munt uit.

Aan de andere kant hebben we een christelijke, humanitaire emotie. Een mens in nood, die op de vlucht is om lijf en leden te redden, die huis en haard niet heeft verlaten omdat hij niet houdt van zijn land, zijn familie, nee die op zoek is naar een plek om in vrede te leven en te kunnen werken. Zo iemand kan je toch niet wegsturen, weigeren onder het motto: zie jezelf maar te redden.

Twee weken geleden begon ik de voorbereiding van deze dienst. Het is raar, dacht ik, als wij als Kapel alleen maar praten over mooie spirituele onderwerpen en negeren wat er ondertussen gebeurt in de wereld om ons heen. En ik wilde niet een preek houden die politiek correct is en voorbijgaat aan de angsten van veel mensen. Daar wilde ik aandacht aan geven, wetend dat er veel afkeer bestaat tegen de komst van veel vluchtelingen. Dat was veertien dagen geleden. Want er is sindsdien veel gebeurd. De stemming is gekanteld.  Daar zijn redenen voor : er was een bericht van een vrachtwagen langs de weg, ergens in Oostenrijk, waarin 71 lichamen werden gevonden van gestikte vluchtelingen. We hebben een aangrijpende foto gezien van een jongetje van drie jaar oud, verdronken en aangespoeld. De vluchteling is niet meer iets abstracts, hij is een mens, een kwetsbaar kind en kinderen laten we niet verdrinken en omkomen. Een tweede reden is dat er verantwoordelijke regeringsleiders zijn opgestaan die moed en visie hebben durven tonen. Die niet de mensen naar de mond hebben willen praten, die niet voor eigen electoraal gewin zich hebben gekeerd tegen vluchtelingen, maar die leiderschap hebben getoond door op te komen voor medemenselijkheid. Frau Merkel, tot voor kort nog aangemerkt als een koude, harde vrouw die meedogenloos was voor die arme Grieken, komt nu op voor de hondderdduizenden die op drift zijn, die zonder een dak boven hun hoofd, de hitte en dan weer de kou trotserend, die hun familie, hun huis en haard verlaten hebben, op zoek zijn naar veiligheid en rust. Ze zei dat ze welkom zijn in Duitsland en dat er geen tolerantie is voor mensen die de waardigheid van deze mensen in twijfel trekken. ”Hou afstand van mensen die oproepen demonstraties en acties, er heersen vooroordelen, kilte, ja zelfs haat in hun harten”, zo waarschuwde Merkel. ”Duitsland is voor velen een land van hoop en van kansen.” Merkel herinnerde eraan dat dit niet altijd zo is geweest.  Volgens de bewindsvrouw zijn de fouten die Duitsland in het verleden maakte, een reden om niet op vluchtelingen neer te kijken als cultuurbarbaren. “Wij hebben geen enkele reden om hoogmoedig te zijn wanneer we kijken naar onze eigen groezelige geschiedenis.”

Paus Fransiscus sprak tot de gelovigen op het St Pieterplein: Geconfronteerd met de tragedie van de tienduizenden vluchtelingen die op de vlucht slaan voor oorlog en honger, ‘vraagt het evangelie ons om hen concrete hoop te geven.’ Hij vraagt dat ‘elke parochie, elke religieuze gemeenschap, elk klooster en elk heiligdom in Europa een familie opvangt’. Zijn oproep werd op warm applaus onthaald door de aanwezige menigte.

Verrassend veel mensen komen nu in actie. Waar burgerlijke gemeentes tot nu toe vooral gedwongen moesten worden om mee te werken aan de totstandkoming van opvangcentra, daar zijn ze nu zelf actief op zoek naar ruimte en bieden die aan. Hilversum en haar burgemeester hebben zelfs het voortouw genomen.  Zo gaan we nu de herfst in.

 

U en ik zien het, eigenlijk elke dag, als we naar het Nieuws kijken of als we de krant open slaan. En een vreemde mengeling van gevoelens bevangen ons dan. Mensen die voor je ogen aan het verdrinken zijn, of die trekkend langs velerlei wegen, met kleine kinderen, uitgeput, hongerig, dorstig, zonder dak boven het hoofd, maar wel de brandende zon of de verkleumende regen voorttrekkende, niet wetend wat de toekomst brengen mag, dat roept mijn mededogen op, en ook de neiging om snel weg te kijken. Zoveel leed, al die kinderen, wat hebben ze, zo jong als ze zijn, niet al meegemaakt en gezien? Hoe getraumatiseerd ook? Dat op me laten inwerken, kan ik niet. En op zo’n punt gekomen, het punt dat ik alleen nog maar kan stil staan bij mijn eigen angst en mijn eigen behoefte aan rust en veiligheid, is het goed mij te confronteren met iets of iemand die mij weet uit te tillen boven mijn beperkingen en mij plaatst in een ruimer perspectief. Dat is nodig, want voordat we het weten, delen we de mensen op in een wij en een zij en praten we zonder onderscheid over ‘die buitenlanders’. Dan is het goed om kennis te nemen van bijbelverhalen of andere spirituele bronnen.

In de Bijbel is er expliciet aandacht voor de vreemdelingen die zich in Israël ophouden. In tegen­stelling tot bijvoorbeeld de Griekse cultuur, waarin een vreemdeling niet noodzakelijk onwelwillend tegemoet getreden wordt maar waarbij de kloof tussen ‘wij en zij’ bewaard blijft, zie je dat er in de Bijbel over vreem­de­lin­gen gesproken wordt op een manier die dicht ligt bij een identi­fica­tie met het vreemde­ling­schap zelf. Die vluchteling die is als ik. Ik kan ook in die omstandigheden terecht komen. Misschien was ik het zelf ook. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. Het Griekse woord voor vreemde­ling, ‘xenos’, draagt een andere, meer afstandelijke lading. Hij is be­dreigend enerzijds, en exotisch en dus interessant anderzijds.  In het Griekse denken kan een vreemdeling ­dan iemand zijn, die je bevecht, maar het kan ook een verrijking zijn wanneer je een vreemde­ling kunt uitno­digen voor een gastmaal. Maar het blijft iemand ‘van buiten’.

In het Hebreeuws ligt dat wezenlijk anders. In het He­breeuw­se woord voor vreem­de­ling[1] klinkt de angst en het lijden als oorzaak van het vreemde­ling zijn mee. Volgens het Hebreeuwse woordenboek is een vreemde­ling iemand die zijn of haar land heeft moeten verlaten, als gevolg van oorlog of oproer, bloedschan­de, hon­gers­nood of onge­luk, en hij of zij is daarmee in de eerste plaats een kwetsbare. Precies zo herkent Israël in de vreem­de­ling die in haar midden verblijft, een bepalend element van haar eigen ge­schiede­nis: “Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.”[2] en: “Ook u moet vreemdelingen met liefde behandelen, want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte.” [3]

Een volk dat van generatie op generatie deze verhalen doorgeeft, heeft een diepgeworteld besef van wat het is vluchteling te zijn. Wanneer het volk van Israël, na 40 jaar zwerven door de woestijn aan de rand staat van het land waarin ze zelf een samen­le­ving zal opbouwen, worden de toekomstige vreemdelingen opgeno­men in haar grondwet, de tien geboden en de Tora. “Wanneer je de graanoogst binnenhaalt, oogst dan niet tot aan de rand van de akker en raap wat blijft liggen niet bijeen. En wanneer je bij de wijnoogst druiven plukt, loop dan niet alles nog eens na en raap niet bijeen wat op de grond is gevallen, maar laat het liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ik ben de Heer, jullie God.”[4].

De arme, de vreemdeling, de weduwe en de wees, krijgen een expliciet wettelijke bescher­ming. Dat kun je niet opvatten als vrijblijvende liefdadigheid, maar daarin breekt het besef door dat humanitaire noden boven de logica van het ‘mijn en dijn’ uitgaan. De kwali­teit van de samen­leving wordt afgemeten aan het lot van de zwaksten. Of onze Nederlandse, onze westerse samenleving beschaafd is, is af te meten aan hoe wij minderheden en vluchtelingen en armen tot hun recht laten komen en niet aan de vraag of de meerderheid aan zijn trekken komt.

Christus, als het gelaat van God in deze wereld, identificeert zich met de vreemdeling: “Ik was vreem­de­ling, en jullie namen mij op”, zegt Jezus (Mat­teüs 25: 35 ev.). “Wan­neer hebben wij u als vreem­de­ling gezien en opgenomen?” is de verbaasde reactie van hen die bij hun eigen weten niet Jezus, maar wel vreemdelin­gen hebben gehuis­vest. “… alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan” ant­woordt Jezus.

Je kan er voor kiezen om geen vrede te hebben met al datgene dat nu dagelijks gebeurt aan de randen van ons westerse paradijsje. Misschien omdat je over je angst en je weerzin heen bent, als je eenmaal de wanhoop en de uitputting en de angst van de vluchtelingen op de televisie in de ogen hebt durven zien en je je naaste in nood herkent. Je kan gehoor geven aan de bijbelse oproep tot zorg voor de vreemdeling. Je kan straks royaal doneren in de collecte voor Vluchtelingenwerk. Je kan vrijwilliger worden bij een asielzoekerscentrum, b.v. om taalles te geven of met iemand op te trekken. Je kan in je gesprekken met kennissen en vrienden de toon zetten als het gaat om meer begrip en mededogen. Misschien kunnen we als Kapelgemeenschap ook iets doen. Zijn wij niet immers meer dan een gemeenschap van zoekers naar zin? Willen wij niet bijdragen aan recht en vrede? Zijn we niet ook in de volle zin kerk van Christus en zetten wij ons niet in om het lijden van medemensen zoveel mogelijk te verzachten?

Amen

ds. Peter Korver